Costa Rica
BIJNA vijf eeuwen geleden stond een lange, goedgebouwde man met een adelaarsneus op het dek van zijn schip en tuurde de kustlijn van Midden-Amerika af om te zien of er een doorgang was naar de Indische Oceaan. Hij vond die niet. Wat hij in 1502 echter wel ontdekte, was het land dat Costa Rica gedoopt werd, wat „rijke kust” betekent.
De man was Christophorus Columbus, een Italiaan die onder de Spaanse vlag voer en zich op zijn vierde en laatste reis naar de Nieuwe Wereld bevond. Hij en ook andere ontdekkingsreizigers hoopten in Costa Rica goud te vinden. In plaats daarvan leverde het gebied weinig op aan edele metalen. Columbus wist echter niet dat de grootste rijkdom van het land de mensen zouden zijn die er wonen, vooral zij die de eigenschappen bezitten welke hen kostbaar maken in de ogen van Jehovah.
Het land dat Columbus ontdekte, werd reeds bewoond door de Indianen, die zich op zijn laatst rond het jaar 1000 op deze landengte tussen Noord- en Zuid-Amerika gevestigd hadden. Hoe ziet het land er tegenwoordig uit?
Geflankeerd door de Atlantische Oceaan (de Caribische Zee) in het oosten en de Grote Oceaan in het westen, heeft Costa Rica een keten van hoge, ruige bergmassieven die zich uitstrekken van de grens met Nicaragua in het noorden tot de grens met Panama in het zuidoosten. Enkele van de hoogste toppen zijn nog werkende vulkanen. De laagvlakten langs de kust, waar het klimaat heet is, zijn begroeid met tropische regenwouden. Het grootste deel van de bevolking heeft zich gevestigd op de koele, centrale hoogvlakte rond de hoofdstad, en tevens grootste stad, San José, die ingesloten is door met koffiebomen bedekte hellingen.
Tegenwoordig bestaat 97 procent van de naar schatting 2.600.000 inwoners uit mestiezen en blanken, hoofdzakelijk van Spaanse afkomst, en is er een Indiaanse bevolking van ongeveer 5000. Spaans is de officiële taal, en de Rooms-Katholieke Kerk is de staatskerk, hoewel niet-katholieke godsdiensten er ook vrijheid van godsdienstuitoefening hebben.
Aan het einde van de 19de eeuw arriveerden er in Costa Rica veel immigranten uit Jamaica, Trinidad en Barbados. Deze geharde mensen kwamen om te werken op de florerende bananenplantages langs de Atlantische kust, die eigendom waren van de United Fruit Company. Zij namen uiteraard hun protestantse en katholieke godsdienst en gebruiken mee. Het merendeel van deze wilskrachtige en hardwerkende mensen had liefde voor de bijbel.
DE BIJBELSE WAARHEID ONTDEKT
Zo werd nog voor de eeuwwisseling in Costa Rica een ontdekking gedaan die gedenkwaardiger was dan die van Columbus — de ontdekking van de bijbelse waarheid. Hoe de Koninkrijksboodschap voor het eerst naar Costa Rica werd gebracht, is een mysterie. Maar Jehovah’s Getuigen op Jamaica berichten dat twee Jamaicanen die naar Costa Rica waren gemigreerd, H. P. Clarke en Louis Facey, de waarheid daar leerden kennen en het goede nieuws mee terugbrachten naar hun vaderland Jamaica.
In 1904 zette Anna Reynolds, een enthousiaste Bijbelonderzoeker uit Jamaica, in Costa Rica voet aan wal. Kort na haar aankomst zond het Genootschap broeder Condell, een pelgrimbroeder, om zich in het colporteurswerk, of de volle-tijdprediking, bij haar aan te sluiten. Zodra broeder Condell naar Jamaica was teruggekeerd en bericht had uitgebracht over de gevonden belangstelling, werd besloten om een andere colporteur, Frank Hudson, naar Costa Rica te zenden. Hij arriveerde in 1906 en wist veel belangstelling onder de Engelssprekende zwarte bevolking op te wekken. De uitgave van 1 januari 1907 van The Watch Tower berichtte dat Costa Rica in 1906 een vruchtbare bodem was voor de verspreiding van bijbelse lectuur.
DE BOODSCHAP VERBREIDT ZICH
Tegen het jaar 1914 was de waarheid overal langs de Atlantische kust doorgedrongen. In dat jaar organiseerde Henry Adamson de eerste ecclesia of gemeente in Guácimo, een stadje dat zo’n tachtig kilometer verwijderd ligt van Puerto Limón, het commerciële centrum van dit welvarende landbouwgebied. Tegen die tijd had de boodschap zelfs de hoofdstad San José bereikt, die ruim 160 kilometer van Puerto Limón vandaan ligt. Daar woonden op zijn minst twee Engelssprekende broeders, maar aangezien San José een Spaanssprekende bevolking had en de lectuur in het Engels was, werd er een aantal jaren weinig vooruitgang geboekt. Hoewel er vergaderingen werden gehouden in particuliere huizen, werden ze niet aangekondigd.
Desondanks groeide het werk in andere delen van het land dermate dat het noodzakelijk werd een plaatselijke broeder als pelgrimbroeder (kringopziener) aan te stellen om de broeders in alle delen van Costa Rica, met inbegrip van San José, te bezoeken. Victor Samuels werd daarvoor uitgekozen.
VROEGE CONGRESSEN
In het jaar 1914 werd er in de stad Puerto Limón een congres gehouden, waar elf personen werden gedoopt. Omstreeks die tijd werden William en Claudia Goodin, Henry en Matilde Steele, de familie Wilson en de familie Williams allen gedoopt. Kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van deze vroege werkers hebben thans een aandeel aan het getuigeniswerk in Costa Rica. Maar hierover later meer.
Destijds verschafte het Genootschap nog geen schema’s voor de congreslezingen. Dus kozen de toegewezen sprekers hun eigen onderwerp en stelden hun eigen schema op, terwijl sommigen zelfs zonder aantekeningen spraken. Edelmoedig werd er geld en voedsel geschonken voor de maaltijden, die kosteloos bij een van de broeders thuis geserveerd werden. Het menu bestond uit sterk gekruide gestoofde kip met rijst en in kokosmelk gekookte erwten, en vooral de gebakken rijpe banaan mocht nimmer ontbreken!
Het was de gewoonte om na afloop van de congressen een zogeheten liefdemaal te houden, waarop de broeders en zusters religieuze liederen zongen en creamcrackers ronddeelden aan alle aanwezigen. De vierstemmig gezongen liederen klonken warm en melodieus.
SPECIALE KENMERKEN
Gehuld in witte klederen vierden de broeders en zusters op een stemmige wijze de jaarlijkse Gedachtenisviering ter herdenking van Christus’ dood. Er werden gewoonlijk geen kinderen uitgenodigd, uit vrees dat zij de viering zouden verstoren en daardoor afbreuk zouden doen aan de ernst ervan. Allen gebruikten van de symbolen, het brood en de wijn, waarna zij zonder een woord met elkaar te wisselen naar huis gingen.
Men regelde het speciaal zo dat de doop vlak voor de Gedachtenisviering plaatsvond. De broeders en zusters werden aangemoedigd om voor die gelegenheid in witte pakken en witte jurken gekleed te gaan. Om nieuwsgierige toeschouwers te mijden, stonden zij voor dag en dauw op, gingen naar het strand en voltooiden de doopceremonie voordat de buren beseften wat er aan de hand was. Terwijl de doopkandidaten dan in de zee werden ondergedompeld, zongen de overigen op de achtergrond meerstemmig liederen.
De openbare lezingen waren een soort parklezingen. Al de Getuigen kwamen op een van tevoren afgesproken plaats ergens in de open lucht bijeen en de spreker richtte zijn bijbelse toespraak dan tot degenen die in een halve kring om hem heen stonden of zaten. Er waren ook buitenstaanders aanwezig en zij deden mee wanneer het zingen begon.
Eén naam die de broeders en zusters toebedacht kregen, was die van Old People’s Church (Oude-mensenkerk) omdat zij weinig of geen moeite deden om hun kinderen in geestelijk opzicht te helpen en omdat veel van degenen die tot de organisatie behoorden al aardig op leeftijd waren. Later organiseerden de broeders een eigen zondagsschool voor hun kinderen, en ten slotte beseften zij dat de verantwoordelijkheid voor de opleiding van de kinderen bij de ouders zelf berustte. Maar Matilde Steele zag die noodzaak al eerder in. Josephine, Matildes zevende kind, werd in 1918 geboren. Toen Josephine nog maar veertig dagen oud was, nam haar moeder haar al mee naar een congres in Cahuita, een kustplaats ten zuiden van Puerto Limón. Het was geen geringe onderneming om met dat hete, vochtige weer de hele dag per trein, boot en muilezel te reizen. Maar de zware tocht deed de kleine Josephine geen kwaad. Op zeventienjarige leeftijd werd zij gedoopt, en samen met haar gezin dient zij Jehovah nog steeds getrouw.
ZADEN VAN TWEEDRACHT GEZAAID
Terwijl de organisatie nog in haar kinderschoenen stond, begon Satan door middel van zaden van afgunst, trots, jaloezie en zelfzuchtige ambitie onenigheid onder de broeders te zaaien. De geest van wedijver openbaarde zich wanneer verschillende personen naar een prominente positie in de gemeente dongen. Aangezien dienstposities democratisch werden geregeld, werden er periodieke verkiezingen gehouden en werden ouderlingen door handopsteking bij meerderheid van stemmen voor hun positie gekozen. Ambitieuze broeders die meenden dat zij een beter begrip van de waarheid hadden dan degenen die voor deze posities gekozen waren, trachtten het vertrouwen van de gemeente in de broeders die de leiding hadden, te ondermijnen. Hoe deden zij dit? Door tijdens de vergaderingen vragen en wedervragen te berde te brengen. De broeders en zusters kozen partij, en het gevolg was dat twee verschillende groepen van gemeenteleden op afzonderlijke plaatsen in Puerto Limón begonnen te vergaderen.
EEN BOZE INVLOED
Er hingen deze kleine maar verdeelde groep christenen nog meer moeilijkheden boven het hoofd toen de eerste president van het Wachttorengenootschap, Charles T. Russell, in 1916 stierf. Op het internationale hoofdbureau in Brooklyn (New York) werd door zelfzuchtige broeders een duivels complot gesmeed om de volgende president, Joseph F. Rutherford, en andere aangestelde mannen de leiding van het Genootschap te ontnemen. Maar Jehovah liet niet toe dat zijn organisatie in handen van zulke ontrouwe personen viel.
Eén aanstoker van de oppositie was Paul Johnson, die — in strijd met de uitleg van het Genootschap — geloofde dat Jezus’ loskoopoffer ook ten behoeve van Adam en Eva zou worden aangewend. Hij schreef brieven, zond deze naar broeders in Costa Rica en zei hun dat zij broeder Rutherford niet moesten steunen. Enkele afzonderlijke personen verkozen de leer van Johnson boven die van de bijbel en scheidden zich van de organisatie af.
HET EERSTE BEZOEK VANUIT HET HOOFDBUREAU
In 1917 genoot Costa Rica het voorrecht voor de eerste maal bezocht te worden door een vertegenwoordiger van het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn, namelijk Walter Bundy, die vergezeld was van zijn vrouw. Maar waarom zou het Genootschap zo veel onkosten maken om een vertegenwoordiger helemaal naar Costa Rica te zenden? Welnu, het aantal Bijbelonderzoekers groeide. Omstreeks 1918 waren dat er 73, wat betekende dat Costa Rica het op drie na grootste aantal Getuigen van alle landen in de wereld had. Alleen de Britse Eilanden, de Verenigde Staten en Australië hadden er meer. De bevolking van Costa Rica bedroeg destijds minder dan een half miljoen.
ENKELEN WERDEN OP EEN ZIJSPOOR GEBRACHT
Satan stelde opnieuw pogingen in het werk om de waarheid uit te roeien en trachtte de broeders af te leiden van hun voornaamste doel, het hoog houden van Jehovah’s naam. Er verscheen onder de zwarte bevolking in het Atlantische gebied een nieuwe organisatie op het toneel, die bekend kwam te staan als de Universal Negro Improvement Association (de Universele vereniging ter verbetering van het lot van de negers, de UNIA).
Wat was het doel van deze organisatie? Zoals de naam al te kennen geeft, had ze ten doel de situatie voor de zwarte bevolking te verbeteren. Een van haar campagnes werd de Back to Africa-beweging (Terug naar Afrika-beweging) genoemd en werd door de zwarte bevolking bezien als iets wat overeenkwam met de terugkeer van de joden naar Palestina.
Broeders gaven niet alleen blijk van belangstelling voor deze organisatie, maar gingen zo ver dat zij bepaalde bijbelteksten verkeerd toepasten om de doelstellingen ervan te ondersteunen. Het resultaat? Enkele broeders werden ervan afgebracht het goede nieuws van het Koninkrijk als de oplossing voor de problemen van de mensheid te prediken. Zelfs de pelgrimbroeder Victor Samuels werd beïnvloed. Hij werd tot predikant van de UNIA benoemd en predikte voortaan op hun bijeenkomsten in plaats van in de gemeente. Het lijdt geen twijfel dat dit een nadelige uitwerking op de broeders had.
Omstreeks het jaar 1924 reisde Victor Samuels naar Afrika om de Afrikaanse bevolking te helpen. In een brief die hij vanuit Lagos (Nigeria) naar een van de broeders in Costa Rica stuurde, vertelde hij dat hij 2500 exemplaren van De Harp Gods had verspreid. Als gevolg daarvan werd er in Nigeria heel wat bekendheid aan de Koninkrijksboodschap gegeven.
DE WEG TOT EENHEID
Nadat Victor Samuels Costa Rica had verlaten, werd in 1924 Henry Adamson, uit de oorspronkelijke gemeente in Guácimo, door het Genootschap als pelgrimbroeder aangesteld en met het toezicht over het werk belast. Enkele broeders in Puerto Limón waren niet ingenomen met de manier waarop broeder Adamson aangelegenheden behartigde en kwamen in opstand. Ongeveer twee jaar later zond het Genootschap vanuit Brooklyn een andere vertegenwoordiger, George Young. Zijn taak was de eenheid onder de broeders in Puerto Limón te herstellen en het predikingswerk weer op een juiste grondslag te vestigen. Eerst hield hij in het Arrasty Theater in Puerto Limón bij het licht van een lantaarn een bijbellezing met dia’s. Daarna bezocht hij de broeders in San José om het werk onder de Spaanssprekende bevolking in de hoofdstad op gang te helpen.
Broeder Youngs poging om de twee groepen in Puerto Limón te verenigen, bleek geen succes te hebben, dus keerde hij naar de Verenigde Staten terug. Broeder Adamson werd begin 1927 van Costa Rica overgeplaatst naar Panama. Na hun vertrek stelde het Genootschap de eerstvolgende tien jaar, tot 1937, geen andere pelgrimbroeder aan om het toezicht over het werk uit te oefenen. Maar de plaatselijke broeders lieten zich niet uit het veld slaan. Zij bleven prediken in de vier of vijf plaatsen waar groepen bijeenkwamen en stuurden hun velddienstberichten rechtstreeks naar het Genootschap in Brooklyn op.
In 1931 werden de gebeden om eenheid die door de getrouwen waren opgezonden, verhoord toen het Genootschap brieven aan alle gemeenten zond waarin degenen die in overeenstemming waren met het Genootschap, werden aangespoord een nieuwe naam aan te nemen — Jehovah’s Getuigen. De resolutie luidde de doodsklok over de opstandige, naamloze groep. Die hield op te bestaan, waardoor er een eind kwam aan de verdeeldheid in de gemeente van Puerto Limón. De theocratische aanstelling van dienaren in 1938 had een verdere verenigende uitwerking op de broeders.
HET WERK WORDT NIEUW LEVEN INGEBLAZEN
Voordat broeder Adamson naar Panama vertrok, organiseerde hij een groep in Río Hondo, een dorpje langs de Atlantische kust. Een van degenen die op 17 november 1926 werden gedoopt, was Albert Ezra Pile. Hij had voor het eerst over de waarheid gehoord op de dag dat hij in 1918 als 29-jarige vanuit Barbados aankwam, maar hij had er destijds geen flauw idee van dat hij in de komende jaren een belangrijke rol zou spelen in de geschiedenis van Jehovah’s Getuigen. Toen Ezra zich terugtrok voor de nacht, vroeg hij of zijn gastheer iets te lezen had en kreeg het eerste deel van de Schriftstudiën. Die nacht werd zijn liefde voor Jehovah door het vonkje van de bijbelse waarheid ontstoken. Hij werd al gauw pionier en is nu, op 99-jarige leeftijd, met de gemeente Siquirres verbonden. Maar hoe beïnvloedde hij het getuigeniswerk?
In 1927 verhuisde broeder Pile naar het stadje Siquirres, waar hij Frank Hudson ontmoette, de colporteur die in 1906 naar dit land was gekomen om er het werk op gang te brengen. Tegen deze tijd was broeder Hudsons ijver in de dienst echter bekoeld door ontmoediging. Dus besloten broeder Pile en broeder Hudson gezamenlijk aan de slag te gaan en het werk op een meer georganiseerde wijze nieuw leven in te blazen.
Toen in 1937 de oorlogswolken boven Europa hingen, vreesde broeder Pile dat vanwege de oorlogsdreiging de toevoer van lectuur vanuit het hoofdbureau naar Costa Rica zou worden afgesneden. Daarom schreef hij naar Brooklyn en bood aan om de voorraad lectuur van het Genootschap in zijn huis onder te brengen en er zorg voor te dragen. Het Genootschap stemde ermee in en de lectuur werd van Puerto Limón naar Siquirres overgebracht. Broeder Pile werd de depotdienaar en zou de lectuur verzenden naar alle delen van het land waar Getuigen woonden.
EEN NIEUW VELD WORDT GEOPEND
Tot nu toe hebben wij alleen besproken wat er plaatsvond onder de Engelssprekende bevolking langs de Atlantische kust. Maar er werden nog geen echte krachtsinspanningen gedaan om de Spaanssprekende mensen in dit deel van het land met de Koninkrijksboodschap te bereiken.
Het uitgestrekte Spaanssprekende veld in de Atlantische kuststreek werd geopend in Siquirres toen Florencio Pérez, een Nicaraguaan, op een ongebruikelijke manier van Frank Hudson de waarheid hoorde. Dat was in 1932. Florencio’s verlangen naar de waarheid werd gewekt door een standbeeld dat broeder Hudson toebehoorde. Broeder Hudson had een stevig model van het beeld uit Nebukadnezars droom gemaakt, met een hoofd van goud, een borst van zilver en benen van ijzer. Hij zette dit model gewoonlijk op de veranda van zijn huis, en als er een voorbijganger stilhield, legde hij de betekenis ervan uit. Soms zette hij op de marktplaats een schoolbord neer en gebruikte dit om bijbelse profetieën te verklaren aan de mensen die zich daar verzamelden.
Frank Hudson sprak een beetje Spaans en Florencio sprak heel weinig Engels. Ondanks deze taalbarrière raakte hij geïnteresseerd in broeder Hudsons uitleg van de bijbel, en hij leerde zichzelf zowaar lezen en schrijven.
Toen Florencio de brochure Huis en Geluk las, was hij ervan overtuigd dat dit de waarheid was en schreef hij naar het Genootschap in Brooklyn dat hij met Jehovah’s Getuigen wilde samenwerken. Het Genootschap stuurde een aanmoedigende brief terug en zond hem een Spaanse bijbel. Vanaf dat moment begon hij al zijn tijd aan de verbreiding van de Koninkrijksboodschap te besteden, waarbij hij bijbelse lectuur van broeder Hudson gebruikte. Ten slotte werd Florencio in 1938 tijdens een congres in Siquirres gedoopt.
DE EERSTE SPAANSSPREKENDE PIONIER
Een jaar voordat Florencio Pérez werd gedoopt (hoewel hij zich al had opgedragen), diende hij bij het Genootschap een aanvraag voor de pioniersdienst in. Hij werd op 1 juni 1937 aangesteld en werd aldus de eerste in Costa Rica aangestelde Spaanssprekende pionier. Zijn eerste toewijzing was te prediken onder de Spaanssprekende bevolking langs de Atlantische kust. Hij kreeg ook de toewijzing om met de kleine Spaanssprekende gemeente van San José samen te werken.
Broeder Pérez bediende zich van een ruime verscheidenheid van methoden om de Koninkrijksboodschap te verbreiden. Soms bond hij brochures aan boomtakken langs paden waar voorbijgangers ze konden vinden. Of hij ging naar het vliegveld in San José en verspreidde lectuur aan buitenlandse passagiers, die hij liet beloven de lectuur weer aan iemand anders door te geven. Hij trok te voet door het dichte oerwoud en sliep waar het duister hem maar overviel, soms onder de blote hemel, overgeleverd aan de genade van de muskieten. Vaak verbrak hij de stilte van de nacht door op zijn onafscheidelijke gitaar te tokkelen. Zijn zwerflust en evangelisatiegeest reisden met hem mee naar Nicaragua, waar hij nog vele jaren heeft gepionierd.
DE GEMEENTE IN SAN JOSÉ
Hoe was de Spaanssprekende gemeente in San José ontstaan? Sinds de dagen van de Eerste Wereldoorlog waren er Engelstalige vergaderingen gehouden in het huis van broeder Williams, die in 1912 de waarheid had leren kennen en later de presiderende opziener werd. Hij was voorheen lekeprediker geweest in een evangelische kerk, waar zijn vrouw het orgel bespeelde. Aangezien er destijds maar weinig Engelssprekenden in de hoofdstad woonden, was de groei traag.
Toen er echter Spaanse lectuur beschikbaar kwam, werd de prediking eenvoudiger. Tegen 1931 kwam een groep van tien of twaalf Spaanssprekende personen bijeen in particuliere huizen. Felipe Salmerón was een van hen. Hij gaf ook getuigenis in de havenstad Puntarenas aan de kust van de Grote Oceaan. Eindelijk, na meer dan dertig jaar, had de waarheid zich van kust tot kust uitgebreid.
Tegen het einde van 1941 werd broeder Pile vanuit Siquirres naar San José gestuurd om broeder Williams als opziener te vervangen. De gemeente vergaderde nu in het huis van Flavio Romero, en het Genootschap correspondeerde met hem via de pionier Florencio Pérez.
AFGESTUDEERDEN VAN GILEAD VORMEN EEN STIMULANS
In zijn verslag aan het Genootschap over de gemeente in San José, raadde broeder Pile aan om een broeder die krachtig aan de theocratische richtlijnen vasthield, naar Costa Rica te zenden ten einde toezicht uit te oefenen op het werk. De broeders hoefden niet lang te wachten, want op 23 december 1943 arriveerden Theodore Siebenlist en zijn vrouw, Hermena, van de eerste klas van Gilead. Costa Rica was een van de eerste vier landen in de wereld waaraan afgestudeerden van Gilead toegewezen werden.
Broeder Siebenlist was van jongs af aan vertrouwd met de organisatie. Zijn vader werd in 1913, twee dagen na de geboorte van Theodore, gedoopt. Het huis van zijn ouders werd gebruikt voor het houden van vergaderingen, en hij had samen met hen een aandeel aan de traktatenverspreiding. Hij werd in 1935 tijdens het congres in Washington D.C. gedoopt. Op het congres in 1937 leerde hij Hermena Deines kennen, en het jaar daarop trouwden zij.
De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog, die in Europa nog steeds woedde, werden in Costa Rica gevoeld. Toen de familie Siebenlist in San José aankwam, waren er dan ook overal tekenen van schaarste te zien. Het duurde een maand voordat zij geschikte woonruimte hadden gevonden in een appartement op de eerste verdieping, met een aangrenzende kamer die als Koninkrijkszaal dienst kon doen. Het was gunstig gelegen, een half blok van de hoofdstraat af, en werd derhalve een vertrouwd adres. De kamer bleef als Koninkrijkszaal in gebruik tot 1956, toen er een bijkantoor gebouwd werd met een aangrenzende Koninkrijkszaal.
EEN BIJKANTOOR OPGERICHT
Ongeveer drie maanden na de komst van de zendelingen kwamen Nathan H. Knorr, de derde president van het Wachttorengenootschap, en zijn assistent Milton Henschel op bezoek. Dit was de eerste keer dat een president van het Genootschap Costa Rica bezocht. Het lectuurdepot was in januari 1944 al van Siquirres naar San José verplaatst, en nu richtte broeder Knorr in maart een bijkantoor op. Dit was een keerpunt in de uitoefening van toezicht op het predikingswerk. Tijdens zijn bezoek trof broeder Knorr er regelingen voor dat er naar een groter zendelingenhuis gezocht zou worden, aangezien er meer hulp zou komen. Er werd een huis gevonden in het noordwestelijke deel van San José.
Gedurende de daaropvolgende twee jaar sloten Charles en Lora Lea Palmer, Woodrow („Woody”) Blackburn, Donald H. Burt, William Eugene Call en Franklin en Emily Hardin, allemaal afgestudeerden van de Gileadschool, zich bij de zendelingenfamilie aan. Wat een overvloed aan fijne hulp! Donald Burt bleef maar kort, aangezien hij een nieuwe toewijzing kreeg voor Honduras en later voor Peru, waar hij nu als coördinator van het bijkantoorcomité dient.
EENHEID IN SAN JOSÉ
Naast de vroegere verdeelde groep in Puerto Limón bestond er nog zo’n groep in San José. Wat gebeurde er met die groep in San José? Broeder Siebenlist spoorde tot eenheid aan. Zijn motto was: „Doe het goed, of helemaal niet.”
Uit het jaarverslag over 1944 dat broeder Siebenlist naar het Genootschap stuurde, sprak zijn enthousiasme over de vooruitgang. Hij schreef: „De Spaanse broeders in Costa Rica, nu ongeveer 75 in getal, waren verdeeld toen wij hier in december aankwamen, en tot vorige maand waren er nog twee Koninkrijkszalen in San José. Onmiddellijk na onze aankomst werden de twee groepen uitgenodigd zich weer te verenigen en geregeld in dezelfde zaal bijeen te komen. Op de eerste vergadering waren beide groepen aanwezig, in totaal ongeveer dertig personen. Momenteel functioneert de plaatselijke organisatie, bij de gratie van de Heer, heel soepel, en de groep is uitgegroeid tot zo’n zestig personen.”
In de daaropvolgende aprilmaand was er een nieuw hoogtepunt in verkondigers — 223! Wat een groei als men bedenkt dat er toen de familie Siebenlist nog geen twee jaar voordien arriveerde, in de vier Engelstalige en de twee Spaanstalige gemeenten bij elkaar zo’n 120 verkondigers waren!
DE BROEDERDIENAAR
Gedurende zijn eerste jaar in Costa Rica diende broeder Siebenlist als broederdienaar (kringopziener). Hij bezocht de zes gemeenten en de geïsoleerde belangstellenden, ook al waren de afstanden groot en was het reizen moeilijk. Toen er meer zendelingen kwamen, konden er meer bezoeken aan de gemeenten worden gebracht.
Eén zendeling, broeder Blackburn, berichtte na een reis van drie weken waarin hij als broederdienaar de zeven Engelstalige gemeenten bezocht: „Deze broeders leggen een bewonderenswaardige ijver en liefde voor de Theocratie aan de dag. De broeders zijn in financieel opzicht arm, maar zij zijn bijzonder gul als het erop aankomt de dienaren van het Genootschap in hun huizen te ontvangen en hun het beste te geven wat zij te bieden hebben. Zij zijn zachtmoedig en ontvangen graag instructies. Zij klagen niet dat zij kilometers in de hitte en de modder moeten lopen om nabezoeken te brengen en bijbelstudies te leiden.”
Broeder Blackburn is thans — bijna veertig jaar nadat hij dat verslag inzond — nog steeds in de volle-tijddienst. Hij heeft met zijn gezin in Nicaragua, Honduras en Mexico gediend.
De bezoeken van de broederdienaren werden niet alleen door de gemeenten op prijs gesteld, maar ook door de plaatselijke bevolking. Franklin Hardin (beter bekend als „Doc” omdat hij chiropractor was) en zijn vrouw, Emily, bezochten in 1946 Puerto Limón. De plaatselijke krant gaf het volgende commentaar: „De gedistingeerde bezoeker was vergezeld van zijn zeer sympathieke vrouw. Wij hebben het tweetal nooit eerder ontmoet, maar de korte ogenblikken in hun aanwezigheid maken dadelijk een aangename en gedenkwaardige indruk, en wat zij te vertellen hebben, verrijkt en verrukt ons alsof wij hen al jarenlang kennen. Wij volgden nauwgezet de vele schriftplaatsen die hij ter ondersteuning van zijn boodschap aanhaalde.”
DE EERSTE INHEEMSE KRINGOPZIENER
Het verslag over de kringdienst in die vroege dagen zou niet compleet zijn zonder Arnold Williams uit Puerto Limón te noemen. Hij beheerde een voedselmagazijn voor de United Fruit Company, maar zodra hij er kans toe zag, trof hij regelingen om in de gewone pioniersdienst te gaan. Hierin gaf hij een uitstekend voorbeeld voor de jongeren om de Koninkrijksbelangen op de eerste plaats te stellen. Wegens zijn ijver en vastberadenheid werd hij in San José opgeleid tot kringopziener, en in 1948 begon hij met de kringdienst. Hij trouwde met Mildred Gumbs (nu Ortega), en zij bleven samen in deze dienst tot 1959. Aangezien hij zowel Engels als Spaans had geleerd, fungeerde hij als tolk voor broeder Knorr tijdens dat eerste bezoek. Het was voor allen een droevig verlies toen hij, vele „aanbevelingsbrieven” achterlatend, op jonge leeftijd stierf. — 2 Kor. 3:1.
HET WERK VAN PIONIERS DRAAGT BIJ TOT VERBREIDING VAN DE BOODSCHAP
Behalve de waardevolle hulp van de zendelingen en de kringopzieners, droegen ook pioniers er in belangrijke mate toe bij dat de boodschap tot nieuwe gebieden doordrong. In het begin van 1944 waren er twee pioniers, maar tegen augustus was de groep uitgegroeid tot negen.
Er kwamen dertien verkondigers bijeen in Grecia, waaraan de zusters Evelyn Ferguson (nu Taylor) en Mildred Gumbs als de eerste speciale pioniers in het land werden toegewezen. Het jaar daarop, in 1945, schaarde ook Eugenia Dillon zich in de gelederen van de speciale pioniers.
Berta Solera, een bejaarde weduwe die in San José pionierde, koesterde het verlangen om naar haar geboorteprovincie, Guanacaste, terug te keren, maar zij had pas geld voor de reis toen zij haar enige middel voor levensonderhoud, haar kleine naaimachine, had verkocht. Zij en Anita Taylor reisden in 1947 de provincie af om er het goede nieuws te prediken en vonden zowel in Liberia als in Filadelfia personen wier belangstelling voor geestelijke zaken hen ertoe bewoog hun huis open te stellen voor pioniers. Tegen 1949 werd Berta, in gezelschap van haar dochter, als speciale pionierster toegewezen aan Liberia, waar twee van de Swaby-meisjes zich bij haar voegden. Wie zijn de Swaby-meisjes?
PIONIERENDE ZUSJES
Claudia Goodin, een lange, blanke vrouw van Jamaicaanse afkomst, had twee dochters, Joy en Fe. Destijds woonde Claudia met haar vleselijke zuster Arelminta Swaby in Puerto Limón. Arelminta had vier dochters — Dorell, Calvie, Lila en Casel. Dorell was de eerste van de Swaby-meisjes die de stoute schoenen aantrok en elders ging pionieren. Zij en Corina Osorio (nu Novoa) werden toegewezen aan Point Quepos, dat aan de westkust ligt. Ook Dorells drie zusjes gingen later in de pioniersdienst.
De twee dochters van Claudia Goodin, Fe en Joy, begonnen in 1948 met de speciale pioniersdienst in Alajuela, waar eveneens een gemeente was opgericht. Dora Argentina Vargas (nu Call) werd ook aan het leger van pioniers toegevoegd. In 1950 bezochten Dorell Swaby en Fe en Joy Goodin de Gileadschool en kregen een toewijzing voor Panama. Lila Swaby en Evelyn Ferguson gingen in de lente van 1953 naar Gilead en Argentina bezocht de daaropvolgende klas. Van de jaren veertig af zijn deze ijverige zusters ermee bezig gebleven vele zaden van Koninkrijkswaarheid te planten.
HET PAARD EN DE KAPPER
Omstreeks 1944, toen in San José het bijkantoor werd opgericht, ontving een rooms-katholiek in San Carlos over de post de brochure Armageddon en gaf deze door aan Naftalí Salazar, een protestant. Naftalí was zo verbaasd over datgene wat hij in de brochure las, dat hij deze aan de predikant van zijn kerk liet zien. De predikant werd woedend en waarschuwde hem voor dit „Russellistische vergif”.
Naftalí wilde echter graag iemand ontmoeten van de Wachttoren-organisatie, de uitgever van de brochure. Hij had gehoord dat een Italiaanse kapper ook de lectuur ontving. De kapper woonde in Grecia, zo’n honderd kilometer bij hem vandaan. Naftalí besloot de kapper op te zoeken. Hij bedacht een manier om naar Grecia te kunnen reizen. Hij zou zich voor een driedaagse tocht als veedrijver aanmelden en dan op de terugweg Grecia aandoen.
Bij aankomst in Grecia bracht één hint Naftalí naar het huis van een bejaard echtpaar dat geen Spaans sprak. Hij haalde zijn geliefkoosde brochure voor de dag en liet hun die zien. Zij konden alleen maar „bijbel, bijbel” zeggen en hem vlug de weg wijzen naar een heuvel. Teleurgesteld besteeg hij zijn paard en begaf zich in die richting. Op de top van de heuvel verliet Naftalí de hoofdweg, sloeg een smal paadje in en stopte bij een hek. Naftalí maakte het hek open en het paard draaide zich om zodat hij het hek gemakkelijker kon sluiten. Zij bevonden zich op iemands erf. Naftalí en zijn rijdier staken het veld over naar een volgend hek. Voor het hek stond een huisje, en buiten zaten een man, zijn vrouw en twee kleine kinderen.
„Wat is er van uw dienst?” vroeg de man.
„Sorry, maar mijn paard heeft me hierheen gebracht. Ik ben op zoek naar een Italiaanse kapper.”
„Dat ben ik, en wie bent u?”
„Ik ben Naftalí Salazar uit San Carlos.”
Klaarblijkelijk had de kapper al van hem gehoord, want hij hief zijn handen in de lucht en zei: „Jehovah zij geprezen. Hij heeft u hierheen gestuurd.” Wat was dit een gelukkige dag voor Naftalí!
HUWELIJKEN EN LOTERIJEN
Terwijl het Koninkrijkswerk zich uitbreidde, moest ook de morele reinheid bewaard blijven. Tijdens zijn tweede bezoek in 1946 was broeder Knorr vergezeld van broeder F. W. Franz, die een grote hulp bleek te zijn. De kwestie van het wettelijk laten registreren van huwelijken werd onder de aandacht van de plaatselijke broeders gebracht. Leonard Hurst, die destijds niet wettig getrouwd was met de vrouw met wie hij samenleefde, weet nog wat broeder Knorr zei. „Alle aanwezigen hier vanavond die met een vrouw samenleven maar hun huwelijk niet wettelijk hebben laten registreren, geef ik de volgende raad: Ga naar de Katholieke Kerk en laat je daar als lid inschrijven, want daar kun je deze dingen beoefenen. Maar dit is Gods organisatie, en hier kun je deze dingen niet beoefenen.”
Leonard had het gevoel dat broeder Knorr rechtstreeks tot hem sprak, dus in minder dan een maand had hij zich van zijn vroegere vrouw laten scheiden en trad hij in het huwelijk met de vrouw met wie hij tot op die tijd had samengeleefd.
Nog een zaak die rechtgezet moest worden, was het kopen van loterijbriefjes. Evelyn Ferguson koos altijd een bepaald geluksnummer uit en bad zelfs of haar nummer mocht winnen. Waarom? Opdat zij kon pionieren. Toen zij besefte dat dit onschriftuurlijk was, nam zij het vaste besluit voortaan geen loterijbriefjes meer te kopen.
De man van wie Evelyn de loterijbriefjes kocht, bezocht haar zoals gewoonlijk en drong erop aan dat zij opnieuw haar geluksnummer zou proberen. Evelyn hield echter vast aan haar besluit en was helemaal niet teleurgesteld toen haar nummer juist die dag won. Spoedig na dat voorval werd zij pionierster — zonder de hulp van „de god van het Geluk”. — Jes. 65:11.
„VAN STOF TOT STOF”
De Getuigen namen ook niet langer twijfelachtige traditionele religieuze gebruiken in acht. Toen er bijvoorbeeld een Getuige begraven werd, sprak de broeder die de begrafenisdienst leidde, tot slot een kort gebed uit bij het graf. Omdat hij zich niet aan de religieuze traditie hield door de geijkte formule „van as tot as en van stof tot stof” uit te spreken en de gebruikelijke handvol aarde op de kist te werpen, waren de aanwezige godsdienstijveraars hevig vertoornd en deden het zelf.
Enige tijd later stierf een bejaarde zuster. De broeder die de begrafenistoespraak hield, opende bij haar graf, net voordat men de doodkist zou laten zakken, zijn bijbel en las de woorden voor: „Want stof zijt gij en tot stof zult gij terugkeren” (Gen. 3:19). Zich vervolgens tot de menigte wendend waaronder diezelfde religieuze fanatici zich bevonden, zei de broeder er in één adem achteraan: „Er wordt hier niets over as gezegd. Laat de kist zakken, broeders.” Met stomheid geslagen, wierpen de tegenstanders niet hun traditionele handvol aarde op de kist.
Wat waren de resultaten van de bezoeken van de kringopzieners, de toevloed van de zendelingen en het feit dat men zich krachtig aan schriftuurlijke wetten hield? Eenheid en groei. Nog voordat de jaren vijftig begonnen, werd de mijlpaal van 1000 verkondigers gepasseerd, werden er elke maand meer dan 850 bijbelstudies gerapporteerd en werden er 32 gemeenten opgericht.
EEN CONGRES OP HET PLATTELAND
Tot 1950 waren de meeste congressen in Puerto Limón en San José gehouden. Maar nu was er voldoende belangstelling gewekt om een congres te houden in een plaatsje met de naam Argentina de Tilarán.
Het was voor broeder en zuster Siebenlist niet gemakkelijk om Argentina de Tilarán te bereiken. Zij reisden eerst per vliegtuig en stapten vervolgens in een oude bus, die hen over een hobbelige weg voerde. Bij een T-kruising waar de weg ophield, stonden de broeders hen met paarden op te wachten. De rest van de tocht werd te paard afgelegd. Rondom het congresterrein lagen slechts enkele verspreide boerderijen. De broeders en zusters waren niettemin heel enthousiast — dit was hun eerste congres. Enkelen van hen hadden wel negen uur te voet over bergpaadjes gereisd. Toen er zondag geteld werd, bleken er bijna 300 aanwezigen te zijn. Sommigen bleven tijdens het programma staan en anderen zaten op geïmproviseerde banken, gemaakt van houten planken die boven op zakken rijst waren gelegd.
Tijdens het congres leidde een pas aangestelde schoolopziener de theocratische bedieningsschool. Voordat hij begon, gaf de kringopziener hem uitvoerige instructies over de wijze waarop hij de leerlingsprekers raad moest geven. Er werd hem bijvoorbeeld verteld dat hij elke leerling op twee goede punten en twee zwakke punten moest wijzen. De kringopziener was er zeker van dat de broeder het had begrepen en dat de school vlekkeloos zou verlopen. Tot teleurstelling van de kringopziener stond de schoolopziener, nadat de eerste leerling zijn toespraakje beëindigd had, op en zei wat nerveus maar oprecht: „Broeder, je had twee goede punten en twee slechte punten. Probeer het de volgende keer beter te doen.” En zonder verder ook maar enige raad te geven, leidde hij toen de volgende leerling in.
VAN VISSERS TOT VISSERS VAN MENSEN
In 1940 reisde Josephine Steele naar Moín, even ten noorden van Puerto Limón. Om met haar getuigenisgeven te kunnen beginnen, installeerde zij haar grammofoon op het treinstation in Moín. Zij wond met een aantal krachtige slagen van de slinger de motor van haar grammofoon op, plaatste heel voorzichtig de naald in de eerste groef van een plaat waarop een lezing van Judge (rechter) Rutherford stond en haalde de starthendel over. „Religie is een valstrik en afpersing”, galmde de stem vanuit de grammofoon. Er verzamelde zich een grote groep mannen. Een van hen, Vincente Sanguinetty, liet zijn vriend, de visser Silbert Spence, halen. Silbert kwam met opgerolde broekspijpen op het groepje luisteraars toelopen, zette zijn handen in zijn zij, keek zijn vriend Vincente aan en vroeg: „Wie spreekt daar?”
„Dat is de Judge, sufferd!” antwoordde Vincente, doelend op Joseph F. Rutherford, de tweede president van het Wachttorengenootschap.
Aangezien Vincente al enkele boeken van broeder Rutherford had gelezen, hielden de twee mannen Josephine de hele dag bezig met hun vragen over de bijbel. Vincente vertelde zuster Steele dat hij op een dag toen hij zich op zee midden in een verschrikkelijke storm bevond, tot de Heer had gebeden om hulp en had beloofd hem te zullen dienen als hij er levend doorheen kwam. Hij wilde zijn belofte aan God nog steeds nakomen, maar twee dingen speelden hem parten — vrouwen en drugs. Er werd met deze twee mannen een bijbelstudie begonnen, en niet lang daarna, op 21 september 1940, werden beiden gedoopt, evenals Silberts vrouw, Valmina.
„Mijn vreugde nam toe toen ik ging beseffen dat Jezus’ woorden tot Petrus en Andréas op mij van toepassing waren”, zei Silbert. „Ik was nu een visser van mensen geworden.” Joshua Steelman, die als een speciale vertegenwoordiger van het Genootschap een bezoek bracht, vroeg aan Silbert: „Wanneer ben je eigenlijk van plan te gaan pionieren, als Armageddon vlak voor de deur staat?” Silbert was zich bewust van de dringendheid van de tijd. Hij en Valmina begonnen in november 1948 te pionieren.
Hoewel Silbert er grote moeite mee had om Spaans te spreken, werd hij toch als kringopziener voor het Spaanse veld aangesteld. Aanvankelijk hield hij al zijn lezingen in het Engels en was er iemand die vertaalde. Op een dag werd Silbert door een Spaanssprekende broeder gerustgesteld met de woorden: „Broeder Silbert, maak je niet druk om je Spaans. Wij beseffen dat het moeilijk voor je is, maar terzelfder tijd maak je het voor ons een stuk gemakkelijker de waarheid van jou te leren.” Liefde kent dus geen taalbarrières.
Silberts vrouw heeft tot haar dood in 1974 getrouw met hem samengewerkt in de kringdienst. Hijzelf heeft tot aan zijn dood in mei 1985 getrouw dienst verricht als lid van het bijkantoorcomité.
DE EERSTE CONGRESHAL
De toename in het aantal Getuigen liet de religieuze leiders in het hele land niet onberoerd. Zij oefenden druk uit op sociale organisaties, zodat het in Puerto Limón steeds moeilijker werd om zalen te huren voor het houden van kringvergaderingen. Dus besloten de plaatselijke Getuigen een Koninkrijkszaal te bouwen die tevens als congreshal dienst kon doen. Op een stuk grond slechts drie blokken van de markt in het centrum van de stad vandaan, werd in skeletbouw een twee verdiepingen tellend pand opgetrokken. Boven bevond zich de Koninkrijkszaal en beneden waren de woonvertrekken voor de kringopziener, alsook een keuken en cafetariaruimte voor de grotere vergaderingen. Op donderdag 19 augustus 1954 werd de zaal ingewijd. In 1972 werd dit pand verbouwd en momenteel maken drie gemeenten er gebruik van en worden er de kleinere Engelse congressen gehouden.
EEN KONINKRIJKSZAAL AFGEBRAND
De broeders die aan de andere kust woonden, bij de Grote Oceaan, hadden niet zo veel plezier van hun Koninkrijkszaal. In de kleine dorpsgemeenschap Manzanillo de Ario vergaderde een gemeente van zo’n 45 verkondigers. De tegenstand tegen hen nam toe totdat de bedreigingen met geweld ten slotte op laakbare wijze in daden werden omgezet.
Op een avond, rond middernacht, ging de plaatselijke Koninkrijkszaal plotseling in vlammen op. Het vuur greep zo snel om zich heen dat er niets meer te redden viel — een groot verlies op materieel en geestelijk gebied voor mensen die toch al arm waren. Werd het Koninkrijkswerk door deze lafhartige daad van brandstichting lamgelegd? Nee! Inactieve verkondigers werden opeens geestelijk levend; nieuwelingen gingen zich met de Getuigen verbinden. Zij hielden hun vergaderingen voortaan in het huis van een broeder en gingen verder met het treffen van regelingen voor de Gedachtenisviering.
Werd het bezoekersaantal op de Gedachtenisviering door dit gewelddadige optreden beïnvloed? Ja, maar in gunstige zin. Er was een toename van bijna 300 procent in vergelijking met voorgaande jaren. Waar geloof kan niet aan het wankelen worden gebracht door tegenstanders, een feit dat op wonderbaarlijke wijze gedemonstreerd werd door Christus Jezus en de apostelen, wier voorbeeld in deze eeuw wordt nagevolgd door duizenden Getuigen die de kwaliteit van hun geloof onder beproevingen bewijzen. — 1 Petr. 1:6, 7.
ACTIES VAN HET GEPEUPEL EEN HALT TOEGEROEPEN
In veel gevallen waren het de geestelijken die tot tegenstand aanzetten. De priesters installeerden bijvoorbeeld luidsprekers in de klokketoren van hun kerk om hun kudde te kunnen waarschuwen zodra er maar Getuigen in de buurt waren. Zij lieten bordjes drukken waarop stond: „Wij zijn katholiek. Wij dulden geen protestantse propaganda.” Vervolgens verkochten de geestelijken de bordjes aan hun parochianen, die ze dan thuis voor het raam zetten. Natuurlijk negeerden de Getuigen die bordjes.
Eugenia Dillon kwam erachter dat niet alle mensen zich door de geestelijken lieten domineren. Toen zij op een dag in de velddienst was, kwam het gepeupel opzetten, dat haar volgde en schreeuwde: „De madonna van de engelen zwaait hier de scepter. Lang leve de paus! Wij zijn katholiek en dulden geen protestantse propaganda.” Zij bad vlug tot Jehovah om hulp. Bij de volgende deur waar zij aanbelde, deed een man open die, bij het zien van het gepeupel, vroeg: „Zitten deze mensen achter u aan? Kom binnen, dan zal ik u tegen dit stelletje woestelingen beschermen.”
Toen zuster Dillon eenmaal binnen was, overtuigd dat haar gebed was verhoord, stormde de man een andere kamer in, greep zijn revolver, laadde die en rende het huis uit naar het hek. Daar schreeuwde hij, zwaaiend met zijn revolver, tegen het gepeupel: „Dit meisje is niet van mijn geloof, maar ik verdedig haar en beveel jullie je biezen te pakken als jullie leven je lief is.”
Onmiddellijk ging het gepeupel uiteen. De man keerde glimlachend naar het huis terug en zei dat hij niet echt van plan was geweest om hen te doden, maar dat de loop van een vuurwapen de enige taal was die deze bende demonische woestelingen zou begrijpen.
Bij een andere gelegenheid nam broeder Pile, die zijn grammofoon bij zich droeg, een grote groep verkondigers mee om Juan Viñas, ten westen van Siquirres, te bewerken. De plaatselijke priester begon de kerkklokken te luiden om zijn mensen in de kerk bijeen te roepen. Hij gaf enkelen van zijn aanhangers de opdracht van deur tot deur te gaan om anderen te zeggen dat zij niet moesten luisteren als de Getuigen aanbelden.
De priester moet zich hebben verkneukeld, denkend dat hij succes had, totdat de jefe político, een soort burgemeester-sheriff, de broeders en de andere politieagenten in zijn kantoor ontbood. Vervolgens vroeg de jefe político aan broeder Pile om de boodschap die op de grammofoonplaten stond, te laten horen. Nadat de agenten naar de Koninkrijksplaten hadden geluisterd, namen zij de lectuur. De sheriff zag geen kwaad in het getuigeniswerk en zei de broeders dat zij door konden gaan met prediken.
Toen John Craddock in San Ramón een openbare lezing hield bij de muziektent in het park, resulteerde dit in een overwinning. Er waren wat plaatselijke bewoners aanwezig plus de pioniers van San Ramón en ongeveer zes broeders die met broeder Craddock waren meegekomen uit San José. (John en zijn vrouw, Emma Marie, afgestudeerden van de tiende klas van Gilead, hadden zich in 1949 bij de zendelingenfamilie gevoegd. Nu, slechts anderhalf jaar later, zouden zij persoonlijk de tegenstand ervaren.) Een priester klom met een groep kinderen achter broeder Craddock het podium van de muziektent op en begon hem te hekelen. Op hetzelfde moment kwam, wat duidelijk afgesproken werk was, een groep volwassenen vanaf het andere einde van het stadsplein aanstormen en schreeuwde: „Dood hem, dood hem!”
Klaarblijkelijk wilde het gepeupel broeder Craddock alleen maar intimideren, want zij liepen vlak langs hem heen zonder hem aan te raken. Niet in staat zijn toespraak af te maken, ging John, vergezeld van Marie en de anderen uit San José, naar de bushalte, waar de burgemeester van de stad op hen toetrad en zei dat het hem erg speet dat de toespraak verstoord was. De burgemeester vroeg John dringend nog eens terug te komen om een andere toespraak te houden en beloofde dat er dan voor politiebescherming zou worden gezorgd.
Zo gebeurde het dat een groep verkondigers drie weken later weer naar San Ramón kwam en de lezing zelfs overal in de stad met strooibiljetten aankondigde. Toen de tijd voor de lezing aanbrak, was het plein omringd door politieagenten. Ditmaal waren er geen ongeregeldheden.
BURGEROORLOG
De verkiezingen van 1948 liepen uit op een revolutie. Dit bemoeilijkte het zich vrij bewegen in de velddienst. Toen Eugenia Dillon met haar velddienstpartner in landgebied werkte, werd zij door soldaten aangehouden. „Stop, wie zijn jullie?” schreeuwden de soldaten, terwijl zij de zusters onder schot hielden. „Tot welke politieke partij behoren jullie?”
„Wij zijn Jehovah’s Getuigen”, antwoordden de zusters. „Wij verkondigen Gods koninkrijk in handen van Christus Jezus, de enige regering die de mensheid werkelijke vrede kan brengen.”
Terwijl de soldaten hun tassen doorzochten, gaven de pioniersters getuigenis aan hen. De zusters werden vrijgelaten en zetten hun prediking tot de daar wonende mensen, die vanwege de oorlog in angst verkeerden, voort.
Tijdens de burgeroorlog lieten velen van de valse herders, de geestelijken, hun kudde in de steek en vluchtten voor hun leven. Dit stelde de Getuigen in de gelegenheid om tot de met schapen te vergelijken personen die achterbleven, te prediken. Nu kon de bevolking zien dat hun geestelijke herders hen niet gevoed doch alleen maar gestroopt hadden. Toen de valse herders terugkeerden, bemerkten zij tot hun ontzetting dat velen van hun kudde met de Getuigen studeerden.
VERVOER PER MUILEZELWAGEN
Vervoer houdt nauw verband met het predikingswerk, en in Costa Rica wordt een verscheidenheid van vervoermiddelen gebruikt. Er wordt gebruik gemaakt van treinen. Maar niet alle treinen worden door een mechanische motor aangedreven. De muilezelwagen is een uniek voertuig dat over een smalspoor rolt en door een muilezel wordt getrokken. Een tocht met deze wagen kan een grotere sensatie zijn dan de achtbaan.
De wagen bestaat uit een platform op wielen. Het platform heeft banken die plaats bieden aan twintig personen. Terwijl de muilezelwagen zich langs het spoor voortspoedt, wordt de enige rem gevormd door een houten paal die door een gat in de vloer omhoogsteekt. De paal draait als een hefboom om een spil en drukt tegen het wiel. Hellingen naar beneden beduiden dus gevaar voor de muilezel als de bestuurder niet voorkomt dat het rollende platform tegen het dier aanbotst. Ook worden de passagiers besproeid met modder die van de hoeven van de muilezel opspat, maar dat is nog niet het ergste probleem. Ontsporingen kunnen de passagiers de lucht in slingeren en hun bij de landing een paar gebroken armen en benen bezorgen.
De rivieren worden bevaren in kleine bootjes met een buitenboordmotor of in boomstamkano’s met houten peddels. Om op een predikingstocht bijvoorbeeld Guanacaste te bereiken, nam zuster Solera een trein tot Puntarenas, stak vervolgens per boot de Golf van Nicoya over en reisde daarna vijftien uur lang met een door ossen getrokken kar. Geen geringe onderneming voor een vrouw van in de zestig!
VERANDERINGEN OP HET BIJKANTOOR
Theodore Siebenlist diende als bijkantooropziener vanaf de oprichting van het bijkantoor in maart 1944 tot juni 1952, toen hij en zijn vrouw vertrokken om alles in gereedheid te brengen voor de geboorte van hun dochter Janet.
William Call, een afgestudeerde van de derde klas van Gilead die in 1946 van Costa Rica naar Nicaragua was gezonden om zorg te dragen voor het bijkantoor aldaar, keerde als bijkantooropziener naar Costa Rica terug. Hij bleef in die functie tot 1954, toen hij trouwde met Dora Argentina Vargas, een afgestudeerde van Gilead die oorspronkelijk uit Guatemala kwam. Hun zoon Robert dient nu op Brooklyn-Bethel. Vervolgens werd William Aubrey Bivens uit Guatemala aangesteld als bijkantooropziener. Hij en zijn vrouw, Bertha, waren al in dat land sinds hun graduatie van de vijfde klas van Gilead. Later kregen zij een nieuwe toewijzing voor Brazilië, waar hij als bijkantooropziener heeft gediend tot aan zijn dood in 1969.
Omdat broeder Bivens overgeplaatst werd naar Brazilië, nam Charles Sheldon de taak van bijkantooropziener waar totdat in maart 1964 George Jenkins en zijn vrouw arriveerden. Wegens gezondheidsredenen moesten broeder en zuster Jenkins in 1966 Costa Rica verlaten. De volgende bijkantooropziener, Lorence A. Shepp, bevond zich nog in Nicaragua. Hoe kwam hij in Costa Rica terecht?
Lorence was sedert 1958 in de volle-tijddienst en had als kringopziener in Canada en Alaska gediend. Toen er kringopzieners op het hoofdbureau in Brooklyn werden uitgenodigd voor een speciale Koninkrijksbedieningsschool, vroeg broeder Knorr of enkelen bereid waren een toewijzing als zendeling in het buitenland te aanvaarden zonder de Gileadschool te bezoeken. Broeder Shepp nam de uitnodiging aan. Hij werd in 1961 naar Nicaragua gezonden, waar hij trouwde met Juana Olimpia Guinart, een Cubaanse en afgestudeerde van de 22ste klas van Gilead. Dit was haar derde toewijzing, aangezien zij als zendelinge al in Honduras en Mexico gediend had.
Nadat broeder Shepp later een tien maanden durende Gileadcursus had gevolgd, pakten hij en Olimpia hun koffers voor hun nieuwe toewijzing, El Salvador. Maar eerst besloten zij een vakantie door te brengen in Costa Rica en onmiddellijk verloren zij hun hart aan dat land. Zij hadden er geen flauw idee van dat er al een brief onderweg was waarin stond dat hun toewijzing was veranderd in Costa Rica.
De familie Shepp kwam in september 1966 aan, en op het internationale congres in december van dat jaar maakte broeder Knorr bekend dat broeder Shepp was aangesteld als bijkantooropziener. Momenteel is hij de coördinator van het bijkantoorcomité.
EEN STIMULANS OM UIT TE BREIDEN
In december 1954 bracht broeder Knorr opnieuw een bezoek aan Costa Rica en kondigde de bouw van een nieuw bijkantoor annex Koninkrijkszaal aan. De broeders en zusters waren laaiend enthousiast. Er werden regelingen getroffen om een stuk grond te kopen in het centrum van San José. Toen deden begin januari, net op het moment dat de broeders met de bouw zouden beginnen, gewapende troepen vanuit het noorden een inval. Hoewel steden en dorpen vanuit vliegtuigen met machinegeweren werden beschoten, bleven de broeders en zusters van deur tot deur getuigenis geven ten einde de mensen met de boodschap van Gods koninkrijk te troosten. De velddienstberichten over januari toonden aan dat het hoogtepunt van het jaar daarvoor was overschreden. Maar het hoogtepunt van april bleek nog hoger te liggen! Met 2078 verkondigers was er een toename van 30 procent.
Hoe stond het met de nieuwe bijkantoorfaciliteiten? Werden de werkzaamheden eraan uitgesteld? Het bijkantoor werd op 25 januari 1956 voltooid, precies twee dagen voor het onverwachte bezoek van broeder Knorr en zijn vrouw, Audrey. Het werd op 27 januari 1956 ingewijd.
PROBLEMEN ROND DE VLAGGEGROETKWESTIE
In september 1959 trad op de scholen van Puerto Limón de vlaggegroetkwestie op de voorgrond. Dertien leerlingen, allemaal getuigen van Jehovah, weigerden aan deze ceremonie deel te nemen omdat zij daardoor hun christelijke geweten geweld zouden aandoen. Hoewel zij op geen enkele wijze oneerbiedig hadden gehandeld en hun gedrag onberispelijk was geweest, werden de Getuige-kinderen van rebellie en weerspannigheid beschuldigd en van school gestuurd.
De plaatselijke rechtbank gaf de kinderen geen toestemming om de school weer te bezoeken zolang zij weigerden de vlag te groeten. Er werd hoger beroep aangetekend bij het hooggerechtshof van Costa Rica. Toen de zaak voorkwam, werd het gerechtshof erop gewezen dat de grondwet van Costa Rica vrijheid van aanbidding en het recht om onderwijs te genieten op de scholen van de staat waarborgt. Het hooggerechtshof handhaafde echter de beslissing van de lagere rechtbank door te zeggen dat de wet inzake vrijheid van aanbidding niet was geschonden.
Aan het begin van het nieuwe schooljaar werden de meesten van de leerlingen weer op school toegelaten, maar zij werden opnieuw van school gestuurd toen zij niet aan andere vlaggegroetceremoniën deelnamen. Vervolgens werd er een verzoek ingediend bij de Superior Council of Education (de hoogste onderwijsraad), maar dit verzoek werd op 5 juli 1960 afgewezen.
De vlaggegroetkwestie vormde de aanleiding tot heel wat publiciteit zowel door de pers als via de radio. De kwestie is tot op heden nog aan de orde op de scholen, maar veel van de onderwijzers erkennen het uitmuntende gedrag van de jonge Getuigen en kijken liever de andere kant uit dan dat zij een strijdpunt maken van het vastberaden, gewetensvolle standpunt van de kinderen. Zij beseffen dat het van school sturen van deze leerlingen in veel gevallen zou betekenen de room van de klas te verliezen.
Op één plattelandsschool waren slechts zes van de vijftig ingeschreven leerlingen geen Jehovah’s Getuigen. Dus als deze Getuigen van school zouden worden gestuurd, zou de school gesloten moeten worden en zou de onderwijzer zonder werk zitten.
Veel onderwijzers waren van mening dat degenen die van school gestuurd werden, niet in staat zouden zijn zonder een officiële opleiding een succes van hun leven te maken. Milton Hylton, een kleinzoon van Francela Williams, stelde hen in het ongelijk. Hoewel hij van school werd gestuurd, „liep dit op een zegen uit”, merkt hij op. „Eerst had ik de gelegenheid om mijn rechtschapenheid jegens Jehovah te bewijzen en vervolgens om de voordelen van ruim dertien jaar volle-tijddienst te smaken.” Toen broeder Hylton genoodzaakt werd hele dagen te gaan werken, vond hij een baan als kantoorbediende en later kreeg hij een positie als particulier accountant bij hetzelfde bedrijf, zonder zijn theocratische activiteiten te verwaarlozen.
DE VULKANEN IRAZÚ EN ARENAL ONTWAKEN
Op 13 maart 1963 ontwaakte de Irazú, een van de vele vulkanen in Costa Rica, uit een twintigjarige siësta tot een tweejarige periode van activiteit. De vulkaan, die ongeveer 32 kilometer van de hoofdstad vandaan ligt, braakte vulkanische as uit die door de heersende winden vanaf de krater werd meegevoerd en neersloeg op San José, waar ongeveer een kwart van alle Costaricanen woont. De stad Cartago, genesteld aan de voet van de vulkaan, ondervond betrekkelijk weinig last van deze neerslag, aangezien de winden de as hoog over de stad heen voerden. Maar Cartago zou spoedig door een ander soort van catastrofe getroffen worden.
In de nacht van 9 december 1963 doordrenkten zware regens de dikke lagen as op de hellingen van de vulkaan. Overbelast gleed de doorweekte as langs de berg naar beneden en kwam in de reeds door as gestremde rivieren terecht, waardoor deze buiten hun oevers traden. Eén gezwollen rivier veegde door de stad Cartago heen en sleurde huizen te zamen met hun slapende bewoners mee, alsook vee en in het wild levende dieren. Mensen verloren bij deze overstroming het leven, ondanks het feit dat politiewagens met luidsprekers vóór die tijd door de straten hadden gepatrouilleerd om voor de naderende ramp te waarschuwen. Òf de slachtoffers namen de waarschuwing niet serieus òf zij waren niet bereid hun materiële bezittingen achter te laten. Zij hebben hun verzuim om te luisteren met de dood moeten bekopen.
Jarenlang hadden de inwoners van Cartago een soortgelijke houding aangenomen ten opzichte van de waarschuwing omtrent de naderende oorlog van Armageddon. Ongetwijfeld voelden zij zich veilig voor rampspoed omdat zich in hun stad de beroemde basiliek bevindt waar het beeld van de „beschermheilige” van Costa Rica is ondergebracht. Maar na de ramp en na meer dan dertig jaar prediken in deze stad, werd er tegen het einde van 1964 eindelijk een gemeente opgericht.
Nadat de Mount Irazú het uitbraken van dood en verderf moe was geworden, begon een andere vulkaan, de Arenal, na ongeveer 600 jaar gesluimerd te hebben, plotseling actief te worden. Toen de Arenal, gelegen in het noordelijke deel van Costa Rica, met zijn uitbarstingen begon, bevonden er zich vijf gemeenten in het getroffen gebied. Veel van de broeders die in dat gebied woonden, hadden geen andere keus dan te vluchten. Geen van hen verloor het leven, maar wel raakten zij hun materiële bezittingen kwijt. Snel kwamen de broeders in alle delen van Costa Rica te hulp door voedsel, kleding en geld te schenken.
ACHTERUITGANG GEDURENDE DE JAREN ZESTIG
De jaren 1964 en 1965 brachten geen toename. Volgens het jaarverslag van Costa Rica was dit te wijten aan de economische omstandigheden. Veel verkondigers moesten Costa Rica verlaten om elders werelds werk te zoeken. Er werd in het jaarverslag nog een reden genoemd: „Helaas moest een groot aantal personen wegens een onreine levenswijze uit de gemeenschap worden gesloten, maar allen zien graag dat de organisatie rein wordt gehouden voor de zuivere aanbidding.”
Nog drie jaar sleepte het werk zich moeizaam voort zonder dat er toename was. Deze periode droeg ertoe bij dat geestelijk gezinde mannen werden beproefd en rijper werden, wat nodig was voor de plotselinge snelle groei die zou komen. Eén zo’n man was Andrés Garita. Twintig jaar lang was hij in de kring- en districtsdienst. Waaraan schreef hij zijn volharding toe? „Mijn ouders begonnen in 1946 te studeren, en wij bezochten altijd getrouw de vergaderingen”, zegt hij. „Ik werd in 1953 op veertienjarige leeftijd gedoopt. Door de vergaderingen en de velddienst genoot ik nauwe omgang met kringopzieners, die altijd speciale aandacht aan mij besteedden en mij aanmoedigden om de volle-tijddienst op mij te nemen.” In het voorjaar van 1979 werd hij als lid van het bijkantoorcomité aangesteld. Hij diende getrouw in die hoedanigheid, alsook in het kring- en districtswerk, samen met zijn vrouw, Mayra, en zijn zesjarige dochtertje, Andrea, tot hij plotseling ziek werd en op 7 juli 1987 op 48-jarige leeftijd onverwachts stierf. Hij was innig geliefd en bijna alle Getuigen in Costa Rica kenden hem, zoals duidelijk bleek doordat er bij zijn begrafenis meer dan 4000 personen aanwezig waren.
MEER ZENDELINGEN — EEN AANSPORING VOOR HET WERK
In de jaren zestig traden meer jonge „gaven in mensen” op de voorgrond (Ef. 4:8). Gilead heeft beslist tot de geestelijke groei en rijpheid van de broeders en zusters in Costa Rica bijgedragen. Alvaro Muñoz en Milton Hylton waren Costaricanen die een uitnodiging voor Gilead ontvingen en vervolgens weer aan hun eigen land werden toegewezen. Hun jaren in de kringdienst werden zeer gewaardeerd, en zij zijn als ouderling in hun eigen gemeente ook nu nog een bron van verkwikking.
Douglas Little en Frederick Hiltbrand uit de Verenigde Staten, afgestudeerden van de 45ste klas van Gilead, werden in 1968 aan Costa Rica toegewezen. Zij hebben beiden in de kringdienst gestaan. In 1972 trouwde Douglas Little met Saray Campos, die al zeven jaar pionierde. De zendelingenfamilie groeide toen er nog twee broeders arriveerden, John Griffin en Lothar Mihank.
In 1976 trouwde Frederick Hiltbrand met Mirtha Chapa, een zendelinge van de 55ste klas van Gilead. Thans is Frederick lid van het bijkantoorcomité.
EEN AARDBEVING IN MANAGUA
Door de jaren heen hebben er altijd nauwe banden bestaan tussen de broeders en zusters in Costa Rica en die in Nicaragua, niet alleen omdat zij buren zijn maar ook omdat de theocratische groei in beide landen met elkaar in verband heeft gestaan. De broeders en zusters in Nicaragua kwamen plotseling in nood te verkeren toen in december 1972 de hoofdstad, Managua, door een krachtige aardbeving getroffen werd.
Onmiddellijk werden er in Costa Rica regelingen getroffen voor hulpverlening aan de broeders en zusters in Managua. Hoewel er geen radiocontact met Managua tot stand was gebracht, werd er een voertuig met bijna een ton voedsel naar toe gezonden. Al dit voedsel was binnen een uur vanaf het moment dat de broeders voor het eerst over de inzameling van hulpgoederen waren ingelicht, bijeengebracht. Het consulaat van Nicaragua verstrekte visa aan de broeders die de wagen bestuurden toen zij hoorden dat het hulpgoederen van Jehovah’s Getuigen betrof. Alle bureaucratische deuren zwaaiden open, zodat de hulpgoederen rechtstreeks naar de broeders en zusters konden worden gebracht.
GEZINSEENHEID LEIDT TOT SUCCES
Trino Rojas en zijn twee broers waren de vechtersbazen van de stad Guápiles. Toen Mark Taylor, een speciale pionier, Trino’s ouders begon te bezoeken, vond Trino dat maar niets en bij één gelegenheid liet hij zelfs uitdagend zijn rijzweep achter Marks rug knallen. Maar Mark bleef terugkomen en gaandeweg pikte Trino een graantje van de waarheid mee. Later, nadat Trino met Carmen was getrouwd, gaf een buurvrouw hun een katholiek boek met bijbelse verhalen. Trino besefte dat deze bijbelse verhalen overeenkwamen met wat hij van Mark had gehoord. Toen hij dit aan de katholieke dame vertelde, was zij beledigd en nam het boek terug, waardoor zij zijn verlangen naar meer bijbelkennis opwekte. Dus gingen Trino en Carmen met de Getuigen studeren, en in 1950 werden zij gedoopt.
Zij hadden elf kinderen. Een van hen, David, herinnert zich het voorbeeld dat zijn vader en moeder het gezin gaven. „Hun doorzetting in de waarheid maakte indruk op ons allemaal. Wij sloegen nooit een vergadering over, ook al waren wij met elf kinderen en waren de tijden moeilijk. Pa kocht een boerderij in Roxana, en wij verhuisden daarheen om er een groep geïnteresseerden te helpen.”
David pioniert al meer dan tien jaar. „De steun die onze vader ons gaf, maakte het mogelijk te pionieren”, zegt hij. Noé, een van Davids jongere broers, vertelt: „David werd mijn voorbeeld. Toen ik dertien was, besteedde ik 100 uur in de dienst. Op een dag droomde ik dat ik een maïsveld zou planten, de maïs zou verkopen, het geld aan Pa zou geven en zou gaan pionieren.” Dat heeft hij ook gedaan.
Hoewel hun ouders, Trino en Carmen, gestorven zijn, blijven de kinderen standvastig in het geloof.
DE ZENDINGSGEEST WERKT AANSTEKELIJK
Costa Rica heeft een opvallende groep volle-tijddienaren die bestaat uit kinderen van voormalige zendelingen. Robert Conroy, die in 1959 met zijn partner John Alexander arriveerde, trouwde later en bleef in Costa Rica in de kringdienst. Over de tijd dat zijn vrouw, Dina, in verwachting was, zei Robert: „Mijn vrouw en ik hebben Jehovah gebeden om leiding bij het grootbrengen van onze kinderen, in het besef dat ook dit een zegen van Jehovah was.” Terwijl de ouders nu na een onderbreking van twintig jaar weer in de kringdienst zijn, dienen hun twee kinderen, Judy en Rodney, op Bethel in Costa Rica.
Donald Fry, van de 22ste klas van Gilead, zag zijn zoon, David, vijftig klassen later in zijn voetstappen treden. David bezocht de 72ste klas van Gilead en werd aan hetzelfde land toegewezen als zijn vader — Costa Rica. Waarom besloot David om net als zijn vader zendeling te worden? „Mijn vroegere omgang met gelukkige zendelingen in Costa Rica, gevoegd bij de theocratische leiding van mijn ouders, brachten mij ertoe hun voorbeeld te willen volgen”, zegt hij.
Of het nu mogelijk is geweest in een vreemd land te blijven wonen of niet, deze bezielende geest is overgedragen op de gezinnen van veel voormalige zendelingen. De familie Call, de familie Sheldon en de familie Blackburn hebben allen hun gezin met deze heilzame geest grootgebracht.
COSTA RICA DEELT ZIJN ZENDELINGEN MET ANDERE LANDEN
In het verleden werden enkele zendelingen van Costa Rica overgeplaatst naar andere landen. In meer recente tijd, in 1979, kregen John Alexander, die in 1959 vanuit Gilead naar Costa Rica kwam, en zijn vrouw, Corina, een nieuwe toewijzing voor Panama. Later, in het voorjaar van 1982, werd Lothar Mihank en zijn vrouw, Carmen, gevraagd om in Panama te dienen.
Werd de predikingsactiviteit in Costa Rica hierdoor verzwakt? „Hoewel wij het voortreffelijke werk dat deze getrouwe broeders hebben verricht, inderdaad missen,” antwoordt broeder Shepp, de coördinator van het bijkantoorcomité, „is de leemte die zij achterlieten snel opgevuld door de rijpe plaatselijke broeders. Neem bijvoorbeeld het districtswerk. Terwijl wij een paar jaar geleden afhankelijk waren van de zendelingen die vanuit het bijkantoor het district bedienden, verrichten nu plaatselijke broeders een voortreffelijk werk door de leemte op te vullen. Dit geldt ook met betrekking tot het werk van de kringopziener. Verreweg de meesten van hen die nu in deze verantwoordelijke positie dienen, zijn plaatselijke Costaricaanse broeders. Jehovah ziet er dus altijd op toe dat het werk niet afhankelijk is van één enkele persoon.”
VAN TREINCONDUCTEUR TOT KRINGOPZIENER
Guillermo Badilla was meer dan twintig jaar lang treinconducteur geweest op de route van San José naar Puntarenas. Toen hij op vijftigjarige leeftijd met pensioen ging, begon hij onmiddellijk met de volle-tijddienst. Een van de vijf gemeenten die hij hielp oprichten, was die in Cartago. Toen hij daar kwam, trof hij er maar één verkondiger aan, die „als een blok ijs was”, vertelt broeder Badilla. Na tien maanden werd er echter een gemeente opgericht met negen verkondigers. Door het leven van mensen in een andere richting te sturen, heeft hij ruim negentig personen tot de doop kunnen brengen. En op zeventigjarige leeftijd werd hij als kringopziener aangesteld.
RECHTSCHAPENHEID BEPROEFD DOOR DE BLOEDKWESTIE
Jehovah’s Getuigen weigeren op schriftuurlijke gronden bloedtransfusies te aanvaarden, zelfs al verkeert hun leven in gevaar (Hand. 15:29). Zij zijn echter wel bereid een alternatieve medische behandeling te aanvaarden. Sommige artsen werken met de Getuigen samen in deze belangrijke medische aangelegenheid, terwijl anderen hen tegenstaan.
Wilson Rojas bijvoorbeeld raakte bewusteloos als gevolg van een explosie die zo krachtig was dat hij dwars door de wand van een bergplaats werd geslagen en een meter of acht verderop neerkwam. Zijn partner was op slag dood. Wilson kwam pas na acht dagen bij bewustzijn en kreeg toen te horen dat hij het gebruik van één oog, een oor, een arm en een been had verloren. Resoluut weigerde Wilson een bloedtransfusie te aanvaarden. Zijn vrouw, Clarissa, steunde hem in zijn besluit. De misnoegde arts zei: „Laat hem dan maar doodgaan. Hij heeft nog vijf dagen te leven, meer niet.”
Ook al ondertekende broeder Rojas een medisch formulier waardoor het ziekenhuis werd ontheven van alle verantwoordelijkheid ingeval van een behandeling zonder bloed, toch staakte het ziekenhuis iedere vorm van therapie behalve het verwisselen van zijn verbanden. Op haast miraculeuze wijze kwam er gedurende de daaropvolgende twee weken echter langzaam verbetering in zijn toestand. Toen deed zich een andere plotselinge crisis voor. Een bloedstolsel in zijn linkerbeen dreigde elk moment los te zullen schieten. Een specialist interesseerde zich levendig voor zijn geval en slaagde erin het stolsel met behulp van medicamenten op te lossen. Niet lang daarna bracht de specialist Wilson een bezoek aan bed en vroeg waarom hij had geweigerd een bloedtransfusie te aanvaarden. Nadat Wilson het had uitgelegd, zei de specialist: „De reden waarom dat bloedstolsel niet is losgeschoten, wat u het leven zou hebben gekost, was het geringe bloedvolume en het feit dat het bloed zo dun was. Als u een bloedtransfusie had aanvaard, zou u naar alle waarschijnlijkheid dood zijn. Gefeliciteerd!”
„MAN GEVRAAGD”
Nog een manier om het hart en de geest van met schapen te vergelijken personen te bereiken, is door het aan de dag leggen van een christelijk gedrag. In een fabriek waar een ouderling werkt, protesteerden de werknemers tegen de werkomstandigheden en eisten hogere lonen. Tijdens een vergadering van de directie met deze arbeiders, kwam er een telefoontje binnen van de directeur van een ander bedrijf. Toen hij hoorde over de ontevredenheid onder de werknemers, pochte hij: „Wij hebben dat soort problemen niet met onze arbeiders, aangezien de meesten van hen getuigen van Jehovah zijn.”
Niet lang daarna verscheen in de meest gelezen krant van het land de volgende kennisgeving: „MAN GEVRAAGD OM IN ONS BEDRIJF TE WERKEN. MOET EEN VAN JEHOVAH’S GETUIGEN ZIJN, OPGEDRAGEN, GEDOOPT. LIEFST EEN OUDERLING OF EEN DIENAAR IN DE BEDIENING.” Blijkbaar waren er geen andere bevoegdheden nodig.
VERDERE POGINGEN OM NIEUWE GEBIEDEN TE OPENEN
Gedurende de jaren zeventig werden er krachtsinspanningen in het werk gesteld om kleinere steden met het goede nieuws te bereiken. Daarom keerden broeder en zuster Siebenlist in 1972 vanuit de Verenigde Staten terug en vestigden zich in de stad Tres Ríos, op tien kilometer afstand van San José.
In deze stad stond een tienerjongen aan het hoofd van een kleine sekte met de naam The Jehovah’s Worshipers (De aanbidders van Jehovah). De sekte maakte gebruik van de lectuur van het Genootschap. Vanwege onenigheden binnen de groep had de familie Gutiérrez hun omgang met de groep gestaakt, contact opgenomen met het bijkantoor en om een bijbelstudie gevraagd. Douglas Little kreeg de taak hen te helpen. Hij beschrijft als volgt wat er gebeurde:
„Er werd meteen een studie opgericht bij de familie Gutiérrez — Miguel, Inés en hun drie zoontjes. De ouders waren goed bekend met de waarheid, aangezien zij al maandenlang ijverig de publikaties van het Genootschap lazen. Zij hadden tot de ’twaalf apostelen’ van de groep en de leiders in de ’velddienst’ behoord, doch waren tot het besef gekomen dat maar één volk Jehovah’s zegen geniet, een waarheid die aanvankelijk door de andere leden niet op prijs werd gesteld.
Enige tijd nadat de familie Gutiérrez zich van de sekte had afgescheiden, namen de overige leden contact op met het bijkantoor. Ook zij wilden studeren, en ik kreeg de toewijzing om hen behulpzaam te zijn. Er werd afgesproken dat ik de hele groep zou bezoeken en een modelbijbelstudie zou leiden. Tot mijn verbazing trof ik ongeveer vijftien personen aan die in een halve kring zaten, terwijl zij de antwoorden in het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt hadden onderstreept en de Nieuwe-Wereldvertaling opengeslagen bij de hand hadden. Alle vijftien volwassenen die daar de eerste avond aanwezig waren, en bovendien nog vele familieleden en vrienden van hen, hebben hun leven aan Jehovah opgedragen en verrichten nu dienst in zijn ene aardse organisatie.” Tegenwoordig zijn er in Tres Ríos twee gemeenten.
„VERENIGD IN DE AANBIDDING”
De vervolging in Cuba heeft de verkondigers in Costa Rica met hun geestelijke broeders en zusters uit Cuba verenigd. Nadat in 1980 de immigratieroute vanuit Cuba naar de Verenigde Staten was gesloten, werd Costa Rica een van de landen die door de Cubanen als doorgangsstation naar andere landen werden gebruikt. Sommige Cubanen kwamen vrijwillig naar Costa Rico, anderen omdat er van regeringswege druk op hen werd uitgeoefend of omdat hun gevangenisstraf verviel als zij Cuba verlieten.
Ruim honderd Cubaanse Getuigen zijn Costa Rica binnengekomen. Een van hen, Ubaldo Fernández, een Cubaanse broeder die als ouderling in de gemeente Santo Domingo diende, vertolkte de gevoelens van de Cubaanse Getuigen. „Alle broeders en zusters die hier gearriveerd zijn, danken Jehovah dat zij zijn bevrijd en zijn de Costaricaanse broeders en zusters heel dankbaar voor de gastvrijheid en de christelijke liefde die zij hun allen hebben betoond. Zo blijven wij één volk, verenigd in de aanbidding van de enige ware God, Jehovah.”
ONVERWACHTE HULP VAN ZENDELINGEN
Hulp wordt altijd gewaardeerd, en zoals Jezus zei: „De oogst is groot, maar er zijn weinig werkers. Smeekt daarom de Meester van de oogst dat hij werkers in zijn oogst uitzendt.” — Matth. 9:37, 38.
Er kwam hulp in de vorm van zendelingen die de toegevoegde Gileadcursus in Mexico hadden gevolgd. Juan en Rebecca Reyes en Arnoldo Chaves waren afgestudeerden van de eerste klas en werden aan Nicaragua toegewezen. Deze toewijzing in Nicaragua was van korte duur, aangezien zij geen verblijfsvergunning konden krijgen en hun gezegd werd naar Costa Rica te gaan om te proberen van daar uit een verblijfsvergunning aan te vragen, wat geen succes had. Zij zijn in Costa Rica in de kringdienst gebleven.
Op zaterdag 20 maart 1982 werden negentien zendelingen uit Nicaragua gezet — nog meer onverwachte gasten. Negen van hen werden per auto de Costaricaanse grens overgezet. De andere tien werden per vliegtuig naar Panama gestuurd. Kevin en Ruby Block passeerden rond het middaguur de Costaricaanse grens. Tegen zes uur die avond bevonden de andere zeven zich, met alle bezittingen die zij in een koffer konden pakken, onder de blote hemel langs de kant van een verlaten weg op Costaricaans grondgebied. Al gauw arriveerden er broeders met voertuigen en reden hen naar de stad Liberia, waar de familie Jorge Meléndez een warme maaltijd en slaapgelegenheid voor hen gereed had. De volgende dag werden zij naar het bijkantoor in San José gebracht. (Op dinsdag kwamen ook de tien naar Panama gedeporteerde zendelingen in Costa Rica aan.)
GETUIGENIS VIA DE MEDIA
Op zaterdagavond kwamen de uitgewezen zendelingen in het wereldnieuws. Meer dan 41 kranten, alsook radio- en televisiestations belden van over heel de wereld het bijkantoor op en wilden de zendelingen interviewen. Op woensdagmorgen verzocht Rodrigo Fournier, een bekende Costaricaanse verslaggever, om een ronde-tafelbespreking ’s morgens vroeg met de gedeporteerde zendelingen. Reiner en Jeanne Thompson en Ian Hunter werden geïnterviewd in een veertig minuten durend tv-programma dat in het hele land werd uitgezonden. Tijdens het programma werd de nadruk gelegd op onze positie van neutraliteit ten opzichte van alle aardse regeringen, onze belangstelling voor Gods koninkrijk en ons onderwijs, waardoor de eenheid binnen het gezin wordt versterkt. Het programma werd onderwerp van gesprek in het hele land en opende vele mogelijkheden om getuigenis te geven.
Er werd voor deze hechte groep zendelingen logies geregeld op het Bethelhuis. Binnen een paar weken kwamen er nieuwe toewijzingen vanuit Brooklyn en werden de zendelingen over Belize, Ecuador, El Salvador, Guatemala en Honduras verspreid, met uitzondering van broeder en zuster Thompson en broeder Edward Errichetti. Zij kregen de toewijzing om in Costa Rica te blijven, en broeder Thompson werd aangesteld als lid van het bijkantoorcomité.
Bill en Mavis Rogers werden niet met de andere negentien zendelingen uitgewezen, dus bleven zij nog vijf maanden in Nicaragua. Nadat zij twee weken in een hotel onder „huisarrest” waren gehouden, werden zij in augustus naar Costa Rica gedeporteerd. Ook zij werden voor de televisie geïnterviewd. Op de vraag wat zij in Nicaragua gedaan hadden om uitgewezen te worden, vertelde Bill de tv-kijkers: „Wij predikten alleen maar het goede nieuws van Gods koninkrijk.” De volgende die in hetzelfde programma werd geïnterviewd, was de aartsbisschop van Costa Rica. Hem werd de vraag gesteld wat christenen volgens hem in deze tijd dienden te doen. Daarop moest hij wel antwoorden: „Het evangelie van het Koninkrijk prediken.” Broeder en zuster Rogers vertrokken uiteindelijk naar hun nieuwe toewijzing in El Salvador.
DE BETHELFAMILIE BREIDT ZICH UIT
In 1977 bestond de Bethelfamilie uit vier leden. Maar vanwege de toename in het aantal verkondigers waren er tegen 1982 zes Bethelwerkers om te voorzien in de behoeften van de gemeenten in zowel Costa Rica als een ander aan het bijkantoor toegewezen gebied. In 1980 werd de mijlpaal van 5000 in het gemiddelde aantal verkondigers overschreden, en in 1981 was er een verbazingwekkend hoogtepunt van 6183 verkondigers. In 1981 leverden 118 gemeenten, verdeeld over zes kringen, bericht in en in 1982 schoot dit aantal omhoog tot 138 gemeenten in zeven kringen.
Een van de maandelijks terugkerende taken van het bijkantoor is, elke verkondiger van een exemplaar van Onze Koninkrijksdienst te voorzien. In 1965 begon Costa Rica zijn eigen uitgave van Onze Koninkrijksdienst te verzorgen — hoewel die in Brooklyn (New York) werd gedrukt — zodat er meer plaatselijke mededelingen in konden worden opgenomen. In januari 1982 volgde weer een stap voorwaarts toen Costa Rica Onze Koninkrijksdienst plaatselijk op zijn eigen offsetpers begon te drukken. In de zomer van 1983 werd een IBM tekstverwerker gekocht om een veelzijdiger gebruik van de kleine pers mogelijk te maken, en tegen 1984 waren er meer dan tien werkers op Bethel nodig om voor de behoeften van de gemeenten zorg te dragen.
WAAROM EEN VERANDERING?
Jarenlang heerste er een zelfgenoegzame, tevreden houding onder de bevolking. Velen waren trots op hun religie en weigerden over de bijbel te spreken. Maar toen als een vervulling van bijbelse profetieën de verslechterende wereldtoestanden het leven van meer mensen raakten, begonnen zij zich in hun hart af te vragen wat dit allemaal te betekenen had. Economische crisissen, terroristische activiteiten en vluchtelingen — al deze toestanden openden de weg tot een gunstiger reactie tijdens de van-huis-tot-huisbediening, met als gevolg meer bijbelstudies. Wat hebben de jaren 1982-1987 derhalve gebracht? Reden tot verheuging! Het hoogtepunt in verkondigers nam toe van 6611 tot 10.374.
Nog een reden voor de toename is het feit dat het totale aantal pioniers meer dan verdubbeld is tot 792. En sinds 1984 heeft het aantal huisbijbelstudies het aantal verkondigers overtroffen.
NIEUWE BIJKANTOORFACILITEITEN
Vanaf januari 1984 werd alles op alles gezet om met de bouw van nieuwe bijkantoorfaciliteiten te kunnen beginnen. In 1955 was het bijkantoor in het centrum van San José gebouwd. Vervolgens werd het in 1977 verbouwd. In slechts enkele jaren tijd scheen het bijkantoor uit zijn voegen te barsten. In de bibliotheek stonden vier bureaus, en soms gebruikten degenen die op kantoor werkten bij gebrek aan bureauruimte hun eigen kamer. De gangen dienden als opslagruimte en de tafel van de verzendafdeling deed tevens dienst als bed voor een vrijwillige werker. De conferentiekamer was veranderd in de drukkerij. Werd het geen tijd om uit te breiden?
Ruim een jaar zochten de leden van het bijkantoorcomité naar een geschikt stuk grond. Ten slotte werd met de hulp van broeder John Craddock, die zakenrelaties had, een ideaal terrein gevonden: ongeveer 6,5 hectare vruchtbare grond in een landelijke omgeving, op geringe afstand van de Pan-American Highway (de Interamerikaanse autoweg) tussen de luchthaven Juan Santamaría en San José. Het terrein wordt omringd door drie belangrijke steden en is toch groot genoeg voor een eventuele toekomstige uitbreiding. Het ligt in een vredige omgeving, met een dagelijks panorama van buitengewoon mooie regenbogen en wisselende wolken die langs de hellingen van vulkanen trekken.
Tegen maart 1984 werd het terrein gekocht. Er waren plannen voor een vloerruimte van meer dan 4200 vierkante meter, in vergelijking met de 550 vierkante meter van het vroegere bijkantoor. De Bethelieten, alle kringopzieners van het land en veel van de speciale pioniers, de gewone pioniers en de gemeenteverkondigers hielpen mee. Dan waren er nog de vele professionele bouwvakkers uit de Verenigde Staten, Canada, Nederland, Duitsland, Finland, Guatemala en Panama. Er waren in totaal zo’n 300 werkers uit het buitenland, en de periode dat zij bleven, varieerde van enkele dagen tot verscheidene jaren.
Tegen de tijd dat de bouw voltooid was, hadden bijna 5000 verkondigers uit de meeste gemeenten een aandeel gehad aan de werkelijke bouw. De overigen droegen hun deel bij door hun vurige gebeden, hun aanmoediging en hun materiële ondersteuning. Al deze krachtsinspanningen werden in het werk gesteld omdat Jehovah’s volk vertrouwen stelt in zijn belofte om ’wasdom te geven’. — 1 Kor. 3:7.
DE DATUM WERD VASTGESTELD
De inwijding, 4 januari 1987! Het hele land werd uitgenodigd. De broeders Swingle en Underwood van Brooklyn-Bethel hielden aanmoedigende schriftuurlijke lezingen en vervolgens zette Milton Henschel, ook van Brooklyn-Bethel, het doel van de gebeurtenis uiteen: de faciliteiten opdragen aan Jehovah en Zijn belangen. Toen de zon in het westen onderging, dankten alle 13.311 aanwezigen Jehovah voor zijn geest en leiding gedurende het twee jaar durende bouwproject.
Zelfs al tijdens de bouwperiode was duidelijk te zien dat de toename aan de gang was. Er waren 24 nieuwe hoogtepunten in verkondigers bereikt sinds er met bouwen was begonnen. Met nieuwe hoogtepunten van 10.374 verkondigers en 13.425 huisbijbelstudies staat als een paal boven water dat de nieuwe faciliteiten spoedig volledig benut zullen worden. Het nieuwe bijkantoor zal voorzien in de behoeften van de toekomstige getuigen van Jehovah die deel uitmaakten van de 30.534 bezoekers tijdens de Gedachtenisviering in 1987.
WAT GEBEURDE ER MET DE MEISJES VAN DE JAREN VEERTIG?
Herinnert u zich nog de pioniersters van de jaren veertig? Waar zijn zij nu? Zijn deze zusters het moe geworden? Absoluut niet! Zij allen zijn nog steeds actief. Zes zusters hebben Gilead bezocht, en vier zijn nog steeds in de zendingsdienst. Vijf zijn in de speciale pioniersdienst, en drie zijn na een gezin te hebben grootgebracht of wijzigingen in hun schema te hebben aangebracht, weer met pionieren begonnen.
Waarom zijn zij zo druk bezig gebleven in de Koninkrijksprediking? Lila Swaby antwoordt: „Toen wij jong waren, bouwde het samenwerken met de oudere gezalfde zusters ons op. Wij zijn nu niet jong meer, maar hun voorbeeld blijft een bron van inspiratie voor ons.”
INDERDAAD EEN RIJKE KUST!
Het was passend dat het land door Christophorus Columbus Rijke Kust werd genoemd, maar dan om redenen waarvan hij zich geen voorstelling heeft kunnen maken. Nu, meer dan tachtig jaar nadat de waarheid deze kusten bereikte, blijken de rijkdommen van Costa Rica de mensen te zijn die er wonen en wier God Jehovah is. Deze rijkdommen werden gelouterd door de bezoeken van broeder Knorr en andere speciale vertegenwoordigers van het hoofdbureau van het Genootschap. De aanwezigheid van de zendelingen vormde een krachtige stimulans voor het predikingswerk en had ook een stabiliserende invloed op de gemeenten, die op hun beurt meer rijkdommen — lofprijzers van Jehovah — hebben voortgebracht. Costa Rica is inderdaad een kust met geestelijke rijkdommen!
[Kaart/Illustraties op blz. 199]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
COSTA RICA
NICARAGUA
Caribische Zee
SAN CARLOS DISTRICT
Liberia
Guápiles
Grecia
Guácimo
Puntarenas
Alajuela
Siquirres
Puerto Limón
SAN JOSÉ
Cartago
Cahuita
Point Quepos
San Isidro
Golfito
GROTE OCEAAN
PANAMA
[Illustraties op blz. 202]
Vroege ijverige predikers, gedoopt omstreeks 1914: (boven, van links naar rechts) Claudia Goodin en Lea Wilson, (onder) Ina Williams
[Illustratie op blz. 204]
Henry Steele en zijn vrouw, Matilde, gedoopt omstreeks 1914, hier samen met hun gezin. Veel van hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen zijn thans actieve Getuigen
[Illustratie op blz. 209]
Albert Ezra Pile, gedoopt in 1926, hielp mee het werk te activeren
[Illustratie op blz. 213]
De eerste groep zendelingen. Voorste rij, van links naar rechts: Charles Palmer, Lora Lea Palmer, Hermena Siebenlist en Theodore Siebenlist, bijkantoordienaar van 1944 tot 1952. Achterste rij, van links naar rechts: William Eugene Call, Donald Burt en „Woody” Blackburn
[Illustraties op blz. 217]
„Doc” en Emily Hardin waren in de kringdienst en reisden veel per trein
Arnold Williams, de eerste inheemse kringopziener, gaf een veelbelovende baan op om het goede nieuws te prediken
[Illustratie op blz. 218]
Evelyn Ferguson (nu Taylor), speciale pionierster vanaf 1944, hier met haar grammofoon
[Illustraties op blz. 225]
Silbert Spence, getroffen door broeder Rutherfords grammofoonplaatlezing „Religie is een valstrik en afpersing”, begon samen met zijn vrouw, Valmina, in 1948 te pionieren. Hij was tot zijn dood in mei 1985 lid van het bijkantoorcomité
[Illustratie op blz. 233]
Lorence Shepp, die vanaf 1966 als coördinator van het bijkantoor dient, met zijn vrouw, Olimpia
[Illustratie op blz. 239]
Frederick Hiltbrand, hier samen met zijn vrouw, Mirtha, hielp bij het op gang brengen van de drukwerkzaamheden
[Illustratie op blz. 250]
Luchtfoto van het nieuwe bijkantoor, met op de voorgrond de rotonde bij de receptie, links de drukkerij, verzendafdeling en kantoren en rechts het woongedeelte
[Illustratie op blz. 252]
De pioniersters van de jaren veertig bezitten nog steeds de pioniersgeest. Van links naar rechts: Jenny Taylor, Evelyn Taylor, Mireya Ortega, Jenny Dillon, Corina Novoa en Lila Swaby