Hoe staat het met de „vliegende schotels”?
HET begon allemaal in de zomer van 1947 toen de piloot van een privé-vliegtuig dat in de buurt van Mount Rainier in de Amerikaanse staat Washington vloog, verscheidene discusvormige dingen achter elkaar in een golvende baan, „als gebakschoteltjes die over het water worden gekeild”, door de lucht zag gaan.
Dit bericht werd in tal van kranten afgedrukt en werd snel gevolgd door een vloedgolf van soortgelijke berichten uit andere delen van het land. Men zei dat er lichten in de lucht zweefden die dan met grote snelheid, zigzaggend zoals voor geen enkel vliegtuig dat men kent mogelijk is, wegschoten. In Lubbock, in de Amerikaanse staat Texas, zag en fotografeerde men een ’flottielje’ ovale lichten. De mensen die de radarinstallatie op vliegvelden en aan boord van vliegtuigen bedienden, begonnen echo’s op hun schermen waar te nemen die bij geen enkel vliegtuig waarvan men zeker wist dat het op dat moment in de lucht was, pasten. Ze volgden vreemde routes en verdwenen soms abrupt.
Er werden talloze foto’s gepubliceerd, meestal van vage lichten in het donker, doch enkele vertoonden scherp de duidelijke omtrekken van op schotels gelijkende voorwerpen in een hemel bij daglicht. Een automobilist maakte tijdens een terreinrit een filmopname van een geheimzinnige groep witte vlekken die boven de woestijn nabij Tremonton, in de Amerikaanse staat Utah, rondvlogen.
De eerste nieuwsberichten gebruikten de uitdrukking „vliegende schotels” en dit is de benaming die men algemeen is gaan gebruiken voor alle vreemde voorwerpen die in de lucht worden gezien. Vele van deze voorwerpen hebben echter niet de vorm van een schotel en daarom worden ze nauwkeuriger „unidentified flying objects” („niet-geïdentificeerde vliegende voorwerpen”) of kortweg UFO’s genoemd.
Soms geleek het wel een massahysterie, zo talrijk werden de UFO’s die duizenden mensen zagen. De kranten vulden hun kolommen met interviews, officiële rapporten, geruchten en meningen. In juli 1952 werd door een lawine van berichten over radarwaarnemingen en vreemde lichten rondom het vliegveld van Washington, D.C., een ware paniek gezaaid. In september 1965 liep in Mexico City het verkeer verscheidene avonden achtereen tijdens het spitsuur vast en brachten de mensen de nacht op de daken van de huizen door om naar bewegende lichten in de lucht te kijken.
In vele beschrijvingen van UFO’s werd te kennen gegeven dat ze verstandelijk bestuurd werden en dat ze zich verplaatsten als reactie op waarnemers die naderbij trachtten te komen om ze beter te bekijken. Soms waagden politieagenten in patrouille-auto’s het, laagzwevende UFO’s op te sporen. Zij bemerkten dat hun auto’s ze niet konden bijhouden en keerden verschrikt en met verhalen dat de „prooi” die zij najoegen hen achternagezeten had, terug. Er stegen jachtvliegtuigen op om te proberen of zij contact konden krijgen met zichtbare of radardoelen. Op een middag in 1948 probeerde een ongelukkige piloot in Kentucky een UFO te pakken te krijgen. Deze steeg vóór hem omhoog en hij meldde dat hij bezig was tot 6000 meter te stijgen. Dat waren zijn laatste woorden. Men vond hem dood tussen de wrakstukken van zijn vliegtuig.
Er kwamen speculaties bij de vleet over de oorsprong van de mysterieuze „vliegende schotels”. Waren de Verenigde Staten bezig in het geheim een nieuw type luchtvaartuig, aangedreven door atoom- of magnetische of zelfs aantrekkingskracht, te testen? Of misschien was de een of andere vreemde mogendheid een dergelijke beweegkracht gaan beheersen en met haar pas ontdekte vinding in de Amerikaanse hemel aan het geuren. Het meest wijdverbreid echter was de theorie dat er bezoekers uit de interplanetaire ruimte waren gekomen om de aarde te onderzoeken en haar bewoners te bestuderen. Het lijdt geen twijfel dat dit denkbeeld het meest fascinerende van de „vliegende schotels” was. Het feit dat de mens in die tijd juist voorbereidingen trof om zich buiten zijn aardse tehuis te wagen ten einde andere werelden te exploreren, gaf hem reden zich af te vragen of met verstand begaafde schepselen dit elders vóór hem hadden gedaan.
Sommigen beweerden dat de vliegende schotels zelfs op afgelegen plaatsen waren gedaald en wezen als bewijs op de platgeslagen vegetatie en verschroeide aarde op de plaats van de landing. Men beweerde dat in de nabijheid van de interplanetaire luchtvoertuigen lampen waren uitgegaan, klokken stil waren gaan staan en zelfs de motoren van auto’s waren afgeslagen, terwijl het metaal magnetisch en de omgeving radioactief was geworden. Een paar mensen getuigden dat zij aan boord van de „schotels” waren gebracht — één in een woestijn in Californië en een ander op een Braziliaanse boerderij — en de reizigers van Venus hadden ontmoet. Hoewel hun getuigenis niet werd bevestigd, waren lichtgelovige mensen bereid het te geloven. De opkomst van een nieuwe cultus die zich concentreerde op de goddelijke supermensen van Venus zorgde voor een religieus aspect.
De meeste geleerden waren geneigd al deze opwinding als onzin van de hand te wijzen. Vooral op de astronomen maakte het weinig indruk. Zij brachten onder de aandacht dat het hun taak was de hemel gade te slaan, doch dat zij geen „vliegende schotels” hadden gezien. Waar zouden ze trouwens vandaan moeten komen? Van Mars? Van Venus? Van hetgeen wij reeds van deze planeten wisten, zou het voor een op een mens gelijkend schepsel onmogelijk zijn daar te leven, aangezien daar geen lucht of water is. En interplanetaire sondes die de atmosfeer van Venus onderzochten en close-up foto’s van Mars namen, versterkten deze mening. Venus bleek heet genoeg te zijn om zink te doen smelten en Mars bleek net zo koud en levenloos te zijn als de maan. Weinig geleerden vonden het onderwerp van de UFO’s interessant genoeg om ook maar enige tijd aan een onderzoek te besteden of zelfs om er in het openbaar over te spreken. Er werd in hun tijdschriften zelden gewag van gemaakt. Eén astronoom nam de moeite een boek te schrijven waarin werd aangetoond dat luchtspiegelingen een uitwerking kunnen hebben zoals de op en neer bewegende „schotels” die bij Mount Rainier werden gezien, of zoals de lichten in Lubbock.
Het vermoeden scheen gerechtvaardigd dat de meeste „vliegende schotels” die men hiervoor had aangezien niets anders dan heel gewone dingen waren, zoals sterren, meteoren, vliegtuigen, ballonnen en luchtspiegelingen, terwijl men ook met grappen en hallucinaties rekening moest houden. De vraag blijft zich echter opdringen: Zouden alle vreemde verschijnselen die gerapporteerd werden aan zulke prozaïsche oorzaken kunnen worden toegeschreven? Of zouden er enkele echte „vliegende schotels” kunnen zijn, die de geleerden werkelijk niet kunnen verklaren?