Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g73 22/6 blz. 11-15
  • Tragische nachtmerrie in Managua

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Tragische nachtmerrie in Managua
  • Ontwaakt! 1973
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De nachtmerrie van de stad
  • Persoonlijke nachtmerries
  • Reddings- en hulpwerkzaamheden
  • Het reliefwerk neemt vorm aan
  • Een moderne exodus
  • Plunderingen
  • Moed ondanks catastrofe
  • Geestelijke bijstand
  • Onderdeel van „het teken”
  • Gezamenlijk in liefde toenemen
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Een carrière die tot levenslange zegeningen leidt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Aardbeving verwoest Guatemala — Verslag van ooggetuigen
    Ontwaakt! 1976
  • Japans plotselinge ramp — Hoe mensen erdoorheen zijn gekomen
    Ontwaakt! 1995
Meer weergeven
Ontwaakt! 1973
g73 22/6 blz. 11-15

Tragische nachtmerrie in Managua

Door Ontwaakt!-correspondent in Nicaragua

HET bordje staat er nog steeds. Als een stille getuige van betere tijden, verklaart het: MANAGUA, 404.700 INWONERS. Ook de klok in het centrum van de stad, boven de hoofdingang van het Nationaal Paleis lijkt krampachtig de tijd te willen vasthouden; onwrikbaar staan haar wijzers op 12.35 uur.

Op dat middernachtelijke tijdstip, op zaterdag 23 december 1972, stierf de hoofdstad van Nicaragua in de duisternis van de nacht een verschrikkelijke dood tijdens een hevige aardbeving.

Het epicentrum van de aardbeving bevond zich midden onder de zakenwijk van Managua, en in dertig seconden had de stad opgehouden een bewoonbare plaats te zijn. Het officiële dodencijfer ligt nu boven de 12.000, maar het zal voor altijd onmogelijk blijven het precieze aantal te bepalen van degenen die onder de instortende huizen hun graf vonden.

De nachtmerrie van de stad

De stad was voor het grootste deel reeds in vredige rust toen vrijdagavond omstreeks 10 uur een waarschuwingsbeving de grond deed trillen. Maar Managua had wel meer trillingen meegemaakt. Ze komen geregeld voor, elk jaar, maar richten nagenoeg geen schade aan. Die zaterdagmorgen in december was het echter anders.

Kort na 12.35 uur stroomden de overlevenden van de grote aardbeving de straten op. Een dikke stofdeken overdekte de stad. De mensen waren rustig, verdoofd door het plotselinge geweld. De stofwolken waren echter nog maar nauwelijks opgetrokken, of een tweede schok trof de stad, niet zo krachtig als de eerste maar voldoende om zware muren omver te halen. Toen, om ongeveer 2 uur in de morgen, schudde de aarde voor de derde maal, maar er viel niet veel schade meer aan te richten.

Berichten uit de hele stad spreken over een zelfde reactie toen het stof ten slotte was opgetrokken. Zoals in het Egypte uit de oudheid, toen in elk huis de eerstgeborene overleden was, ’ging er een groot geschrei . . . op’ (Ex. 12:30). Langzamerhand begon het tot allen door te dringen wat er was gebeurd. Bij de aanvatting van het reddingswerk was overal rondom de huiveringwekkende aanwezigheid van de dood.

Op verschillende punten in de stad braken in de vroege morgenuren branden uit. De grootste brand, in het winkelcentrum, legde vijftien huizenblokken in de as. Water en elektriciteit waren niet meer beschikbaar. De hoofdbrandweerkazerne was vernietigd en het moderne materieel lag verwrongen onder het puin.

Persoonlijke nachtmerries

In de stad beleefden duizenden, ja, tienduizenden gezinnen dezelfde nachtmerrie: Het huis stortte in. De overlevenden groeven zich een weg uit het puin, in het stof van de ruïnes snakkend naar adem, maar daarna onmiddellijk weer aan het werk gaand om andere gezinsleden, die zich nog onder het puin bevonden, uit te graven.

Een moeder van acht kinderen vertelt: „Mijn man was de eerste die zich uit het puin had bevrijd. Nadat hij mij had uitgegraven, gingen we als razenden aan het werk om de kinderen te vinden. De geweldige branden in de binnenstad lichtten ons bij. Als we een gesmoorde kreet hoorden, begonnen we te graven. Hier stak een arm uit het puin, en daar een been. God zij dank; wij konden ze allemaal redden.”

Lola Díaz, een negenenzeventig jaar oude getuige van Jehovah, sliep toen de muur naast haar bed door de aardbeving werd omgeworpen en haar bedolf. Haar dochter kon zichzelf onder het puin vandaan werken en ging daarna snel hulp halen. Verschillende buren kwamen op haar geroep af en gezamenlijk groeven zij Lola uit. De oude vrouw was reeds bewusteloos, maar zij kwam weer bij en is nu aan de beterende hand.

Conchita Gonzales was die avond nog laat aan het naaien. Toen de muren naar beneden kwamen, dook zij onmiddellijk onder haar naaimachine. Cementblokken stortten er bovenop, maar zij bleef ongedeerd.

Anderen waren echter niet zo gelukkig. Eén gezin was pas naar een nieuwe woning in het noordwestelijke deel van de stad verhuisd. Het huis was gebouwd van cementblokken. Stalen raamkozijnen aan de buitenkant gaven het een solide aanblik. Alles stortte echter in of het van modder was. Het gehele gezin van acht personen werd levend begraven en kwam om het leven.

Afgrijselijk was ook hetgeen er die zaterdagmorgen met nog laat feestvierende bruiloftsgangers gebeurde; het dikke betonnen dak van de danszaal waarin zij zich bevonden, stortte naar beneden, waardoor dertig personen het leven verloren.

Veel mensen bleven evenwel ook op opmerkelijke en wonderbare wijze gespaard. Een ontstelde moeder zocht koortsachtig naar haar tweejarig dochtertje, gravend in de overblijfselen van wat eens haar huis was. Later werd de kleine vredig slapend in een achterkamer gevonden, zich onbewust van wat er om haar heen gebeurde.

Een gast op kamer 318 in het Gran Hotel kwam net onder de douche vandaan. Hij probeerde de deur van zijn kamer te openen maar dit lukte niet. Ten slotte deed een echtpaar van binnenuit open. Naakt, versufd en verbijsterd, vroeg hij op gebiedende toon: „Wat doet u in mijn kamer?”

„Uw kamer? Dit is onze kamer, 418”, was het antwoord.

Geen van drieën besefte op dat moment nog dat de derde verdieping in elkaar was gezakt en dat de vierde er nu bovenop lag. De naakte man ontsnapte aan de dood, maar vele anderen op de derde verdieping kwamen om.

Om de duizenden doden te kunnen begraven, werden lange geulen in de begraafplaatsen gegraven. Het gezicht van de op elkaar gestapelde rijen doden zal nog lang in de herinnering van velen blijven hangen. Sommige lichamen werden in kisten begraven, de meesten echter niet. Verpakt in plastic, dekens en lakens, en soms naakt, werden de overleden slachtoffers aangevoerd.

Reddings- en hulpwerkzaamheden

Toen er op verschillende plaatsen berichten over de ramp begonnen binnen te sijpelen, reageerde de geschokte wereld snel. Andere landen gingen er bijna onmiddellijk toe over medicamenten en andere goederen te zenden. Het duurde dus niet lang voordat de slachtoffers van de aardbeving hulp ontvingen.

Een van de eerste centra waar hulpgoederen in de vorm van voedsel en water verkrijgbaar waren, was het bijkantoor van de Watch Tower Bible and Tract Society, een instelling die door Jehovah’s getuigen wordt gebruikt. Dit gebouw lag slechts achttien blokken van het epicentrum van de aardbeving verwijderd, in het oosten van de stad. Het liep echter slechts lichte schade op. De gebouwen en huizen er rondom heen stortten bijna allemaal in.

Bij het aanbreken van de kille zaterdagmorgen gingen de opzieners van de gemeenten van Jehovah’s getuigen met één en hetzelfde doel in gedachten aan het werk. Zij wilden weten hoe het met elk van hun mede-Getuigen stond. Eén voor één bezochten zij alle leden van hun gemeenten om na te gaan wat er kon worden gedaan om degenen die medische hulp nodig hadden, bij te staan en hoe er in elke eventuele andere behoefte kon worden voorzien. Na dit onderzoek werd er een volledig verslag aan het bijkantoor overhandigd, alwaar werd nagegaan op welke wijze het hulpprogramma het beste op gang gebracht kon worden.

De eerste rapporten kwamen al na enkele uren binnen. Tegen de middag hadden vijftien van de zestien gemeenten in Managua reeds verslag uitgebracht. Verbazend genoeg waren er onder de meer dan 1000 Getuigen in de stad geen doden gevallen! Builen, sneden, schrammen en schaafwonden waren er te veel om op te noemen, maar niemand had ook maar de kleinste fractuur opgelopen! Zeven Koninkrijkszalen waren verwoest en vier beschadigd. Minstens 80 percent van de Getuigen was dakloos geworden.

Direct werden er pogingen in het werk gesteld om voor deze Getuigen en hun gezinnen te zorgen. Het werd beslist duidelijk welk een oprechte liefde er onder Gods volk bestaat. Zaterdagsmiddags kwam er een Getuige aan met een vrachtwagen beladen met 1100 liter water van een ruim vijfentwintig kilometer verderop gelegen gemeente. De werkers op het bijkantoor en hun buren vonden het een heerlijke verkwikking.

Toen, om 10 uur ’s avonds, kwamen de eerste twee vrachtwagenladingen met goederen van Jehovah’s getuigen uit Liberia (Costa Rica) aan. Kort daarna arriveerden er nog twee vrachtwagens van Getuigen in Tegucigalpa, in Honduras. Binnen vierentwintig uur na de ramp had men dus de beschikking over voedsel, kleding, medicamenten, water en benzine! De grenzen stonden dag en nacht open. Tijdens deze nationale ramp waren er geen visa nodig.

Zondagsmorgens arriveerde even na zeven uur de bijkantooropziener van het Wachttorengenootschap van Costa Rica met nog meer goederen. Vertegenwoordigers van het bijkantoor van El Salvador kwamen zondagmiddag tegen twaalf uur met goederen aan. Ook uit Nicaragua zelf kwam hulp in de vorm van vrijwillige werkers uit verschillende gemeenten. Zij kregen snel bepaalde taken toebedeeld, zoals het sorteren van kleding en het inpakken en verzenden van voedselpakketten. Andere vrijwilligers bereidden eenvoudige maaltijden voor degenen die al hun tijd aan het reliefwerk besteedden.

Het reliefwerk neemt vorm aan

Op zondag, de eerste dag van het reliefprogramma ontvingen 578 personen een hoeveelheid voedsel toereikend voor twee dagen. Die zondagmiddag hield de bijkantooropziener een vergadering met de Getuigen die vanuit Costa Rica, Honduras en El Salvador waren gekomen. Zij wilden weten: „Wat hebben onze Nicaraguaanse broeders nodig? Wat kunnen wij doen om te helpen? Welke goederen moeten wij kopen?”

Het was onmogelijk ook maar iets in Managua te kopen. Er werden dus lijsten met benodigde goederen opgesteld en instructies verstrekt. Tegen maandagmorgen begonnen er vrachtwagens met goederen uit andere plaatsen binnen te komen, en er bleven vrachtwagens komen, dag en nacht door. Na twee weken werd er besloten dat vanaf dat moment alle goederen vanuit Costa Rica zouden worden ingevoerd, met het oog op de goedkoopte en nabijheid van dat land. Aan het eind van de derde week van hun hulpprogramma hadden de Getuigen meer dan twintig ton voedsel verpakt en uitgedeeld, een hoeveelheid voldoende voor 120.000 maaltijden. Getuigen buiten Managua hadden hun huizen geopend voor broeders en zusters die verlegen zaten om een verblijfplaats.

Van over de gehele wereld hebben Jehovah’s getuigen gaven gezonden om hun mede-Getuigen in Nicaragua te helpen. En als er nu bepaalde dingen nodig zijn, stuurt het Wachttorengenootschap geld naar Costa Rica om dit te kopen. Tevens werden er, dank zij de vriendelijke medewerking van het Rode Kruis en het AID-programma van de Verenigde Staten, 70 tenten, 100 veldbedden en 100 dekens verkregen voor Getuigen die in behoeftige omstandigheden verkeerden. Ook werden er nog 100 extra dekens in Costa Rica gekocht.

Wij weten niet hoe lang wij ons reliefprogramma zullen moeten voortzetten. De regering heeft evenwel verklaard dat er in Nicaragua nog wel bijna een jaar lang een kwart miljoen mensen gevoed zullen moeten worden.

Een moderne exodus

Reeds tijdens de zaterdag van de aardbeving, terwijl de reddingsoperaties nog doorgingen, begonnen de overlevenden hun aandacht te richten op het redden van persoonlijke bezittingen die nog niet vernietigd of onbereikbaar bedolven waren. Die avond leefde Managua op straat. De nacht was angstig, koud en dreigend. De geïmproviseerde carbidlantaarns en olielampjes flikkerden in een zwakke en wanhopige poging om de vrees te verdrijven.

Kinderen jengelden en huilden zachtjes en honden kropen tegen hun baas aan als de aarde opnieuw begon te beven. En toen ten slotte, na eindeloos lijkende, slapeloze uren, de zondagochtendzon haar eerste stralen in de duisternis van de bange nacht wierp, hadden duizenden maar één verlangen: zo snel mogelijk weg te komen uit deze stad der verschrikkingen.

De regering liet boodschappen omroepen waarin tot onmiddellijke evacuatie werd opgeroepen, maar er heerste verwarring met betrekking tot de vraag welke gedeelten van de stad zouden moeten worden geëvacueerd en hoe dit zou moeten gebeuren. Toch vluchtten er in een periode van drie dagen ongeveer 300.000 personen de stad uit in een onvoorstelbare, aan hysterie grenzende exodus. Vervoerders beleefden gouden tijden. Zelfstandige transportondernemers verdienden vier- of vijfmaal zoveel als normaal. Dag en nacht ging het inladen en vertrekken door.

De wanhoop dreef sommigen in hun verlangen om vervoerd te worden, tot buitensporige, zelfzuchtige daden. De chauffeur van een open bestelwagen vertelde: „Ik was gestopt om rechtsaf te slaan, toen ik plotseling, terwijl ik op het verkeer lette, een man de straat op zag schieten met een revolver in de hand; hij stak deze door het raampje van een auto voor mij terwijl hij de bestuurder met zijn andere hand vastgreep.”

Plunderingen

Een van de droevige aspecten van deze nationale tragedie was dat de mensen zich gingen overgeven aan plunderingen. Enkele dagen na de aardbeving begonnen zich grote menigten voor de supermarkten te vormen. Deze waren in verband met de kersttijd tot de nok gevuld met goederen. Als preventieve maatregel had men gewapende wachten rond de winkels geposteerd om plunderen te voorkomen. Spoedig waren de menigten echter niet meer onder controle te houden. De wachten vluchtten of deden, volgens vele ooggetuigen, mee aan de plundering. Vijf supermarkten werden leeggehaald. Zelfs het sanitair werd losgesloopt en meegenomen. Naderhand gingen twee supermarkten in vlammen op.

Ook op zichzelf staande gevallen van plundering, vooral van particuliere huizen, werden gemeld. Het leger kreeg de opdracht op iedereen te schieten die op diefstal werd betrapt. Tot vier of vijf nachten na de aardbeving waren dan ook overal in de duistere stad geweerschoten te horen. Talrijk waren de gevallen waarin mensen op zoek gingen naar transport voor hun goederen en bij hun terugkomst ontdekten dat hun huis tijdens hun afwezigheid geplunderd was.

Een leraar die zijn gezin uit het puin had bevrijd, bemerkte dat de gezondheidstoestand van zijn dochtertje kritiek was. Het dak van zijn garage was op zijn auto gevallen, zodat hij met ander vervoer zijn dochtertje naar het ziekenhuis moest brengen. Toen hij de volgende dag bij zijn huis terugkeerde, nadat hij zijn kind dood in het ziekenhuis had moeten achterlaten, vond hij dieven bezig met het plunderen van zijn huis. Zij hadden het dak van zijn garage opgekrikt en gestut en waren rustig bezig met het demonteren van zijn auto; zelfs de wielen hadden zij al losgemaakt om mee te nemen!

Moed ondanks catastrofe

De Nicaraguanen zijn voor het merendeel hartelijke en edelmoedige mensen. Tevens hebben zij een opmerkelijke moed ontwikkeld waarmee zij het leven tegemoet treden. Ontberingen zijn niet vreemd voor hen, en worden met de hun eigen kalmte doorstaan.

Een frappant voorbeeld hiervan wordt ons gegeven door een vrouw die Managua ontvluchtte en in een zelfgebouwde hut op het perron van het station in Masaya woonde, vierentwintig kilometer ten zuiden van Managua. Terwijl zij wachtte totdat haar jurk droog was — de enige die zij nog had kunnen redden — sprak zij met een zendelinge van Jehovah’s getuigen die zij bij zich had binnengenodigd. Zij vertelde dat zevenentwintig gezinnen zich dagelijks om de beurt konden wassen bij een nabijgelegen benzinestation. Kalm en moedig legde zij zich bij de omstandigheden neer.

In één streek waarheen evacués waren gevlucht, dauwde het zo zwaar dat hun lakens ’s morgens doorweekt waren, zodat ze uitgewrongen en te drogen gehangen moesten worden, wilden ze voor de volgende nacht bruikbaar zijn. Maar er kwam geen klacht over hun lippen.

Velen in Managua, die nergens naar toe konden en te arm waren om weg te gaan, zijn in de verwoeste stad gebleven. Er hebben zich groepjes gevormd, die ’s nachts wat menselijk gezelschap, troost en bescherming zoeken. De meeste mensen slapen op canvas veldbedden; deze geven op kille avonden weinig bescherming tegen de kou. In de situatie van de Getuigen die nog in de stad zijn, komt verbetering, maar er wordt nog wel ontbering geleden.

Drie weken na de aardbeving trof men buiten op straat een zeventigjarige vrouw slapend aan op haar veldbed naast een schutting. Om zich enigszins te beschermen tegen de kille nachtwind, had zij wat stukken hout rond haar bed gespijkerd. Getuigen die aan het hulpwerk deelnamen, zetten voor haar een tent op om in te slapen. Toen zij de tent zag opzetten, kon zij zich niet meer goed houden en barstte in snikken uit. Andere Getuigen ervoeren dezelfde gevoelens toen zij hun tenten ontvingen. Velen hadden op de grond geslapen, anderen buiten op veldbedden. Het lijkt bijna een wonder dat er ondanks alles wat er is gebeurd, onder Jehovah’s getuigen geen doden zijn gemeld.

Geestelijke bijstand

Vijf dagen na de aardbeving werd er besloten het bijkantoor en zendingshuis van het Wachttorengenootschap te ontruimen. Het werd twintig kilometer ten zuidoosten van Managua weer ingericht. Daar was een gezin zo vriendelijk woonruimte te willen afstaan aan het bijkantoor, zodat het reliefwerk zonder onderbreking vanuit een centrale plaats kon worden voortgezet. Ongeveer 100.000 van de oorspronkelijke 404.700 inwoners van Managua zijn in de stad gebleven. Onder hen zijn vele Getuigen.

Het bijkantoor en de kringopziener voor het gebied van Managua werkten snel een schema uit om de Getuigen te bezoeken en hen in groepen te verenigen. Er werd weer een begin gemaakt met gemeentevergaderingen en de velddienst werd gereorganiseerd. Er werd een zodanig schema opgesteld dat de kringopziener anderhalve dag met elke groep zou doorbrengen. Na verloop van tien dagen waren op die wijze alle groepen soepel aan het draaien gebracht.

Het eerste bezoek van de kringopziener werd gevolgd door een tweede van twee dagen. De ene dag was gewijd aan de velddienst en de andere aan speciale vergaderingen. Daar in de stad nog steeds de staat van beleg heerste, werden er ’s avonds geen vergaderingen gehouden. De kringopziener bracht met elk bezoek ook voedsel en kleding mee en gaf tevens speciale instructies in verband met de hygiëne en waarschuwingen voor besmettingsgevaren. Hij controleerde ook de lichamelijke gezondheidstoestand van de broeders en zusters om na te gaan of opneming in het ziekenhuis of het gebruik van bepaalde medicijnen noodzakelijk was. Deze gehele regeling is voor allen een ware zegen gebleken.

Onderdeel van „het teken”

Dit was waarlijk een tragische nachtmerrie voor de enkele honderdduizenden inwoners van Managua. Vrees, angst en ontzetting hebben veel mensen tot God doen bidden. Zullen zij hun pogingen om met God in een nauwer contact te komen, blijven voortzetten? Zullen zij geloof hechten aan de uitspraak in de bijbel dat er in deze tijd van het einde „grote aardbevingen” zullen zijn? Alleen de tijd zal het leren.

Men is begonnen met herstelwerkzaamheden aan de gebouwen, maar geen mens kan gestorven geliefden terugbrengen. Slechts de Schepper, Jehovah God, is daartoe in staat. En wij hebben de zekere belofte, opgetekend in de Schrift, dat hij dit zal doen. — Joh. 5:28, 29.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen