Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • yb88 blz. 136-197
  • Korea

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Korea
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1988
  • Onderkopjes
  • EEN VERDEELD LAND
  • BELANGSTELLING VOOR DE ORIËNT
  • DE EERSTE OPGEDRAGEN KOREAAN
  • MEER HULP UIT HET BUITENLAND
  • DE EERSTE DRUKKERIJ
  • ONDER NIEUWE LEIDING
  • COLPORTEURSWERK
  • INVALLEN DOOR DE POLITIE
  • HET WERK GAAT VERDER
  • INVLOEDRIJKE FAMILIE ONTVLUCHT „BABYLON”
  • EEN TIJDIGE WAARSCHUWING
  • VROEGE RECHTSCHAPENHEIDBEWAARDERS
  • GETROUW TOT IN DE DOOD
  • DESILLUSIE NA DE TWEEDE WERELDOORLOG
  • „JEHOVAH’S GETUIGEN ZIJN WEER TOT LEVEN GEKOMEN”
  • „WELKOM WACHTTOREN, GEZANT VAN HOOP”
  • GEORGANISEERDE BEDIENING BEGINT
  • GEORGANISEERDE BIJEENKOMSTEN ZIJN STIMULANS VOOR BROEDERS
  • DE ANDERE ZENDELINGEN ARRIVEREN
  • DE KOREAANSE OORLOG
  • ZENDELINGEN GEËVACUEERD
  • GETROUW ONDANKS ONTBERINGEN
  • OPNIEUW OP DE VLUCHT
  • WERK GAAT GESTAAG VOORWAARTS ONDANKS ONTREDDERING
  • ZENDELINGEN KOMEN TERUG
  • EINDELIJK! DE WACHTTOREN IN GEDRUKTE VORM
  • BIJKANTOOR OPGERICHT
  • HULP VAN ONVERWACHTE ZIJDE
  • HET EERSTE GROTE CONGRES
  • GILEAD STUURT MEER HULP
  • EEN ZENDELINGENHUIS IN POESAN
  • EEN GEDENKWAARDIG BEZOEK
  • EEN ZEGEN BIJ HET BIJBELONDERWIJS
  • EEN FAMILIE VAN VURIGE WERKERS
  • HIJ SPEELDE MONDHARMONIKA
  • 1958 — HET INTERNATIONALE „GODDELIJKE WIL”-CONGRES
  • HET KRINGWERK BREIDT ZICH UIT
  • GEVAARLIJKE MOMENTEN TIJDENS ONLUSTEN
  • TIJDELIJKE BEPERKINGEN
  • ’EEUWIGE GOEDE NIEUWS’-CONGRESSEN
  • EERSTE UITBREIDING VAN HET BIJKANTOOR
  • BOEKEN MET PAPIEREN OMSLAG VOOR HET VELD
  • EEN GEWETENSKWESTIE
  • HET GROOTSTE OOIT GEHOUDEN
  • EEN REDEN TOT BEZORGDHEID
  • DE WEG TERUG, LANG MAAR GESTAAG
  • EERSTE CONGRESHAL IN DE ORIËNT
  • WIJZIGINGEN IN DE PUBLIKATIE VAN TIJDSCHRIFTEN
  • ZENDELINGEN GEWEERD
  • EEN GIGANTISCH PROJECT
  • EEN SNELLE ROTATIEPERS
  • DE VOORUITZICHTEN
Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1988
yb88 blz. 136-197

Korea

GEZIEN vanuit een satelliet op kilometers hoogte, is Korea een schilderachtig schiereiland in Noordoost-Azië. Het ligt iets ten westen van de Japanse eilanden en wordt in het noorden begrensd door China en de Sovjet-Unie. Langs de zuid- en oostkust is de zee bezaaid met meer dan 3000 eilanden, waarvan er 2600 onbewoond zijn. Hoe groot Korea is? Bijna even groot als Groot-Brittannië.

Van dichterbij gezien verandert Korea in een van de bergachtiger landschappen op aarde, waardoor slechts zo’n 20 procent van het land geschikt is voor landbouw. Rijst is het hoofdgewas. Langs de west-, noordoost- en zuidkust strekken zich vlakten uit. De moessons die over het land waaien — eerst in de ene, dan in de andere richting — voeren de koude, droge winters en de warme, natte zomers aan.

Een blik van aangezicht tot aangezicht onthult dat de fysieke kenmerken van de meeste Koreanen overeenkomen met die van andere Aziaten — een breed gezicht, sluik zwart haar, een olijfkleurige huid en donkere ogen. Toch zijn er verschillen in cultuur, taal, kleding en keuken en zij beroemen zich op meer dan 4000 jaar menselijke geschiedenis. Hun taal, die tot de Altaïsche taalfamilie behoort, wordt thans door meer dan 60 miljoen mensen gesproken.

EEN VERDEELD LAND

Vanwege de strategische ligging van Korea hebben machtiger naties, zoals China en Japan, lange tijd een krachtige invloed op de bevolking uitgeoefend. Bij wijze van verdediging isoleerden de Koreanen zich en zo ontstond het zogenoemde ’hermit kingdom’ (kluizenaar-koninkrijk). In 1910 kwam Korea onder Japans koloniaal bestuur te staan, dat tot het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft geduurd; toen werd het schiereiland langs de 38ste breedtegraad verdeeld tussen de militaire strijdkrachten van de Verenigde Staten in het zuiden en de Sovjet-strijdkrachten in het noorden. In 1948 werd krachtens een resolutie van de Verenigde Naties in het zuiden de Republiek Korea (Zuid-Korea) gevormd. In hetzelfde jaar ontstond in het noorden de Democratische Volksrepubliek Korea (Noord-Korea). Beide regeringen maken er aanspraak op geheel Korea te vertegenwoordigen.

Op 25 juni 1950 begon met de invasie van Noordkoreaanse troepen in het zuiden de drie jaar durende Koreaanse Oorlog. Die mondde uit in een nog duurzamer verdeling van het land, met als scheidslijn een gedemilitariseerde zone die zo’n 55 kilometer ten noorden van de stad Seoel van oost naar west loopt. De regering in het noorden is wars van religie en de activiteiten van Jehovah’s Getuigen zijn er dan ook verboden.

BELANGSTELLING VOOR DE ORIËNT

De eerste president van het Wachttorengenootschap, Charles Taze Russell, bezocht als voorzitter van het zeven leden tellende IBSA-comité (International Bible Students Association, de Internationale Bijbelonderzoekersvereniging) de Oriënt voor het eerst in het begin van 1912. Zoals The Watch Tower van 15 december 1912 berichtte, was het de bedoeling „de toestand van de heidenen te bekijken”. Het verslag vervolgde: „Op grond van dat onderzoek werd besloten, dat de omstandigheden in het heidendom de besteding van enige fondsen van het Genootschap voor het bekendmaken van het Evangelie van het Koninkrijk aldaar rechtvaardigden. Derhalve werd er een overvloed aan lectuur gedrukt in zes van de voornaamste talen”, waaronder Koreaans.

Broeder Robert R. Hollister stemde in met de bevindingen van het comité en ging de Vereniging in de Oriënt, met inbegrip van Korea, vertegenwoordigen. Hij zorgde ervoor dat het boek Het Goddelijk Plan der Eeuwen in het Koreaans vertaald en gedrukt werd. Het werd gedrukt in Jokohama (Japan). Als datum van uitgave vermeldde het 18 maart 1914 en als uitgever de International Bible Students Association, vertegenwoordigd door R. R. Hollister. Broeder en zuster Hollister hebben ook heel wat tijd besteed aan het zaaien van Koninkrijkswaarheidszaden in Korea.

DE EERSTE OPGEDRAGEN KOREAAN

In The Watch Tower van 15 augustus 1914 stond een boeiende brief afgedrukt, gericht aan broeder Russell, die luidde: „In zeker opzicht ben ik een vreemde voor u; maar ik kwam slechts 22 maanden geleden door uw geschriften tot een kennis van de Hedendaagse Waarheid. Al enige tijd heb ik u willen schrijven om u in kennis te stellen van mijn bijzondere waardering voor de Waarheid, maar omstandigheden lieten dit tot op heden niet toe.

U zult erin geïnteresseerd zijn te weten dat ik een Koreaan ben. Toen hier de eerste zendelingen aan land kwamen (in 1885), was Korea een geïsoleerd koninkrijk. Sindsdien hebben enige Koreanen het christendom aanvaard.

Ongeveer acht jaar werd ik meegevoerd op de gevaarlijke stromen van wat ik nu herken als spiritisme — satanische leer. Thans dank ik God dat Hij onze geliefde broeder R. R. Hollister met de Blijde Boodschap hierheen gezonden heeft en mij uit deze stromen, die mij naar een onbekend oord voerden, heeft gered.

Ik had haast mijn verstand verloren; het kostte ongeveer zes maanden om mijn ogen en oren des onderscheids geopend te krijgen. Sindsdien heb ik mij aan de Heer gewijd en ga ik voort Hem lof te brengen.” — Was getekend, P. S. Kang.

Wie was P. S. Kang, en hoe had hij de waarheid leren kennen?

Voor de bezoekers van een IBSA-congres in 1915 te San Francisco verhaalde broeder R. R. Hollister hoe hij de heer Kang had ontmoet. „In Korea leidde de Heer mij naar Kang Pom-shik,a die aanvankelijk op zuiver zakelijke basis in dienst werd genomen om wat vertaalwerk te doen”, zei Hollister. „Al gauw begon hij een intense persoonlijke belangstelling te krijgen voor de artikelen waaraan hij werkte en na enige maanden op ons kantoor te hebben doorgebracht, beleed hij zich volledig aan de Heer te hebben gewijd [opgedragen]. Vanaf dat moment is hij veel gebruikt bij het vertaalwerk en als tolk, bij het leiden van klassen en het besturen van het Koreaanse bijkantoor. Ik heb het onverdeelde genoegen hem op de Algemene Vergadering aan u voor te stellen, als een afgevaardigde van de ’Kluizenaar-natie’.”

MEER HULP UIT HET BUITENLAND

Zuster Fanny L. Mackenzie, een colportrice (volle-tijdpredikster) uit Groot-Brittannië, begon in 1915 periodieke bezoeken aan Korea te brengen, waarbij zij haar eigen reiskosten betaalde. Zij gebruikte een IBSA-briefhoofd om getuigenis te geven. Hoe? Door op de voorkant een boodschap over het Koninkrijk in het Engels te drukken en op de achterkant een vertaling daarvan in het Chinees, wat door de meeste mensen in de Oriënt kon worden begrepen.

In de brief werd aangeboden op proefbasis het boek Het Goddelijk Plan der Eeuwen achter te laten. Uit de bijkantoorverslagen blijkt dat zij 281 boeken heeft verspreid. Naast haar ijverige lectuurverspreiding betaalde zij ook broeder Kang het equivalent van $15 voor zijn persoonlijke onkosten. In 1949, op 91-jarige leeftijd, heeft zij deze verslagen overgedragen aan de huidige coördinator van het bijkantoorcomité, Don Steele, voordat hij naar Korea kwam.

DE EERSTE DRUKKERIJ

Broeder Kang, de verantwoordelijke gelastigde voor het werk in Korea, en zijn medewerkers bleven de boodschap verbreiden, maar de reactie was lauw. Niettemin maakten zij in 1921 „pelgrimstochten” om door het hele land openbare vergaderingen te houden en werd de brochure Millioenen nu levende menschen zullen nimmer sterven in de plaatselijke taal uitgegeven en verspreid. Korea werd nu toegevoegd aan de lijst van achttien bijkantoren van het Genootschap buiten de Verenigde Staten.

Het drukken van de boodschap in de Koreaanse taal buiten het land bracht veel ongemakken met zich mee. Bijgevolg stuurde broeder Rutherford broeder Kang in 1922 $2000 om een kleine drukkerij op te zetten met uiteindelijk zeven machines. De persen produceerden aan de lopende band lectuur in het Koreaans, Chinees en Japans. Toch was er in die jaren geen grote groei te zien.

ONDER NIEUWE LEIDING

Het Genootschap vestigde in de herfst van 1926 een bijkantoor in Japan en benoemde Joenzo Akasji, een Amerikaan van Japanse afkomst, als vertegenwoordiger voor Japan, China en Korea. Ondertussen wendde broeder Kang, die verantwoordelijk was geweest voor het werk in Korea, de drukkerij van het Genootschap aan voor eigen gebruik door wereldse boeken te drukken. Hij had zelfs de onbeschaamdheid om zonder toestemming de drukkerij te verkopen. Broeder Park Min-joon verving hem in 1927.

Broeder Park, een colporteur, was een getrouwe broeder die te voet het schiereiland had doorkruist om openbare bijeenkomsten te beleggen en lectuur te verspreiden. Bijzondere tegenstand ondervond hij van de protestantse zendelingen, maar de plaatselijke politie, toen Japans omdat Korea onder Japans bewind stond, kwam hem vaak te hulp.

Daar er tegen het jaar 1931 meer ruimte nodig was voor het kantoor, werd het verhuisd naar de woning van broeder Park, Key Dong 147 te Seoel.

Broeder Park kende de Engelse taal goed en vertaalde onder andere de boeken Verzoening en Regeering uit het Engels in het Koreaans. Door zijn beheersing van het Engels kon hij rechtstreeks met het Genootschap in New York corresponderen. Klaarblijkelijk was broeder Park echter niet zo bedreven in het Japans als Akasji wel verlangde, zodat hij in 1935 werd vervangen. Broeder Moon Tae-soon, een onderwijzer, kreeg nu de leiding over het werk. Op zijn ijver als volle-tijdwerker in het veld zou broeder Moon in de toekomst nog beproefd worden.

COLPORTEURSWERK

In 1930, toen broeder Lee Shi-chong 22 jaar was, droeg hij zijn leven aan Jehovah op en wijdde zich aan de colporteursdienst. „Ik was niet moedig genoeg om in de stad te prediken, dus schafte ik me een fiets aan en besloot in de provincies te gaan prediken”, zo vertelt broeder Lee ons. „Ik laadde mijn bagage en lectuur op mijn fiets en ging allereerst naar het provinciale bureau van de provincie Kyunggi. Ik aarzelde om naar binnen te gaan, maar ik dacht aan mijn missie als Koninkrijksgezant, een uitdrukking die ik vaak van de bijkantoorbeheerder had gehoord. Het resultaat was dat ik bij de ambtenaren verscheidene boeken verspreidde en ik zeer aangemoedigd was en van toen af vrijmoedigheid bezat.

Broeder Lee, die thans als ouderling in een van de gemeenten in Seoel dient, doorkruiste het land in alle richtingen, werkte in wat nu Noord-Korea is en zelfs in Mantsjoerije. Hij was gewoon bij het bureau in Seoel lectuur te bestellen en liet die dan voor zich uit naar het volgende dorp of de volgende stad sturen. Dit was drie jaar lang zijn leven tot 1933, toen het getuigeniswerk moeilijk begon te worden.

De berichten over het jaar 1931 laten zien dat de Koninkrijksverkondigers druk bezig waren. Zij bereikten 30.920 woningen, besteedden 11.853 uren in het veld en verspreidden 2753 boeken, 13.136 brochures en 3940 exemplaren van het tijdschrift Het Gouden Tijdperk. Korea had zijn eerste congres in 1932, van 11 tot 13 juni in Seoel, met 45 aanwezigen. In hetzelfde jaar werden er 50.000 exemplaren van de brochure Het Koninkrijk — De Hoop der Wereld in het Koreaans gedrukt voor gratis verspreiding. Aldus breidde het werk in Korea zich uit.

INVALLEN DOOR DE POLITIE

De militaristische regering van Japan reageerde scherp op deze toegenomen activiteit van Jehovah’s volk. De bijkantooropziener in Japan deed het volgende verslag, dat over zowel Japan als Korea handelt:

’Ik verliet Tokio voor een reis op 10 mei 1933 en ontving op 15 mei in Moekden (Mantsjoerije) per luchtpost een brief, waaruit ik vernam dat al het bureaupersoneel — vijf broeders — van ons bijkantoor [in Tokio] was gearresteerd en in de gevangenis geworpen en dat het werk op het bijkantoor gaande werd gehouden door zusters. Kranten van 16 en 17 mei wijdden bijna paginagrote verslagen aan de arrestaties van Jehovah’s Getuigen.

De politie viel de kantoren van het Genootschap in Tokio en Seoel binnen en legde beslag op onze gehele voorraad publikaties. U zult beslist blij zijn te weten dat de Japanse en Koreaanse broeders hun getrouwheid en rechtschapenheid jegens Jehovah en zijn gezalfde Koning bewaarden, zelfs onder de zware beproevingen.’

De hoeveelheid lectuur op het bureau van het Genootschap in Seoel die op 17 juni 1933 door de politie verbeurd werd verklaard, werd geschat op 50.000 stuks. De in Seoel verschijnende krant Tong’a Ilbo berichtte dat alles op achttien handkarren naar de rivier de Han in Seoel gebracht en in het openbaar verbrand werd. In het artikel stond verder dat op 15 augustus 1933 in de huizen van de broeders in de buurt van P’jengjang, dat nu in Noord-Korea ligt, ongeveer 3000 stuks lectuur in beslag genomen en vernietigd waren. Maar kwam door de invallen van de politie het getuigeniswerk stil te liggen?

HET WERK GAAT VERDER

Colporteur Lee Shi-chong, die vanwege de arrestaties naar Seoel werd teruggeroepen, herinnert zich: „De broeders herwonnen snel hun moed en vatten de prediking weer op met Het Gouden Tijdperk, de enige niet-verboden publikatie, en natuurlijk bleven wij onze vergaderingen houden.”

Het Gouden Tijdperk werd van 1933 tot 1939 in het Koreaanse veld gebruikt en stond als nieuwsblad geregistreerd. De prijs ervan bedroeg twee joen, het equivalent van één dollarcent. Hoewel de hoofdvoorraad lectuur vernietigd was, hadden veel van de broeders zelf nog enige boeken en brochures en deze werden onder de broeders geleend en geruild, opdat mensen die werkelijk geïnteresseerd waren, de boodschap konden ontvangen.

De vergaderingen werden wekelijks op zondag gehouden. De broeder die de vergadering leidde, sprak dan een uur, en als er nieuwelingen aanwezig waren, behandelde hij de fundamentele leerstellingen voor hen. De studieleider legde ook een Wachttoren-artikel uit, daar de anderen geen exemplaar hadden om de stof te volgen. De Wachttoren werd in brochurevorm in het Japans gedrukt. Gedurende de Japanse bezetting werden de Koreanen gedwongen de Japanse taal te gebruiken en bijgevolg konden zij die lezen, schrijven en spreken.

In Seoel waren echter maar enkele bekwame broeders om deze vergaderingen te leiden. Hoe kwam dat? Doordat de bijkantooropziener iedereen die hij maar als colporteur kon aanstellen naar verafgelegen gebieden stuurde. Ten gevolge daarvan waren de ervaren broeders over het schiereiland verspreid en niet in staat om samen te komen. Elke verdere verbetering in de manier waarop vergaderingen werden geleid, zou nu moeten wachten tot de komst van Wachttoren-zendelingen, maar dat zou nog wel even duren.

INVLOEDRIJKE FAMILIE ONTVLUCHT „BABYLON”

Nu alle Wachttoren-lectuur, met uitzondering van Het Gouden Tijdperk, verboden was, moest het werk omzichtig gedaan worden. De broeders moesten voorzichtig en verstandig zijn in hun komen en gaan. Ondanks het feit dat er geen geregelde georganiseerde bijeenkomsten werden gehouden, waren degenen die de waarheid aanvaardden, moedige en vastberaden personen.

De familie Ok is een markant voorbeeld. Zij waren allen zevendedagadventisten, ontwikkeld en economisch goed gesitueerd en hadden een voortreffelijke reputatie in de gemeenschap. Ok Ji-joons vader was ouderling in de kerk en rector van een adventistische school, en zijn vrouw Kim Bong-nyob was de boekhoudster van de plaatselijke school.

„Op een dag in 1937”, vertelt Ok Ji-joon ons, „vond ik toevallig een tijdschrift in de vuilnisemmer, Het Gouden Tijdperk. Daar ik erg godsdienstig was, had ik belangstelling voor de religieuze artikelen die erin stonden en las ze zorgvuldig. Enige dagen later bezochten twee mannen mij en boden mij meer lectuur aan van de ’Vuurtoren’. [Dit was de term voor „Wachttoren”, verkeerd vertaald en gebruikt door de Japanse bijkantooropziener en daardoor ook in Korea gebruikt.] Zij lieten mij iets lezen waarvan ik later vernam dat het een getuigeniskaart was. Ik nam graag alle boeken die zij hadden. Toen ik ze later las, ontdekte ik veel punten die in strijd waren met mijn adventistische geloof. Ik schreef naar het adres in Tokio dat op de laatste bladzijden van de boeken stond vermeld en bleef zo enige maanden een leerstellige discussie per brief voeren. Het bijkantoor in Tokio beantwoordde dan mijn vragen en sloot wat nummers van De Wachttoren bij, die op bepaalde plaatsen rood onderstreept waren.

De Adventkerk te Sariwun in de provincie Hwanghae, thans in Noord-Korea gelegen, maakte het mij moeilijk omdat ik vragen bleef stellen over deze pasgevonden waarheid. De predikant probeerde de vragen te ontwijken en zei hooghartig dat het stellen van zulke vragen aan de predikant, in het bijzonder aan iemand die een intieme vriend was van mijn vader, oneerbiedig was. Maar ik vond dat persoonlijke verhoudingen bijbelse discussies niet in de weg zouden moeten staan en dat hij mij een antwoord schuldig was. Mijn jongere broer herkende de waarheid ook en ging daarin met mij mee, evenals mijn oudere broer. Uiteindelijk staakten wij ons kerkbezoek.

Mijn vader keerde zich tegen ons. Toen mijn oudere broer en ik onze goedlopende fabriek van landbouwwerktuigen sloten ten einde tijd te hebben voor het predikingswerk, was hij woedend en zette ons het huis uit. Toch gaven wij het niet op, maar bleven proberen hem met de informatie uit De Wachttoren te overtuigen.”

De oudere broer van broeder Ok, Ok Ryei-joon, vertelt vervolgens hoe hun vader de ogen voor de waarheid werden geopend.

„Op een dag bezocht onze adventistische predikant ons en vertelde dat de inlichtingendienst van de politie onze kerk had opgedragen om het Japanse sjintô-heiligdom te bezoeken en daar Japanse goden te aanbidden en om bij de kerk de Japanse vlag te hijsen, de vlag te groeten en vóór iedere dienst het volkslied te zingen. De mening van de predikant zelf was dat de adventisten zich daarnaar zouden moeten schikken daar anders de kerk verboden zou worden en het met de adventisten gedaan zou zijn. De predikant had er bij het hoofdkantoor van de kerk naar geïnformeerd en bezocht ons toen om ons het antwoord mee te delen. Hun hoofdkantoor zei dat zij het bevel van de politie moesten gehoorzamen, hoewel het een grote beproeving zou zijn. Mijn vader was over die beslissing diep teleurgesteld.”

Hun vader wilde de opvatting van het Wachttorengenootschap in deze zaak weten. Ten einde die te weten te komen, ging hij met zijn zoons de bijbel bestuderen. Het gevolg was dat hij inzag hoezeer Jehovah’s Getuigen gelijk hadden. Het hele gezin — vader, moeder, vier zoons en twee schoondochters — ging niet langer naar de kerk.

„Later, in 1938, zond de Adventkerk een Amerikaanse zendeling naar ons huis. Hij vertelde ons dat hun zendelingen hadden besloten Korea te verlaten vanwege de onderdrukking door de Japanse regering”, vervolgt Ok Ryei-joon. „Hij zei ook dat het heel prijzenswaardig was dat wij ons wegens het probleem van de vlaggegroet en de aanbidding in sjintô-heiligdommen, als gezin uit de kerk hadden teruggetrokken en hij moedigde ons aan om een sterk geloof in Jehovah God te houden, zoals alle getuigen van Jehovah in Korea dat doen.”

Toen de bijkantooropziener uit Japan op bezoek was, werd op 19 november 1937 dit gehele gezin gedoopt. Thans dienen drie van deze broers als ouderling. Hun jongste broer, Ok Ung-nyun, stierf vanwege zijn standpunt in de neutraliteitskwestie, in 1939 in getrouwheid in een Japanse gevangenis.

EEN TIJDIGE WAARSCHUWING

Tijdens het laatste bezoek van Joenzo Akasji aan Korea in december 1938, kwam hij met dertig broeders samen in het huis van Moon Tae-soon in Seoel en waarschuwde hen dat zij spoedig zouden worden gearresteerd. Als dat gebeurt, waarschuwde hij, wees dan niet oneerbiedig tegenover de nationale vlag of de keizer. Maar hij zei hun ook, niet te schipperen. Hij drong er bij allen op aan zo veel mogelijk te prediken en daarbij de drie beschikbare brochures, Bescherming, Waarschuwing en Ziet de feiten onder de ogen, te gebruiken.

Akasji stond lang stil bij één punt in de nieuwe brochure Ziet de feiten onder de ogen dat de Koreaanse broeders nadelig zou beïnvloeden. De brochure moedigde jonge stelletjes aan „enkele jaren”, tot na Armageddon, te wachten met trouwen. Hij interpreteerde dit als zou het twee of drie jaar betekenen, in plaats van een periode van onbepaalde duur. Bijgevolg geloofden de Koreaanse broeders dat zij nog slechts enkele maanden hadden om te prediken en dan gearresteerd zouden worden en dat, terwijl zij gevangenzaten, Armageddon zou toeslaan.

Enige weken later begonnen de kranten de organisatie aan te vallen en noemden broeder Rutherford een „waanzinnige pacifist”. Toen in januari 1939 de zoon van Joenzo Akasji en een andere Japanse broeder militaire dienst weigerden, werd Akasji zelf op het legerhoofdkwartier in Tokio ontboden om uit te leggen waarom. Arrestaties van de broeders volgden — in Japan op 21 juni, op Taiwan op 22 juni en in Korea op 29 juni. Tot het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 zaten veel Getuigen herhaaldelijk enige tijd in de gevangenis.

VROEGE RECHTSCHAPENHEIDBEWAARDERS

Zuster Chang Soon-ok, een voormalig katholiek die de waarheid had leren kennen door het lezen van Het Gouden Tijdperk, vertelt ons hoe de situatie zich na die laatste bijeenkomst met Joenzo Akasji in Seoel ontwikkelde. „Degenen die zijn toespraak hadden gehoord, vertrokken met veel boeken naar het hun toegewezen gebied”, vangt zij aan. „Ik ging naar Poesan en predikte. Op 29 juni 1939 werd ik bij het aanbreken van de dag door een politieman gearresteerd. Wij waren met negen zusters en zaten samen met gewone misdadigers in dezelfde cel opgesloten. Het was er heet en vies en het stonk er. Wij hebben een jaar gevangengezeten voordat wij voor het gerecht werden gebracht.

In de gevangenis werden de gevangenen gedwongen om iedere ochtend de keizer te aanbidden. Omdat wij weigerden, werd onze ene hand achter de rug met handboeien aan de andere, die over onze schouder getrokken was, geklonken. Soms kregen wij dubbele handboeien om en soms werden twee personen rug-aan-rug aan elkaar geketend. Gedurende die tijd moesten iedere keer dat wij te eten kregen, onze handboeien afgenomen en van voren aangelegd worden. Na zeven maanden gaven zij het ten slotte op en namen ons de boeien af.

Toen onze gewone straftijd voorbij was, werden nog drie zusters en ik als onverbeterlijk in een kamp in Tsjoengzjoe in hechtenis gehouden. Eén bewaker vertelde de zusters dat iedereen in dat kamp binnen een paar dagen zou worden geëxecuteerd. Toen, plotseling, eindigde de oorlog en op 16 augustus 1945 werden wij ten slotte vrijgelaten. Tot op deze dag grijpt het mij aan als ik aan al die jaren in de gevangenis denk.”

De familie Ok behoorde ook tot degenen die werden gearresteerd. Lee Jung-sang, de vrouw van de oudste broer Ok Ryei-joon, vertelt wat zij hebben meegemaakt.

„Toen ik niet meer was dan een geestelijke baby — ik was nog geen twee jaar gedoopt — voerde de politie uit Seoel mijn man en zijn jongere broer, Ok Ji-joon, naar de gevangenis”, herinnert zij zich. „In die tijd werden de meesten van de Koreaanse broeders en zusters gearresteerd en uiteindelijk in de Sodaemun-gevangenis in Seoel gezet. De politie legde opnieuw beslag op alle publikaties van het Genootschap — dat dachten zij tenminste!

Kim Bong-nyo, mijn schoonzuster, een andere zuster die Kim Kyung-hui heette en ik gingen, terwijl wij nog vrij waren, naar de opslagruimte van het Genootschap en namen alle lectuur mee die wij konden dragen, daar wij van zins waren daarvan zo veel wij konden te verspreiden voordat wij zelf gearresteerd zouden worden. Het was november 1939 en wij gingen noordwaarts, naar P’jengjang; en terwijl wij daar werkten, werden ook wij gearresteerd wegens het verstoren van de vrede en het verspreiden van boeken die verboden waren. Wij werden gevangengezet in het politiebureau van Tongdaemun en later overgebracht naar de Sodaemun-gevangenis, waar de andere zusters waren. Op dat moment zaten er bij elkaar 38 broeders en zusters in de gevangenis.”

GETROUW TOT IN DE DOOD

Zuster Park Ock-hi, die nu op 86-jarige leeftijd speciale pionierster is, is nog een van die getrouwen die hebben gevangengezeten, en zij roept zich die moeilijke dagen weer voor de geest.

„Na de hele winter te hebben doorgebracht met het prediken van het goede nieuws in de provincie Kyungsang, in het zuiden van Korea, kwamen wij in februari 1939 thuis in Seoel”, zegt zij. „En mijn man, Choi Sung-kyu, werd onmiddellijk door de politie van het Tongdaemun-politiebureau in Seoel gearresteerd. De politie beschuldigde hem van weigering in de sjintô-tempel te aanbidden. Tijdens de twintig dagen dat hij in de gevangenis zat, kreeg hij tyfus en werd overgebracht naar een ziekenhuis. Na veertig dagen in het ziekenhuis te hebben gelegen, werd hij vrijgelaten, slechts om in juni 1939 samen met de andere broeders opnieuw gearresteerd te worden.

De zwager van mijn man had onder de Japanse regering een goede baan en hij stuurde een advocaat om zijn vrijlating uit de gevangenis te bewerkstelligen. De advocaat vertelde mijn man dat hij in het sjintô-heiligdom moest gaan aanbidden; alleen dan zou hij zijn vrijlating uit de gevangenis kunnen regelen. Mijn man wees zijn aanbod ter plekke van de hand en zei hem nooit weer te komen voor een bezoek. Mijn man schreef mij toen en vroeg: ’Wie heeft de advocaat gestuurd? Blijf wakker! Lees Romeinen 8:35-39.’ Deze brief moedigde ons allen die buiten waren zeer aan en de nieuwelingen waren vastbesloten Jehovah te blijven loven.

Later, in september 1941, werd ik opnieuw gearresteerd, maar slechts 15 dagen vastgehouden. Mij werd verteld dat aangezien mijn man op het punt stond uit de gevangenis te worden vrijgelaten, ik 500 won (250 dollar) moest brengen. Ik leende het geld en ging naar de gevangenis. Het was een donkere, koude avond. Mijn man lag op de grond, bedekt met een wit laken, meer dood dan levend. Hij was twee en een half jaar gevangen gehouden en nu werd mij 500 won gevraagd om hem in deze toestand vrij te krijgen! Acht uur later stierf mijn man, op 42-jarige leeftijd.

Ik werd voor de vierde keer gearresteerd in september 1942 en dit keer kwam ik in de Sodaemun-gevangenis in Seoel terecht, samen met andere gevangengezette zusters. Daar moesten wij onbeschrijflijke martelingen verduren.”

De bewaakster werd vaak nijdig op deze zusters omdat zij de Japanse keizer niet aanbaden. Het bracht voor haar extra werk mee. Voor iedere maaltijd moest zij hun handboeien en kettingen anders aanleggen. Maar blijkbaar heeft de getrouwheid van deze lieve zusters indruk op haar gemaakt. Het is verbazend dat zij meer dan twintig jaar later de bijbel begon te studeren, op een districtscongres met deze zusters herenigd werd en in 1970 werd gedoopt.

De broeders werden steeds weer ondervraagd daar de autoriteiten redenen zochten om hen gerechtelijk te vervolgen. Hun werd gevraagd: „Is het waar dat alle naties onder de invloed van de Duivel staan? Geldt dat ook voor ons grote Keizerlijke Japan? Ben je een Amerikaans spion? Wanneer zal Armageddon komen?” De broeders beantwoordden de laatste vraag door te zeggen: „Nadat het predikingswerk gedaan is.” Vervolgens uitten de autoriteiten dan de beschuldiging: „Door jullie prediking bespoedigen jullie de komst van Armageddon, wat betekent dat jullie de vernietiging van ons Keizerlijke Japan bespoedigen. Dus overtreden jullie de wet op de openbare orde.” Veel van de broeders werden daarop gearresteerd en voor twee tot vier jaar in de gevangenis geworpen.

Vijf van de 38 gevangengenomenen stierven in getrouwheid in de gevangenis, onder wie Moon Tae-soon, die onder de Japanse bijkantooropziener voor het werk had zorg gedragen.

DESILLUSIE NA DE TWEEDE WERELDOORLOG

Vanaf het moment in 1926 dat het werk in Korea onder het toezicht van het Japanse bijkantoor werd geplaatst, was Joenzo Akasji er verantwoordelijk voor geweest. Na hun vrijlating in 1945 keken de broeders naar hem op voor leiding. Maar Akasji, die een immoreel leven had geleid en onder druk met de waarheid had geschipperd, had Gods organisatie verlaten.

De Koreaanse broeders waren echter verontrust, omdat zij zijn onnauwkeurige uitleg van de „enkele jaren” die nog restten voor Armageddon, hadden geloofd. De kleine groep broeders raakte verdeeld. Enkelen die sterk waren in het geloof, waren van oordeel dat zij moesten blijven prediken; anderen verloren hun enthousiasme.

Na 1939 was er verscheidene jaren geen contact met Jehovah’s organisatie. De broeders voelden zich in de steek gelaten. Velen van hen geloofden dat hetgeen zij in Korea meemaakten, met de gehele organisatie overal ter wereld gebeurde. Hun was niet bekend dat het Wachttorengenootschap nog functioneerde, laat staan dat hun broeders in andere landen tijdens de Tweede Wereldoorlog hun rechtschapenheid hadden bewaard of dat er toename begon te komen. Nu er niemand was om de leiding te nemen en er geen verbinding was met de organisatie, vertraagde de ware aanbidding in Korea haar pas en kwam bijna volkomen tot stilstand.

„JEHOVAH’S GETUIGEN ZIJN WEER TOT LEVEN GEKOMEN”

Hoe kwam het dat de deur naar de ware aanbidding weer openzwaaide? Zuster Park Ock-hi legt uit:

„Na de bevrijding van de Japanners in 1945 vergaderden wij nog wel af en toe in mijn huis, hoewel verscheidene zusters nadrukkelijk beweerden dat het tijd was om op een ’geheime plek’ op Armageddon te wachten. Dit waren geen georganiseerde bijeenkomsten; de broeder die de vergadering leidde sprak ons meer toe aan de hand van de oudere beschikbare publikaties. Daartoe bleven onze activiteiten enkele jaren lang beperkt. Een van degenen die aanwezig waren, was mijn neef, Park Chong-il, een jonge knaap van vijftien jaar die later lid van het Koreaanse bijkantoorcomité zou worden.

Toen toonde op een dag in augustus 1948 broeder Choi Young-won ons tot onze verrassing een artikel in Stars and Stripes, de krant van het Amerikaanse leger. Daarin stond dat Jehovah’s Getuigen in de Verenigde Staten en elders zeer actief waren. Wij waren verrukt. Wij moedigden broeder Choi allemaal aan het Genootschap in de Verenigde Staten te schrijven. Dat deed hij en het Genootschap reageerde onmiddellijk en stuurde ons een pakket met lectuur. Blij vulden wij onze lectuurtassen met deze brochures en gingen in Seoel direct van huis tot huis. Het was heerlijk! Eén vrouw merkte zelfs op: ’Jehovah’s Getuigen zijn weer tot leven gekomen.’”

Op 24 juni 1949 kwam de eerste gemeente van Jehovah’s Getuigen tot stand, bestaande uit twaalf personen.

„WELKOM WACHTTOREN, GEZANT VAN HOOP”

Pas toen de eersten van een lange rij van getrouwe zendelingen arriveerden — uiteindelijk zouden het er in totaal 52 zijn — was er werkelijk een stevige schakel met het hoofdbureau van het Genootschap.

Nadat de gemeente in Seoel bij het Genootschap was ingeschreven, werden er regelingen getroffen om aan de Wachttoren-Bijbelschool Gilead opgeleide zendelingen naar het land te sturen. Hoewel zij aanvankelijk aan Japan waren toegewezen, werd van acht gegradueerden van de elfde Gileadklas de toewijzing veranderd in Korea. Don en Earlene Steelec werden uitgekozen om als eersten te gaan. Na stapels papierwerk werden door de Republiek Korea visa verleend en op 9 augustus 1949 arriveerden zij in Korea.

Vanwege de veiligheidsmaatregelen op de luchthaven Kimpo, stonden er slechts twee broeders te wachten om het echtpaar Steele te begroeten. Aan een afscheiding bij de landingsbaan hadden zij een doek gespannen, waarop stond: „Welkom Wachttoren, Gezant van Hoop”. Geen van deze broeders sprak een woord Engels, maar hun warme glimlach en vriendelijke handdruk waren alles wat het echtpaar Steele nodig had.

Nadat de Steeles in een klein hotel ondergebracht waren, werd er vergaderd met ongeveer tien broeders, onder wie de gemeentedienaar, Choi Young-won, die Engels sprak. Dit was in tien jaar het eerste contact met iemand die de organisatie vertegenwoordigde. Nu konden de broeders hun brandende vragen betreffende het resterende werk beantwoord krijgen. Dus werd er voor de volgende avond een vergadering belegd. In zijn eerste brief aan het Genootschap, gedateerd 12 augustus 1949, berichtte broeder Steele:

„Tot onze verbazing waren er veertig broeders en mensen van goede wil aanwezig. Wij brachten de groeten over van de broeders in de Verenigde Staten, spraken over Gods organisatie in deze tijd en beantwoordden toen veel van hun vragen. De broeders hebben in menig opzicht een diep inzicht en popelen beslist om te doen wat er gedaan moet worden. Slechts twee of drie hebben verkeerde ideeën; zij zijn verbitterd omdat de ’enkele jaren’ tot Armageddon die in de brochure Ziet de feiten onder de ogen worden genoemd, al zo lang duren.”

Het vinden van een huis voor de zendelingen was als het zoeken van de spreekwoordelijke speld in een hooiberg, daar Seoel 1.500.000 inwoners telde, twee keer zoveel als vóór de Tweede Wereldoorlog. Maar tegen het einde van augustus werd er een uitstekend pand gevonden dicht bij het centrum van de stad. Het was een in westerse stijl en degelijk gebouwd bakstenen huis dat voorheen in handen was van de Japanse regering maar nu door de Koreaanse regering werd beheerd. Het huis had vier slaapkamers, een grote woonkamer, een eetkamer en een keuken. Nu kon het Genootschap de andere zes zendelingen sturen. Dit pand diende niet slechts als zendelingenhuis en vergaderplaats voor de Koreaanse gemeente, maar zou te zijner tijd ook dienen als bijkantoor.

GEORGANISEERDE BEDIENING BEGINT

Er was maar een kleine voorraad lectuur beschikbaar en per post kwamen slechts enkele pakketten. Dus waren de twee zendelingen en de 28 plaatselijke broeders in de eerste daaropvolgende maanden gewoon de brochures aan de in het van-huis-tot-huiswerk gevonden geïnteresseerde personen te lenen, terug te gaan om de lectuur op te halen en ze weer bij anderen te gebruiken.

Op 1 januari 1950 werden vier verkondigers die dolgraag in de volle-tijddienst wilden staan, als pioniers aangesteld. Rond februari stond een kwart van de gemeente in de pioniersdienst, zeven in totaal, en de overige verkondigers werkten gemiddeld 33 uur per maand. Over het nabezoek- en bijbelstudiewerk, iets wat zij voorheen niet hadden gekend, waren zij gewoon verrukt.

De eerste volle maand van activiteit voor de zendelingen eindigde met een aantal van zestien bijbelstudies. De bijbelstudenten kwamen gewoonlijk liever naar het zendelingenhuis dan dat zij in hun eigen nederige woningen studeerden. Het probleem was niet het krijgen van studies, maar meer het vinden van personen die oprecht in de Koninkrijksboodschap geïnteresseerd waren en niet slechts in het leren van Engels of de omgang met buitenlanders.

Daar de zendelingen heel graag lectuur in het Koreaans wilden hebben voor gebruik in het veld, gaf het Genootschap opdracht het boek „God zij waarachtig” zo snel mogelijk te vertalen en te publiceren. Broeder Choi was de enige die kon vertalen. Maar hij had het zo druk met zijn werelds werk dat hij al moeite had om met het vertalen van De Wachttoren voor de wekelijkse studie bij te blijven. Om zijn last te verlichten werd aan twee personen die met de zendelingen studeerden, een docent Engels en een bankemployé, gevraagd bij dit werk te assisteren. Hun beperkte kennis van de waarheid en de organisatie in aanmerking genomen, was het een verrassing dat het een goede vertaling werd.

GEORGANISEERDE BIJEENKOMSTEN ZIJN STIMULANS VOOR BROEDERS

Pas na de komst van de zendelingen werd met een georganiseerde Wachttoren-studie begonnen. Nadat broeder Choi de les vertaald had, maakte broeder Park Chong-il er met carbonpapier met de hand negen kopieën van op dunne velletjes papier. Bij die eerste Wachttoren-studie op 14 augustus 1949 waren 47 aanwezigen, zodat zich rond elk velletje velen verdrongen om een aandeel aan de bijeenkomst te hebben. Daarna werd voor Korea de eerste dienstvergadering georganiseerd.

Broeder Shin Wan, die vroeger met de gemeente verbonden was geweest en nu terugkwam, dreef een kleine stencilwerkplaats, die goed werk voor het Koninkrijk ging doen. Nadat de les uit de Wachttoren was vertaald, werd er een afschrift gemaakt op een met was geprepareerd moederblad, waarna het materiaal werd gereproduceerd via de handrolmethode; op die manier werden allen die op de vergaderingen aanwezig waren, van een persoonlijk exemplaar voorzien. Geen handgemaakte kopieën meer!

DE ANDERE ZENDELINGEN ARRIVEREN

Allen in de gemeente zagen gespannen uit naar de komst van de overige zendelingen. Op 12 maart 1950 werden Winfield (Scott) en Alice Counts, Grace en Gladys Gregory, Norrine Miller (nu Thompson) en Florence Manso (nu Janczyn) in hun nieuwe toewijzing verwelkomd met een Koreaans feest en de traditionele, hartelijke gastvrijheid.

De nieuwe zendelingen hadden voordat zij in Korea aankwamen nog helemaal geen Koreaans geleerd, maar rond mei 1950 hadden de acht zendelingen elk gemiddeld twintig bijbelstudies. Bij hun lezingen voor de gemeente werden tolken gebruikt, maar de tolken, die slechts een gebrekkige kennis van het Engels hadden, waren soms verre van nauwkeurig. Toen bijvoorbeeld een zendeling de broeders aanmoedigde voor de dienst, gebruikte de tolk de term „militaire dienst”.

Nadat de eerste theocratische bedieningsschool was georganiseerd, werd er in de lente van 1950 ook begonnen met openbare vergaderingen. Die werden door zo veel personen bijgewoond, nu reeds 162, dat er regelingen werden getroffen voor een serie openbare toespraken, die in de aula van de Chae Dong-​lagere school gehouden zouden worden. Opmerkelijk was dat de eerste toespraak, getiteld „De bestemming van onze aarde”, in alle rust op 25 juni 1950 plaatsvond — de noodlottige dag waarop de Koreaanse Oorlog begon.

Broeder Steele berichtte later: „Toen ik op 25 juni mijn openbare lezing in de aula van een school in Seoel beëindigde, verwittigde de politie ons dat Zuid-Korea was aangevallen en dat er een avondklok was ingesteld. Overigens was de belangstelling voor de Theocratie zo toegenomen dat er tijdens deze laatste openbare lezing 336 personen aanwezig waren! De volgende nacht bezweek de Zuidkoreaanse verdediging en Seoel werd belegerd.”

DE KOREAANSE OORLOG

In juli 1949 was het hele bezettingsleger van zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie teruggetrokken; beide landen lieten enkele manschappen achter als adviseurs. Het schiereiland zou geteisterd worden door een van de meest verwoestende oorlogen uit de moderne tijd. Toen in juni 1950 de gevechten uitbraken, telde het Zuidkoreaanse leger nog geen 100.000 man, die slechts met lichte wapens uitgerust waren. De Noordkoreaanse strijdkrachten hadden echter een sterkte van ongeveer 135.000 man, waaronder een pantserbrigade. Bijgevolg had het Noorden het voordeel van geoefendheid en uitrusting, terwijl het Zuiden niet voorbereid was om de invasie af te wenden.

Op 28 juni viel de hoofdstad Seoel in handen van de Noordkoreaanse strijdkrachten, die het Zuidkoreaanse leger onder de voet liepen. De gevechten zouden over de 38ste breedtegraad op en neer blijven gaan, totdat er op 27 juli 1953 een wapenstilstand werd gesloten.

ZENDELINGEN GEËVACUEERD

De tweede dag na het uitbreken van de oorlog kondigde het American Forces Korea Network, dat Amerikaanse radioprogramma’s verzorgde, aan dat alle Amerikanen bevel kregen het land te verlaten. De zendelingen stonden voor een dilemma. Moesten zij blijven om met deze getrouwe Koreaanse broeders samen te werken of weggaan? De acht zendelingen kwamen bijeen, vroegen Jehovah’s leiding en bespraken de gespannen situatie. Blijven betekende een zekere gevangenzetting. Zij waren het er unaniem over eens dat zij moesten vertrekken. Uit de ontwikkelingen die volgden bleek dat zij de juiste beslissing hadden genomen.

In een later bericht van de zendelingen stond: ’Wij hadden slechts dertig minuten om het laatste konvooi dat de stad verliet te halen. Persoonlijke en huishoudelijke bezittingen werden aan de plaatselijke gemeentedienaar overgedragen. Op dat moment werd de stad gebombardeerd en in de wilde jacht naar de luchthaven Kimpo werden onze bussen beschoten. Wij zijn naar Japan overgevlogen en werken momenteel alle acht in Kobe.’

De gemeentedienaar in Seoel, broeder Lee Shi-chong, schreef ook dat de weinige buitenlanders die achtergebleven waren, allen op een „dodenmars” waren meegenomen.

Zo kwam er voor de acht zendelingen een abrupt en al te vroeg einde aan hun toewijzing in Korea: het echtpaar Steele was er iets meer dan tien maanden geweest en de andere zes net iets meer dan drie maanden. Maar in die korte tijd waren zij hun vurige Koreaanse broeders innig gaan liefhebben. Andermaal zou de Koreaanse organisatie van direct contact met het Genootschap verstoken zijn. In deze nieuwe omstandigheden stond elke Koreaanse Getuige thans persoonlijk voor de opgave de bediening voort te zetten en zijn christelijke neutraliteit te handhaven.

GETROUW ONDANKS ONTBERINGEN

Een groot deel van de bevolking, waaronder de broeders, leefde nu als vluchteling, daar 43 procent van Korea’s fabrieken in puin lag en 33 procent van de huizen vernietigd was. Woningen waren verwoest, persoonlijke bezittingen verdwenen. Voortdurende waakzaamheid was geboden om in leven te blijven. Verscheidene broeders kwamen om bij de beschietingen die vliegtuigen van beide legers uitvoerden. Enkelen, onder wie degenen die een schuilplaats hadden gezocht in het pand van het Genootschap, werden in koelen bloede door de soldaten doodgeschoten. Toch veronachtzaamden de overlevenden nooit hun opdracht om het Koninkrijk als de hoop voor de wereld te prediken. Zij bleven het waarheidszaad zaaien.

In de eerste paar dagen van de oorlog zat het grootste gedeelte van de bevolking van Seoel in de stad gevangen. De broeders wisten dat zij gedwongen zouden worden het Vrijwillige Volksleger in te gaan als zij niet naar het zuiden zouden vluchten. De broeders Park Chong-il en Ok Ung-suk hielden zich tot 5 juli in de stad schuil en staken toen heimelijk de Han over in een poging een „veilig” gebied ten zuiden van Seoel te bereiken. Zij kwamen op hun ontsnappingsroute langs talloze lijken, onklaar gemaakte tanks en verwoeste gebouwen, maar hoe dichter zij bij de gevechtslinies kwamen, hoe moeilijker het werd om buiten het gezicht van de Noordkoreaanse soldaten te blijven.

Op 15 september 1950 landde de Amerikaanse generaal MacArthur in Intsjon, waarna de stad Seoel van de Noordkoreaanse overheersing werd bevrijd, totdat het oorlogstij weer eens kenterde. Broeder Park keerde op 1 oktober 1950 in Seoel terug en besloot, geïnteresseerd in de reactie van de mensen, van huis tot huis te gaan. Zij bleken gespannen en bang te zijn.

Hoewel Roh Pyung-il nog niet gedoopt was, had hij vlak voor de oorlog ook al met problemen te kampen gehad. Hij was de schoonzoon van zuster Kim Chu-ok, die tijdens de Japanse bezetting in de gevangenis haar getrouwheid had bewezen. Gedurende de eerste Noordkoreaanse bezetting van Seoel vluchtte hij naar de bergen om een gedwongen inlijving in het Noordkoreaanse leger te ontlopen. Maar de soldaten kregen de rook van zijn kookvuurtje in de gaten en hij werd gegrepen. Hij werd naar de rand van de stad gebracht en bij een aantal andere jonge mannen gezet die waren opgepakt. Zij werden één voor één ondervraagd. Degenen die hun ondervragers niet tevreden konden stellen, werden terzijde genomen en neergeschoten. Roh dacht dat hij, onverschillig wat hij zou zeggen, toch gedood zou worden en was dus vastbesloten getuigenis te geven alvorens dat zou gebeuren.

Hem werd gevraagd waarom hij het Vrijwillige Volksleger ontliep. „Ik kan alleen Gods koninkrijk dienen”, antwoordde hij. „Te Armageddon zullen beide partijen in deze politieke strijd door God vernietigd worden en ik wil bij geen van beide partijen horen. Ik kan Gods wet voor geen enkele door mensen gemaakte wet die met de zijne in strijd is, overtreden. Ik ben niet bang om te sterven omdat ik in de opstanding geloof.”

Zijn ondervrager zei dat hij de eerste was die de waarheid sprak, maar hij zou niettemin aan de kant moeten gaan staan. De soldaten hieven hun geweren, richtten en vuurden, maar misten hem opzettelijk. Roh viel flauw, om kort daarna bij bewustzijn te komen, verrast dat hij nog leefde. Zijn eerste woorden waren: „Wat is de waarheid krachtig!”

OPNIEUW OP DE VLUCHT

Na twee en een halve maand van Zuidkoreaans bestuur gaf de Zuidkoreaanse regering op 24 december 1950 alle inwoners van Seoel, behalve degenen die de dienstplichtige leeftijd hadden, opdracht de stad weer te ontruimen.

Precies elf dagen later, op 4 januari 1951, bezetten de Noordkoreaanse en Chinese soldaten de stad opnieuw. Voordat het zover was, pakten de broeders evenwel de bezittingen die zij te voet of in een wagentje konden meenemen bijeen en begonnen opnieuw een leven als vluchteling. Zij namen ook verscheidene dozen met de brochure Vreugde voor heel het volk mee die zij nog in het zendelingenhuis aantroffen. Die werden in deze tweede vluchtelingenperiode gebruikt om waarheidszaden te planten.

Natuurlijk konden de jonge broeders de stad niet ontvluchten. Hoewel hun neutrale christelijke standpunt problemen opleverde, bleek het hun vaak het leven te redden, zoals broeder Park Chong-il al gauw ontdekte. Nadat het Noordkoreaanse leger de stad opnieuw was binnengetrokken, woonden hij en Cho Young-ha, een methodist die belangstelling had voor de waarheid en leraar was bij het voortgezet onderwijs, drie en een halve maand rustig in het huis van een zuster.

Broeder Park en zijn lotgenoot waren nog maar een paar dagen in hun schuilplaats toen de Noordkoreaanse geheime politie op hun deur kwam kloppen. De politie verdacht hen ervan hetzij spionnen of soldaten van het Zuidkoreaanse leger te zijn. Een inspecteur van politie keek hun handen na om te zien of zij vuurwapens hadden gehanteerd.

Zij vertelden de inspecteur: „Wij zijn christenen die niet aan de oorlog kunnen deelnemen en dus konden wij de stad niet verlaten, daar wij dan door de andere kant zouden zijn gepakt.” De politie gaf hun het bevel het huis niet te verlaten en dreigde dat zij de volgende dag zouden terugkeren. Zodra de politie weg was, vernietigden broeder Park en Cho Young-ha snel alle namen, adressen en foto’s die zij van de Getuigen hadden en namen zich toen voor om de politie de volgende dag getuigenis te geven, hoewel zij wisten dat zij gevangengezet zouden kunnen worden.

De volgende morgen kwam de politieman terug met een andere inspecteur. Broeder Park gaf zo’n anderhalf uur getuigenis, alsof hij een openbare toespraak hield. De mannen luisterden zonder hem te onderbreken en leken in zijn boodschap geïnteresseerd te zijn. Toen, na een paar vragen, gingen zij plotseling weg. Twee dagen later kwam een van hen terug met weer een andere inspecteur en hadden broeder Park en zijn vriend opnieuw de gelegenheid om getuigenis te geven. Daarna is er nooit weer politie gekomen. Toch zorgden zij ervoor het huis niet te verlaten. Cho’s geloof was zeer versterkt en hij kwam zonder meer in de waarheid.

De oorlogskansen keerden nu, de strijdkrachten van de Verenigde Naties waren naar het noorden opgerukt en hadden op 31 maart 1951 de 38ste breedtegraad weer bereikt. Seoel kwam opnieuw onder VN-bevel te staan. Park Chong-il was nu vrij het huis te verlaten. Hij ging op weg door de stad om te zien wat er van het zendelingenhuis geworden was, maar werd door VN-militairen aangehouden. De Zuidkoreaanse soldaten die bij de VN-militairen waren, bekeken hem achterdochtig. En dat was geen wonder! Na ruim drie maanden binnen te hebben gezeten, was zijn gezicht bleek en zijn haar lang. Daar broeder Park wat Engels kon, vertelde hij de Amerikaanse soldaten dat hij een van Jehovah’s Getuigen was, dat hij was omgegaan met Amerikaanse Wachttoren-zendelingen en dat hij naar het huis van de zendelingen ging kijken. De soldaten geloofden hem en lieten hem gaan.

WERK GAAT GESTAAG VOORWAARTS ONDANKS ONTREDDERING

De broeders, die nu vluchtelingen waren, vestigden zich hoofdzakelijk in vijf grote steden — Taizjon, Taigoe, Poesan, Tsjundzjoe en Koensan. De bevolking van deze steden dijde tot enige malen de normale grootte uit toen overal waar maar enige beschutting te vinden was mensen gingen wonen — onder afdakjes, op hellingen en in grotten.

Zuster Kim Chi-duk, die thans 87 jaar oud is en nog steeds pioniert, bevond zich onder de eerste Getuigen die in Taigoe arriveerden. Twee van haar zoons waren gedurende de oorlog gedood. Nu begon zij met twee andere van haar kinderen meteen te prediken. In een mum van tijd verspreidde zij alle lectuur die zij had meegenomen en benutte toen de tweede week om nabezoeken te brengen.

Samen met zuster Kim hield een andere vluchteling in Taigoe, broeder Lee In-won, vergaderingen met nog eens tientallen anderen. Voor deze vergaderingen en in de velddienst werden gestencilde hoofdstukken van de boeken „God zij waarachtig” en „Dit betekent eeuwig leven” gebruikt. De eerste gemeente die onder de vluchtelingen werd georganiseerd, bevond zich in deze stad Taigoe.

Broeder Ok Ryei-joon en zijn vrouw, Lee Jung-sang, die uit Noord-Korea gevlucht waren, vestigden zich in Tsjundzjoe. Zuster Lee vertelt ons wat er daarop gebeurde:

„Ik begon een bijbelstudie met vier vrouwelijke diakens van de Centrale Presbyteriaanse Kerk. Zij wilden niet de publikaties van het Genootschap gebruiken, alleen de bijbel. De geestelijkheid daar beschouwde ons als verachtelijke vluchtelingen en trachtte ons met prediken te laten ophouden; zij stuurden zelfs een woedende menigte op mij af. Deze vier vrouwen hielpen mij aan het gepeupel te ontsnappen. Ondanks de aanvallen van de geestelijkheid op mij gingen de vrouwen door met hun bijbelstudie. Het gevolg was dat uiteindelijk twintig personen die kerk verlieten en in de waarheid kwamen.”

ZENDELINGEN KOMEN TERUG

Onder de voortdurende oorlogsomstandigheden was het allesbehalve gemakkelijk Korea binnen te komen. Toch slaagde Don Steele er via veel ambtelijke molens in om, weliswaar alleen, terug te komen en hij arriveerde op 11 november 1951 in de haven van Poesan. Op dat moment werd door het hoofdkwartier van generaal MacArthur op elke missie slechts één persoon toegelaten en er mochten geen vrouwen het land binnen. Het zou nog een jaar duren voordat Dons vrouw, Earlene, zich bij hem kon voegen.

Op 17 november 1951 werd broeder Steele door het Amerikaanse leger toestemming verleend om Seoel te bezoeken. Hij vertelt ons wat hij en anderen aantroffen:

„Die middag liepen wij door de stad Seoel naar het zendelingenhuis. Van vrijwel alle grote gebouwen waren niet meer dan geraamten over. Het was in de stad zo stil als op het platteland. Er was alleen militair verkeer. Van een afstand kon ik het zendelingenhuis zien. Alle gebouwen eromheen waren volledig vernield, maar het zendelingenhuis stond er nog. Het was echter in één hoek door een granaat geraakt, die in de bakstenen muur een gat van een halve meter had geslagen. Alle ruiten waren gesprongen, het pleisterwerk van het plafond was naar beneden gekomen, de meeste deuren waren uit de hengsels gerukt en de elektrische bedrading was weggehaald.”

Diezelfde avond kwamen ongeveer 35 Getuigen, voornamelijk zusters, bijeen om naar de dienstlezing van broeder Steele te luisteren en werden er regelingen getroffen voor velddienst op de daaropvolgende dagen. De volgende morgen waren achttien personen present voor het groepsgetuigenis. Voordat de week van zijn bezoek voorbij was, hadden 24 verkondigers een velddienstbericht ingeleverd. Die kranige zusters die de hele oorlog in Seoel waren gebleven, oogstten nu de vruchten van hun harde werk.

De nieuwe verkondigers wensten gedoopt te worden — maar waar? De enige beschikbare voorzieningen waren de badhuizen, die nu uitsluitend door de soldaten van de VN gebruikt werden. Er werden regelingen getroffen om de nieuwelingen in de badhuizen te dopen voordat het VN-personeel dat er werkte arriveerde. Dus werden er op zaterdag 29 december 1951 vóór acht uur ’s ochtends 27 nieuwelingen gedoopt, onder wie de zuster van de voormalige koningin van Korea.

Poesan was de voorlopige hoofdstad van het land en de aangewezen plaats om van daar uit de broeders in het hele land te bedienen. Er werd een nieuwe stencilmachine besteld en ontvangen via de postdienst van het Amerikaanse leger. Tot ieders verrassing slaagden de broeders er ook in een van de eerste schrijfmachines met Koreaanse karakters te bemachtigen. Weer een grote stap voorwaarts voor de Getuigen in Korea!

In december 1951 en januari 1952 was broeder Steele in staat alle plaatsen waar gemeenten en groepen waren gevormd te bezoeken. Denkt u zich eens in: vóór de oorlog waren er in totaal slechts 61 verkondigers in die ene gemeente in Seoel. Tegen het einde van het dienstjaar 1952 was er een hoogtepunt van 192 verkondigers in vijf gemeenten, en dit ondanks oorlogsomstandigheden en in weerwil van het feit dat het grootste aantal broeders als vluchteling leefde.

In deze periode organiseerde het Genootschap ook een kledingactie. Er kwam twee ton kleding en schoeisel uit de Verenigde Staten.

EINDELIJK! DE WACHTTOREN IN GEDRUKTE VORM

September 1952 was een grote maand voor de Getuigen — het tijdschrift De Wachttoren werd bij de regering geregistreerd en er werd toestemming verleend voor publikatie. Aanvankelijk werden de gestencilde kopieën met de hand geschreven, maar na februari 1953 werden ze getypt. Van de eerste uitgaven, die 16 bladzijden telden, verschenen slechts zo’n 700 exemplaren.

De uitgave van De Wachttoren van 1 januari 1954 luidde het begin van de gedrukte tijdschriften in. De eerste gedrukte uitgave bedroeg 2000 exemplaren en vanaf de uitgave van januari 1955 telde het tijdschrift 20 pagina’s met een oplage van 5000 exemplaren. Het was een maandelijks tijdschrift dat door een commerciële firma in Seoel werd gedrukt. In 1961 werd het echter een halfmaandelijks tijdschrift, dat met ingang van de uitgave van januari 1967 werd uitgebreid tot 24 pagina’s.

Ten einde in het land een wettelijk erkende godsdienst te zijn, moesten de Getuigen een corporatie vormen. Daarom werd op 30 oktober 1952 de Wachttoren Songso Chaekja Hyuphoi Korea opgericht, met zes bestuurders en negen leden, en geregistreerd bij het Ministerie van Onderwijs. Deze corporatie wordt tot op heden als rechtspersoon gebruikt. Op 25 februari 1969 werd de registratie ervan bij regeringsbesluit ondergebracht bij het Ministerie van Cultuur en Informatie. Nu wij een wettelijke corporatie waren, was het mogelijk het pand te kopen dat de zendelingen vóór de oorlog hadden gebruikt.

BIJKANTOOR OPGERICHT

„Het is in Korea zo goed gegaan dat het haast te mooi is om waar te zijn”, schreef het Genootschap op 18 oktober 1952 aan de Koreaanse broeders. En toen, op 27 juli 1953, werd er een moeizame wapenstilstand gesloten, waarbij tussen Noord- en Zuid-Korea een gedemilitariseerde zone werd ingesteld. Tot op heden bestaat er geen communicatie tussen de twee Korea’s of tussen familieleden die door de gedemilitariseerde zone gescheiden zijn.

Tegen het einde van de daaropvolgende maand waren Don en Earlene Steele na het congres in New York bijgewoond te hebben in Poesan teruggekeerd. Zij waren verrukt te zien dat het dienstjaar 1953 afgesloten kon worden met 417 verkondigers in zeven gemeenten. Het Genootschap bepaalde dan ook dat vanaf 1 september 1953 de organisatie in Korea niet langer onder het bijkantoor van de VS zou vallen, maar het Koreaanse bijkantoor zou worden. Don Steele zou de bijkantoordienaar worden; tegenwoordig is hij de coördinator van het bijkantoorcomité.

Het Koreaanse bijkantoor werd in Seoel in hetzelfde huis ondergebracht dat de zendelingen vóór de oorlog hadden gebruikt. Aan het gebouw werden slechts de allernoodzakelijkste reparaties verricht. Het water moest nog steeds naar binnen worden gedragen en er was weinig elektriciteit. De zendelingen kozen de eerste verdieping en de plaatselijke gemeente gebruikte de begane grond voor de vergaderingen.

HULP VAN ONVERWACHTE ZIJDE

In de loop van de jaren hebben enkele van de duizenden Amerikaanse militairen die in Korea hebben gediend, niet alleen belangstelling getoond voor de waarheid, maar zijn ook geestelijk vooruitgegaan. Na teruggekeerd te zijn naar de Verenigde Staten en de nodige veranderingen in hun leven te hebben aangebracht, zijn zij actieve Getuigen geworden.

Sergeant eerste klasse Norbert Matz van het Amerikaanse leger was een markant voorbeeld. Hij wilde in een goede verhouding tot God staan. Dus begon hij toen hij nog in de Verenigde Staten gestationeerd was, met de Getuigen de bijbel te bestuderen. Hij maakte snel vorderingen, zo snel dat toen het leger hem naar Korea overplaatste, hij in feite in staat was om studies te leiden bij Koreanen. Hij assisteerde de broeders ook bij de theocratische bedieningsschool. Hoe? Er was geen leerboek voor de theocratische bedieningsschool in het Koreaans, dus hielp hij hen via een tolk om het materiaal voor de school te begrijpen. Hij hielp ook bij het organiseren van een doopplechtigheid op 30 juni 1953 en gebruikte militaire voertuigen voor het vervoer naar de plek waar de doop plaatsvond — 52 personen werden ondergedompeld. Hij bleek een grote hulp te zijn in de tijd dat de zendelingen niet in Seoel konden zijn. Thans dient broeder Matz als ouderling in een gemeente in de Verenigde Staten.

Eén bijbelstudent van Norbert Matz was een jonge Koreaanse legerarts, Chun Young-soon. Hij werd in 1953 gedoopt en begon spoedig daarna zijn carrière in de volle-tijddienst. Hij doorliep de Gileadschool, werd reizende opziener, toen Bethelopziener en dient thans als lid van het bijkantoorcomité. In datzelfde jaar 1953 werd Park Chong-il een tweede keer met de kwestie van de militaire dienst geconfronteerd. Opnieuw was hij voor de broeders, alsook voor anderen, een navolgenswaardig voorbeeld van christelijke neutraliteit.

HET EERSTE GROTE CONGRES

Toen in de herfst van 1953 eindelijk de staat van beleg werd opgeheven, was het mogelijk in Korea een districtscongres te houden — van 6 tot 8 augustus 1954. De plaats was de Chae Dong-​lagere school. Voor de eerste keer kwamen broeders uit het hele land samen. Men had een aantal aanwezigen van 700 verwacht, maar de eerste dag waren er al 1043, een aantal dat voor de openbare lezing op zondag nog toenam tot 1245. Velen die zich de donkere dagen van de Tweede Wereldoorlog herinnerden, gevolgd door de gruwelen van de Koreaanse Oorlog, stonden de ogen vol tranen van vreugde. Zij hadden nooit gedacht de dag te zullen meemaken dat zo veel personen zich aan Jehovah’s zijde geschaard zouden hebben.

Bijzonder op dit congres was de eerste massadoop. De man van een zuster die een functionaris bij de brandweer was, zorgde ervoor dat het zwembad bij de school met water werd gevuld nadat de broeders er het puin uit hadden gehaald dat er van de oorlog in was blijven liggen. Op die dag werden tot ieders aangename verrassing 284 personen, ofwel 23 procent van alle aanwezigen, ondergedompeld. Het werd nu duidelijk dat het bijkantoor heel wat werk voor de boeg had om al deze nieuwelingen te helpen geestelijke vorderingen te maken.

GILEAD STUURT MEER HULP

In maart 1955 kwam de tweede golf zendelingen in Korea aan — Milton en Liz Hamilton, Keith en Evelyn Kennedy, Karl Emerson, Norris Peters, Elaine Scheidt (nu Ness) en Druzilla (Dru) Craig (nu Youngberg). Een grote groep broeders haalde hen af van de luchthaven Yoido. In die tijd lag de luchthaven op een zandeiland in de Han dat tegenwoordig een stad in een stad is. Hoewel geen van de nieuwe zendelingen de taal kende, spraken de lachende gezichten, vreugdetranen en gebaren boekdelen. Nu zou het in het bijkantoor weer gonzen van werkers, daar het een combinatie van bijkantoor en zendelingenhuis was.

In april 1955, één maand nadat de zendelingen waren gearriveerd, werd Korea’s eerste kringvergadering gehouden. Wat een opwindende en nieuwe ervaring was dit voor de broeders! De zendelingen hadden zelfs aandelen aan het programma maar spraken via tolken.

EEN ZENDELINGENHUIS IN POESAN

In de herfst van 1955 werd er een zendelingenhuis geopend in de havenstad Poesan, hemelsbreed ongeveer 370 kilometer ten zuiden van Seoel. Poesan had destijds een bevolking van 1,1 miljoen zielen en slechts één gemeente van Getuigen. De Hamiltons, zuster Evalyn Myung Hae Park (nu Emerson) en een Koreaanse zuster gingen er wonen.

Vanwege het grote aantal vluchtelingen was huisvesting in de stad erg duur, maar er werd een kleine woning gevonden. Ze lag op de eerste etage en had twee kamers die als slaapkamer gebruikt konden worden plus een klein vertrek waar gegeten werd, terwijl de overloop als keuken diende. Er was geen stromend water en maar weinig elektriciteit beschikbaar, wat het koken, schoonmaken en wassen tot vervelende karweitjes maakte. Om het water drinkbaar te maken, moest het gekookt of gechloreerd worden.

Broeder Hamilton zegt: „De broeders hadden in die dagen niet veel, maar zij waren hartelijk en vriendelijk en hadden een vurige ijver voor de velddienst.”

In totaal hebben zeventien zendelingen in de stad Poesan gediend en tegenwoordig zijn er 51 gemeenten op een bevolking van 3,5 miljoen. De broeders daar hebben het altijd een voorrecht gevonden een zendelingenhuis in hun stad te hebben.

EEN GEDENKWAARDIG BEZOEK

Het gewichtige moment was aangebroken — de eerste officiële bezoeker van het internationale hoofdbureau sinds de dagen van broeder Hollister. Broeder Nathan H. Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, zette op 27 april 1956 op de luchthaven Yoido voet op Koreaanse bodem, waar 500 van de 1500 verkondigers hem verwelkomden. Don Adams van het bureau in Brooklyn en Lloyd Barry (thans lid van het Besturende Lichaam), die werd opgeleid voor het zonewerk in de Oriënt, vergezelden broeder Knorr.

Het zesdaagse bezoek van broeder Knorr was een mijlpaal in de theocratische geschiedenis van Korea. Zijn eerste lezing voor de 1330 aanwezigen op het nationale congres verzekerde hen dat zij werkelijk deel uitmaakten van Jehovah’s wereldwijde organisatie. Op dit congres werden 303 personen gedoopt in het kille voorjaarswater van de Han. Veelzeggend voor de toekomst was de menigte van 3473 personen die zich in het stadion van Seoel verzamelde voor de openbare toespraak „Alle mensen onder hun Schepper verenigen”.

Broeder Knorr besefte dat het er in Korea nu op aan kwam deze nieuwelingen te helpen geestelijk vooruit te gaan. De grootste verantwoordelijkheid hiervoor legde hij op de schouders van de leden van het bijkantoor en de zendelingen. Hij zag ook in dat sommigen te vroeg werden gedoopt, zonder voldoende kennis van de Schrift. Daardoor waren sommigen afgevallen. Dus gaf hij de broeders van het bijkantoor opdracht alleen nog op kringvergaderingen en congressen doopplechtigheden te houden. Dit hielp. Geïnteresseerde personen studeerden nu langer en waren langer met de organisatie verbonden voordat zij gedoopt werden, wat hen erop voorbereidde hun toekomstige verantwoordelijkheden als Getuigen na te komen.

EEN ZEGEN BIJ HET BIJBELONDERWIJS

Het bijbelstudiewerk kreeg in 1956 nieuwe dimensies met de vrijgave van de complete Koreaanse editie van het boek „God zij waarachtig”. Voor Koreanen is onderwijs een van de belangrijkere dingen in het leven, getuige het feit dat het analfabetisme tegenwoordig een luttele 8 procent bedraagt. Het bijkantoor heeft nooit lees- en schrijflessen hoeven organiseren. Dit is natuurlijk een zegen bij het onderwijzen van mensen uit de bijbel, en de verkondigers zijn daar zeer bekwaam in.

Interessant is ook de religieuze samenstelling van de bevolking. Ongeveer 20 procent van de 42 miljoen inwoners van Korea is boeddhist, nog eens 20 procent belijdt christen te zijn en de rest hangt geen specifieke religie aan. Overal in het land echter leeft het sjamanisme nog heel sterk, en het confucianisme beheerst de geesteshouding en waardebepaling van de meerderheid. De verkondigers zijn erop gespitst geweest bijbelonderricht aan te bieden aan iedereen die in godsdienstige verwarring verkeerde. De resultaten? Opmerkelijk!

In het jaar 1956 werden naast de elf zendelingen die al in het veld waren, twaalf personen aangesteld als speciale pioniers. Tot op heden brengen de speciale pioniers, thans zo’n 400 in getal, nog steeds voortreffelijke vruchten voort. Vroeger kwam de grootste toename uit de bevolking van de grote steden. Maar met de moderne middelen van communicatie en vervoer worden nu ook in de allerkleinste dorpen en steden waar speciale pioniers heen worden gezonden fijne resultaten geboekt.

EEN FAMILIE VAN VURIGE WERKERS

Broeder Park Young-shin, die kringopziener is, verhaalt hoe door de inspanningen van speciale pioniers en het boek „God zij waarachtig” zijn familie tot de ware aanbidding overging. Het begon in de stad Soentsjun in de provincie Tsjulla in het zuiden van Korea.

„In die tijd waren er drie speciale pioniers in de stad en toen mijn moeder bij de buren op bezoek was, nam zij van een van hen het tijdschrift De Wachttoren”, begint hij. „Mijn oudste zus en ik zeiden mijn moeder zo iets niet aan te nemen, daar de Getuigen onwetende ketters waren. Maar mijn moeder bleef erbij dat het haar aardige mensen leken die de bijbel gebruikten. Op dat moment kwamen er twee vrouwelijke Getuigen bij ons aan de deur. Ik vroeg wat het verschil was tussen hen en de protestanten. Hun verklaring klonk mij redelijk in de oren, ik nam het boek „God zij waarachtig” en stemde erin toe de bijbel met hen te bestuderen, niet om een van hen te worden maar om mijn bijbelkennis te vergroten.

Het duurde niet lang voordat ik inzag dat mij valse leerstellingen waren onderwezen. Het drukte zwaar op mijn geweten en uiteindelijk besloot ik uit de kerk te treden. Toen ik het de predikant vertelde, zei hij: ’Waarom Jehovah’s Getuigen? Als je zo nodig moest veranderen, had je naar de methodisten of de heiligheidkerk kunnen gaan. Je hebt de verkeerde religie gekozen.’

In oktober 1957 werden mijn moeder, mijn oudste zus en ik gedoopt, later gevolgd door mijn vader en andere kinderen — zeven kinderen in totaal. Mijn moeder is nu 73 jaar en gewone pionierster, terwijl mijn oudste zus sinds 1967 in de speciale pioniersdienst is en zo’n zestig personen heeft geholpen tot de opdracht en doop te komen. Mijn twee oudere broers zijn reizende opzieners.”

HIJ SPEELDE MONDHARMONIKA

Voor januari 1957 werd weer een nationaal congres georganiseerd vanwege het eerste van een reeks bezoeken van broeder Frederick W. Franz, de huidige president van het Genootschap. Hij was nog niet uit het vliegtuig te voorschijn gekomen of de broeders namen hem al onder de arm, rechtstreeks naar de congreshal, waar hij het publiek verraste door te zeggen dat het hem speet dat hij er 63 jaar over had gedaan om er te komen. Hij deed hun vervolgens een groot plezier door enige Koninkrijksliederen op zijn mondharmonika te spelen.

De broeders volgden de dagen na het congres broeder Franz waar hij maar ging, vol bijbelse vragen die gewoon gesteld móesten worden. Op een van die dagen was er om één uur ’s middags voor een diner gezorgd. Nadat iedereen van de smakelijke Koreaanse maaltijd had genoten, begonnen de broeders hun bijbelse vragen af te vuren en hielden broeder Franz tot zes uur ’s avonds bezig met het beantwoorden ervan. Broeder Franz raakte niet vermoeid, maar een van zijn vertalers wel, zodat er een tweede moest worden ingezet.

1958 — HET INTERNATIONALE „GODDELIJKE WIL”-CONGRES

Toen er weer twee zendelingen arriveerden, Bradley Ness en Bill Phillips, die op het pand in Seoel konden passen, waren de elf andere zendelingen in staat het internationale congres in de stad New York bij te wonen. Bovendien waren daar veertien Koreaanse afgevaardigden aanwezig. Na het congres werden twee broeders — Park Chong-il, die in 1956 de eerste op het bijkantoor woonachtige vertaler was geworden, en Kim Jang-soo — en twee zusters — Kim Kyung-hi en Lee Hae-young — uitgekozen om de Gileadschool te volgen.

Het „Goddelijke wil”-congres voor Korea vond in oktober plaats. Het werd in een openluchtstadion gehouden, waar op zondag 2800 afgevaardigden het frisse herfstweer trotseerden om aanwezig te zijn. Er werden 153 personen gedoopt.

HET KRINGWERK BREIDT ZICH UIT

Het bijkantoor heeft gedeeltelijk in de aanhoudende behoefte aan bekwame reizende opzieners voorzien door op Gilead opgeleide broeders in het kring- en districtswerk aan te stellen. Tot hen behoorden Norris Peters en Karl Emerson, die in 1955 naar Korea kwamen. Aanvankelijk waren tolken nodig als zij de gemeenten bezochten, totdat zij de taal beheersten. Broeder Chae Soo-wan, thans opziener op de Dienstafdeling en lid van het bijkantoorcomité, was officier in het Koreaanse leger toen hij begon te studeren. Hij werd in 1957 als kringopziener aangesteld en bezocht Gilead in 1962.

In de 54 gemeenten en de vele geïsoleerde groepen waaruit de vijf kringen bestonden, was tegen het eind van het dienstjaar 1958 een hoogtepunt van 2724 verkondigers. Door deze toename in het veld moesten er meer bekwame broeders voor de reizende dienst gevonden worden. Ok Ryei-joon en zijn vrouw kregen een aanstelling voor het kringwerk, evenals Milton en Liz Hamilton, het eerste zendelingenechtpaar dat in Korea in de reizende dienst ging.

Voor de Hamiltons betekende dit dat zij bij de plaatselijke bevolking woonden en zich helemaal moesten aanpassen aan hun manier van leven, die zo anders was dan het leven in het zendelingenhuis. Omdat zij buitenlanders waren, moesten zij nog leren dagelijks op de grond te eten en te slapen en eraan wennen op de vergaderingen in de Koninkrijkszaal op de grond te zitten. In die tijd was stromend water schaars en bestonden er geen loodgieters. Toch hoorde het allemaal bij het zendelingenwerk. Tegenwoordig dient broeder Hamilton in het bijkantoorcomité en als drukkerijopziener.

Broeder Park Ii-kyun begon in 1956 met de volle-tijddienst en vergezelde een van de zendelingen in de kringdienst als tolk. Na een opleiding op Gilead kreeg hij een toewijzing voor het bijkantoor en hij dient nu als lid van het bijkantoorcomité.

Toen Jerry en Barbara Tylich in 1966 in Korea aankwamen, werden zij aan een gemeente in Seoel toegewezen en naderhand dienden zij in een kring. In 1967 kregen eveneens Jim Tylich, Merlin Stoin en Durand en Rachel Norbom het kringwerk als toewijzing. De Norboms zijn thans lid van de Bethelfamilie te Kongdo. Rachel herinnert zich enkele van de vragen die haar werden gesteld als zij de gemeenten bezochten.

„Zelfs in het begin van de jaren ’70 was het nog iets bijzonders als een westerse vrouw op het platteland verscheen, en je moest wennen aan de zeer persoonlijke vragen die je werden gesteld”, vertelt zij. „’Hoe oud bent u?’ ’Bent u getrouwd?’ ’Hoeveel kinderen hebt u?’ en dan: ’Waarom hebt u er geen?’ In een bepaalde plaats verspreidde zich het gerucht dat er een Amerikaans echtpaar was gekomen om een paar kinderen ter adoptie mee te nemen naar de Verenigde Staten, en dus kwamen verscheidene vrouwen ons hun kinderen aanbieden, die, naar zij dachten, een welvarender leven zouden krijgen.”

Anderen die thans eveneens in een van Korea’s 43 kringen dienen, zijn Joseph Breitfuss (uit Oostenrijk), Perry en Geline Jumuad (van de Filippijnen) en John en Susan Wentworth (uit de Verenigde Staten). Zij zijn allen al veertien tot zeventien jaar in de zendingsdienst.

GEVAARLIJKE MOMENTEN TIJDENS ONLUSTEN

Broeder Milton Henschel kwam op 13 april 1960 per vliegtuig op de internationale luchthaven Kimpo aan. Zijn zonebezoek aan het bijkantoor viel samen met een vierdaags congres, dat op de openingsdag werd bijgewoond door 2385 personen.

Terwijl het „Vredezoekende bedienaren”-congres werd gehouden, trachtte de Koreaanse regering bloedige onlusten, waaraan duizenden studenten deelnamen, te beteugelen. Even verder in de straat waar het congres werd gehouden, vonden schermutselingen plaats. Het aanwezigenaantal op het congres steeg niettemin tot meer dan 4000 — het verheugende hoogtepunt op de openbare lezing. De Samil Dang-​gehoorzaal was tot de nok toe gevuld.

Daags na het congres, op maandagavond, was broeder Henschel voorzitter bij het huwelijk van een zendelingenpaar, Bradley Ness en Elaine Scheidt. Het bleek echter gevaarlijk te zijn om van de plaats waar het huwelijk voltrokken was bij een restaurant te komen. Broeder Henschel en verscheidene zendelingen verlieten de plaats van de huwelijksvoltrekking via een smalle straat. Plotseling zaten zij ingesloten tussen duizenden oproerige studenten die van de ene kant van de straat kwamen aanstormen en wagens vol gewapende politie die van de andere kant kwamen aanzetten. Broeder Henschel en zijn metgezellen snelden de straat over en doken het restaurant in, vlak voordat de twee partijen slaags raakten. Hun ontsnapping was verbazingwekkend! In het restaurant evenwel heerste een atmosfeer van rust en vrede.

Toen er weer vijf zendelingen aan Korea werden toegewezen, werden hun visa-aanvragen door de Koreaanse regering afgewezen, daar tegenstanders de Getuigen ervan hadden beschuldigd revolutionairen te zijn. Don Steele slaagde erin op 6 april 1960 een onderhoud te hebben met de ambassadeur van de Verenigde Staten, Walter McConaughy.

De ambassadeur zei broeder Steele dat het wel een heel bittere vorm van ironie is, Jehovah’s Getuigen ervan te beschuldigen revolutionairen te zijn. Hij had in een Oosteuropees land gediend en wist heel goed hoe hevig de Getuigen in Oost-Duitsland waren vervolgd. Maar hij wees er ook op dat Korea als soevereine staat het recht heeft visa te verlenen aan wie het wenst. Toch zou hij proberen te regelen dat broeder Steele een onderhoud had met de minister van Buitenlandse Zaken. Dit zou plaatsvinden op dinsdag 19 april 1960. Daar broeder Henschel, die een van de bestuurders van het Genootschap in de Verenigde Staten is, nog in Korea was, zou hij ook met de minister kunnen spreken.

De toestanden in het land verslechterden; de regering was niet in staat de onlusten te bedwingen. Het werd dinsdag. De broeders zouden de minister van Buitenlandse Zaken ontmoeten in de binnenstad, die het toneel was van de hevigste onlusten. De broeders wilden de afspraak nakomen en gingen onverschrokken op weg naar het Ministerie.

Het gebouw bleek hermetisch afgesloten te zijn met stalen rolluiken voor de ramen en overal zandzakken, daar degenen die in het gebouw zaten zich tegen de aanval van de studenten hadden verschanst. Kennelijk zou er die dag geen onderhoud zijn, en de slachtoffers die op straat lagen ontwijkend, renden de broeders Henschel en Steele zo snel zij konden door zijstraten terug naar huis.

Enige dagen later stelde het Ministerie van Buitenlandse Zaken het bijkantoor ervan in kennis dat de „reden” voor de afwijzingen „was weggenomen” en dat de visa zouden worden verleend. In juni van dat jaar arriveerden Russell en Dottie MacPhee, Delauris Webb (nu Peters), Audrey Wendell (nu Holmes) en Lois Dyke (nu Renter) om met de zendingsdienst te beginnen. Ook in Kwangdzjoe werd nu een zendelingenhuis betrokken.

TIJDELIJKE BEPERKINGEN

De regering van Syngman Rhee viel in de lente van 1960. Enige maanden later nam een formeel gekozen regering de macht over, slechts om in mei 1961 door een militaire staatsgreep te worden omvergeworpen. Opnieuw daalde de staat van beleg als een loden last op het hele land neer. Zelfs grote religieuze bijeenkomsten waren nu verboden totdat de nieuwe autoriteiten de situatie onder controle hadden. Toch had het vergaderingbezoek niet onder deze omstandigheden te lijden.

Toen de beperkingen werden opgeheven, moesten alle religieuze organisaties zich bij de nieuwe autoriteiten laten herinschrijven. Dit was een delicate kwestie waar een hele papierwinkel bij kwam kijken. Na verloop van tijd, op 25 november 1961, werd de Wachttoren Songso Chaekja Hyuphoi Korea opnieuw geregistreerd bij het Ministerie van Onderwijs.

’EEUWIGE GOEDE NIEUWS’-CONGRESSEN

Groot was de vreugde toen werd aangekondigd dat Korea in 1963 gastland zou zijn voor een van de ’Eeuwige goede nieuws’-congressen. Korea was toen een ontwikkelingsland. Hoewel tegenwoordig ieder jaar een miljoen of meer toeristen naar Korea komen, was dit — meer dan 400 personen uit negentien landen — in die tijd een van de grootste toeristengroepen die het land ooit hadden bezocht. Iedere Koreaanse Getuige zag dus reikhalzend uit naar de komst van de broeders uit het buitenland.

Het eerste vliegtuig, met 94 congresafgevaardigden uit het buitenland, kwam in de morgen van 24 augustus 1963 aan. Ook broeder en zuster Knorr waren aan boord. De chef van het protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken was aanwezig om broeder Knorr en zijn vrouw te verwelkomen, die toen voor de anderen uit werden meegenomen in een gereserveerde auto. Maar al spoedig haalde de door een speciaal politie-escorte begeleide rij bussen waarin de andere afgevaardigden zaten, de gereserveerde auto in en liet die ver achter zich.

De doop van 612 personen was de grootste tot dusver. De aankondiging dat de Koreaanstalige Ontwaakt! nu halfmaandelijks zou verschijnen, was voor alle aanwezigen een heuglijk bericht, want vanaf de eerste Koreaanse uitgave van 8 september 1959 was Ontwaakt! een maandelijks verschijnend tijdschrift geweest. Het aanwezigenaantal voor de openbare lezing groeide tot 8975, waaronder 3000 geïnteresseerde personen! Maar wat ook niet onvermeld mag blijven, was de toename voor dat jaar van 12 procent in verkondigers en een aanwezigenaantal van 9893 tijdens de Gedachtenisviering.

EERSTE UITBREIDING VAN HET BIJKANTOOR

Het werd steeds noodzakelijker de bijkantoorfaciliteiten uit te breiden ten einde de opmerkelijke groei in verkondigers bij te houden. Er was per slot van rekening in minder dan vijftien jaar een toename geweest van net een handjevol verkondigers vóór de Koreaanse Oorlog tot ruim 5000 aan het begin van het dienstjaar 1964. In augustus 1964 werd begonnen met de bouw van een nieuw gedeelte van drie verdiepingen, waardoor het bestaande vloeroppervlak driemaal zo groot zou worden.

De Bethelfamilie nam er op 1 mei 1965 haar intrek. Een primeur voor Korea was de nieuwe Koninkrijkszaal — er stonden stoelen!

BOEKEN MET PAPIEREN OMSLAG VOOR HET VELD

Ook 19 juli 1966 was een gedenkwaardige dag. Voortaan zou alle Koreaanse lectuur van het Genootschap in Korea worden gedrukt. Het bureau in de Verenigde Staten zou niet langer geschenkzendingen gebonden boeken hoeven sturen.

De boeken werden in één kleur op krantenpapier gedrukt en van een slappe kaft voorzien, daar de kosten van gebonden boeken ze buiten bereik van het publiek zouden brengen. Hoe dan ook, het was de boodschap waar het om ging en die zou dezelfde zijn. Bovendien was de meeste lectuur die destijds in Korea werd vervaardigd van een papieren omslag voorzien. Wat was de eerste publikatie? „Dingen waarin God onmogelijk kan liegen”.

De eerste 50.000 exemplaren van het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt, dat in januari 1969 in het Koreaans werd vrijgegeven, waren binnen een paar maanden uitverkocht. Het boek moest onmiddellijk worden herdrukt. De broeders maakten van dit goedkope instrument voor huisbijbelstudie een goed gebruik in het veld. Het aantal huisbijbelstudies vloog omhoog! Vrijwel allen die destijds in de waarheid kwamen, leerden door middel van deze publikatie de bijbelse grondleerstellingen kennen. Tot op deze dag zijn er alleen al in Korea meer dan 2,2 miljoen exemplaren van dit boek gedrukt en verspreid! Het aantal verkondigers van iets meer dan 8000 aan het eind van 1968 steeg tot meer dan 30.000 in 1982, toen het boek U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven werd vrijgegeven.

Het 22ste achtereenvolgende hoogtepunt in verkondigers van in totaal 10.610 werd juist voor het internationale „Vrede op aarde”-congres bereikt, dat in oktober 1969 in de Chang Choong-​sporthal te Seoel gehouden werd. Voor een publiek van 14.529 personen gaf broeder Franz het boek Is de bijbel werkelijk het Woord van God? vrij. Voor de eerste keer werd een publikatie in het Koreaans simultaan met die in het Engels vrijgegeven.

EEN GEWETENSKWESTIE

De Republiek Korea heeft een van de grootste legers ter wereld. Er geldt algemene militaire dienstplicht en aan geestelijken en gewetensbezwaarden wordt geen vrijstelling verleend.

Op 22 februari 1971 kwam er een aangetekende brief van de regering op het bijkantoor binnen. De brief beschuldigde de Getuigen ervan, mensen te leren geen nationalistische liederen te zingen en bij verkiezingen niet te stemmen en weloverwogen aan te moedigen tot het ontduiken van de militaire dienstplicht. Als antwoord op deze beschuldigingen legde het bijkantoor uit waarom Jehovah’s Getuigen geen anarchisten zijn en wat de bijbelse basis is voor onderworpenheid aan de superieure autoriteiten. Het bijkantoor zei dat de Getuigen zich in geen enkel bestuursproces mengen, ook niet in het stemmen of de dienstplicht.

De zaken verslechterden. Na van verdere ontwikkelingen te hebben vernomen, gaf broeder Knorr de broeders de raad naar de Amerikaanse ambassade te gaan. Dus hadden de broeders Steele en Hamilton op 24 maart 1971 een onderhoud van een uur met de Amerikaanse ambassaderaad, Francis T. Underhill. Na een levendige discussie over het werk van Jehovah’s Getuigen en hun standpunt in deze zaken, zei de heer Underhill dat hij het Ministerie van Buitenlandse zaken in Washington van de kwestie in kennis zou stellen. Er deden zich in die tijd echter geen verdere ontwikkelingen in de zaak voor.

In de loop der jaren hebben dus talloze broeders — jong en oud — deze problemen moeten trotseren. Sommigen konden hun opleiding niet afmaken of geen werk vinden. Weer anderen, die in rechtschapenheid hun leven hebben beëindigd, wachten op hun beloning, de opstanding.

HET GROOTSTE OOIT GEHOUDEN

De tijd kwam naderbij voor het derde internationale congres dat in Seoel zou worden gehouden, in de zomer van 1973. Het „Goddelijke zegepraal”-congres was de grootste vergadering die ooit in Korea werd gehouden — er waren meer dan 29.000 aanwezigen en er werden 2002 personen gedoopt.

De congresopziener, broeder Park Ii-kyun, vertelt erover: „Vanwege de onrust in het land was er van de zijde van de autoriteiten nog enige bezorgdheid. Daarom stuurde de politie 130 rechercheurs; in elk van de congresafdelingen werden er twee geposteerd en de overigen verspreidden zich over het hele stadion. De politie merkte op dat wij beter gehoorzaamden dan personen die gestudeerd hadden.

Als het bij sportevenementen en andere openluchtbijeenkomsten begint te regenen, breekt de hel los, daar iedereen in een wilde ren naar de uitgangen snelt. Tijdens een onderdeel van het congres begon het te stortregenen en de politie haastte zich om alle uitgangen open te gooien, maar tot hun verbazing ging er niemand weg. Nee, zij staken allemaal hun paraplu op en bleven rustig naar het programma zitten luisteren.

De stadionbeheerder vertelde mij ook dat het stadion nog nooit zo schoon was geweest en dat als hij het eens per maand aan Jehovah’s Getuigen kon verhuren, het altijd schoon zou zijn.”

EEN REDEN TOT BEZORGDHEID

In de lente van 1975 leek alles in orde. De Bethelfamilie verhuisde naar het nieuwe ruime gebouw en broeder Lloyd Barry kwam voor een bezoek over uit Japan om de inwijdingstoespraak te houden. Het dienstjaar 1975 werd afgesloten met een voortreffelijk velddienstbericht — met 8120 dopelingen dat jaar. Aldus waren er in slechts drie jaar tijd 19.600 personen gedoopt. Ruim de helft van de Getuigen in Korea was nog geen drie jaar in de waarheid.

De eerste maanden van het dienstjaar 1976 begonnen echter met een opvallende daling in het aantal verkondigers en huisbijbelstudies. Deze neerwaartse tendens zou meer dan drie jaar aanhouden en uiteindelijk neerkomen op een daling in het aantal verkondigers van 26 procent, van 32.693 in augustus 1975 tot 24.285 in november 1978. Het bezoekersaantal op de Gedachtenisviering daalde ook, van meer dan 68.000 in 1975 tot 49.545 in 1978. De broeders op het bijkantoor waren verbijsterd. Zou er een keer in deze tendens komen?

Natuurlijk lieten noch zij noch het Genootschap dit op zijn beloop. In de brief van 4 april 1977 van het Genootschap stond:

„Wij hopen dat de broeders zorgvuldig in hun onderwijs zijn. Klaarblijkelijk hebben sommigen heel sterk het jaar 1975 beklemtoond en werd er dus geen goed fundament gelegd. Het fundament moet natuurlijk geloof in Christus Jezus en het loskoopoffer zijn en de opdracht moet met begrip worden gedaan.”

Die opmerking liet aan duidelijkheid niets te wensen over! Door sommige bijbelonderwijzers was er te veel nadruk gelegd op een jaartal. Veel pasgedoopten hadden de waarheid in een opwelling aanvaard. Zelfs enige ouderlingen hadden hun verwachtingen op 1975 geconcentreerd. Als gevolg van de snelle economische groei in Korea sijpelde bovendien het materialisme het land binnen en het nationalisme was in opkomst. Het resultaat: onverschilligheid onder de broeders.

DE WEG TERUG, LANG MAAR GESTAAG

Meer dan 24.000 Getuigen, sterk in het geloof, waren door geen jaartal van hun stuk te brengen. Toch zou de weg terug naar een nieuw hoogtepunt in verkondigers acht lange jaren duren; het werd pas bereikt in augustus 1983.

Nu aanvaardde men de waarheid niet meer in een opwelling, en degenen die werden gedoopt, hadden zich met begrip opgedragen. Velen die inactief waren geworden, begonnen terug te keren, in het besef dat er echt geen andere plaats was om naar toe te gaan. Velen leerden door schade en schande dat de waarheid slechts op één plaats te vinden is.

EERSTE CONGRESHAL IN DE ORIËNT

In het midden van de jaren ’70 rezen er moeilijkheden bij het vinden van geschikte plaatsen voor kringvergaderingen en speciale gelegenheden. De broeders besloten dit probleem op te lossen door met eigen handen een congreshal te bouwen. Het ontwerp en de constructie waren eenvoudig, maar voldeden om alle aanwezigen een gerieflijke vergadering te bieden. Derhalve werd in april 1976 in Poesan de eerste congreshal van Jehovah’s Getuigen in de Oriënt ingewijd. Op dit ogenblik heeft Korea zeven congreshallen, waarvan 75 procent van de verkondigers gebruik kan maken.

WIJZIGINGEN IN DE PUBLIKATIE VAN TIJDSCHRIFTEN

In 1980 dwongen nieuwe regeringsvoorschriften het bijkantoor wijzigingen aan te brengen in de publikatie van de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! Als een organisatie twee tijdschriften uitgaf, zou er namelijk slechts één mogen blijven verschijnen. Het tijdschrift Ontwaakt! was een van de 67 periodieken die in november 1980 officieel werden opgeheven. Er werd door het Koreaanse bijkantoor alle mogelijke moeite gedaan om de beslissing terug te draaien, maar zonder resultaat.

Toen kwam er na twee maanden onverwacht bericht van de autoriteiten dat zij zouden toelaten dat er een bijlage van De Wachttoren werd gepubliceerd. De heilige geest werkte! De bijlage zou dezelfde datum als De Wachttoren voeren, ofwel de eerste en de vijftiende. Deze procedure wordt nog steeds gevolgd.

ZENDELINGEN GEWEERD

Daar de plaatselijke Koreaanse pioniers doeltreffend voor het veld kunnen zorgen, zijn de buitenlandse zendelingen in dat opzicht niet langer nodig. Wel zijn zij nog steeds nodig als het gaat om de geestelijke opleiding en opbouw van de broeders. Met dit in gedachten stelde het Genootschap in de herfst van 1977 vijf nieuwe zendelingen voor Korea aan. Maar tot grote verrassing van het bijkantoor konden zij geen visa krijgen. De zeventien zendelingen die reeds in het land dienden, konden blijven, maar er zouden geen nieuwe Wachttoren-zendelingen worden toegelaten. Bovendien zou aan degenen die er al waren geen nieuwe inreisvergunning worden verleend als zij het land verlieten.

De zendelingen hebben echter veel waardering voor het begrip waarmee de autoriteiten hen sinds eind 1987 tegemoet treden als zij op de gebruikelijke manier een inreisvergunning aanvragen.

EEN GIGANTISCH PROJECT

In de zomer van 1979 gaf het Besturende Lichaam het bijkantoor toestemming om te gaan zoeken naar een nieuw terrein voor het bijkantoor. Na een jaar gezocht te hebben, werd zo’n 65 kilometer ten zuiden van Seoel in Kyunggi Do, Ansung Kun, Kongdo Myun, een perceel landbouw- en bosgrond ter grootte van bijna vier hectare gevonden. Nu zou het bijkantoor in een omgeving komen die vrij was van vervuiling.

Vergeleken met de voorgaande uitbreidingsprojecten was dit van gigantische afmetingen. Het bijkantoor zou nu het drukken van tijdschriften ter hand nemen en zich voorbereiden op het drukken van boeken in de toekomst. Er heerste een lichte roes van opwinding toen op 8 mei 1982 de voltooide gebouwen werden ingewijd en de broeders Franz en Barry van het internationale hoofdbureau aanwezig waren om speciale toespraken te houden.

Door de hulp van de broeders in de Verenigde Staten en Japan, alsook de medewerking van een plaatselijk commercieel grafisch bedrijf, heeft het bijkantoor thans een eigen drukkerij. In zeer korte tijd nam de oplage van iedere uitgave van de tijdschriften toe tot bijna 200.000 exemplaren, zodat alle machines de hele dag in bedrijf waren.

In mei 1985, drie jaar nadat het bijkantoor naar Kongdo was verhuisd, werd door broeder Albert Schroeder van het Besturende Lichaam, die diende als zoneopziener, een nieuwe aanbouw ingewijd. Door de aanbouw werd het vloeroppervlak verdubbeld tot ruim 9000 vierkante meter. Het aantal verkondigers nam toe van 30.000 in 1982 tot meer dan 39.600 in 1985. Wat een groei!

Daar Seoel niet alleen de hoofdstad van Zuid-Korea maar ook hèt zakencentrum is, werd het noodzakelijk geacht daar het officiële kantoor van de corporatie te houden. Een prachtig nieuw gebouw dat dit bureau voor het bijkantoor, een Koninkrijkszaal en voldoende opslagruimte voor een lectuurdepot bevat, werd in Seoel gebouwd en op 20 december 1986 ingewijd. Vier leden van de Bethelfamilie wonen en werken daar.

EEN SNELLE ROTATIEPERS

Bijna 600 jaar geleden bevorderden de Koreanen de druktechniek door de eerste losse metalen drukletters uit te vinden. Tegenwoordig gebruiken de Koreaanse Getuigen de meest geavanceerde druktechnieken om de Koninkrijksbelangen te bevorderen. Met de computergestuurde apparatuur voor hun drukvoorbereidingswerk en een nieuwe Mitsubishi rotatieoffsetpers waar per minuut 500 tijdschriften van 32 bladzijden in vierkleurendruk afrollen, is het voor hen geen probleem voldoende tijdschriften en lectuur te produceren. Het idee om zo’n grote pers aan te schaffen, kwam in de zomer van 1983 op toen broeder Lloyd Barry, die hen als zoneopziener bezocht, zag hoe overbelast de drukkerij was.

Op dat moment stond de drukkerij helemaal vol. Er was absoluut geen ruimte op de vloer beschikbaar om een 118-tons pers van 26 meter lengte te plaatsen. Dit betekende dat er nog een gebouw, een tweede uitbreiding in Kongdo in amper vier jaar, moest worden opgezet. Tot op dat moment waren de Koreaanse tijdschriften drie maanden achter geweest op de Engelse uitgaven, dus het vooruitzicht om de tijdschriften simultaan met de Engelse edities te drukken, maakte al het werk de moeite waard.

Maar het importeren van zo’n pers had veel haken en ogen. Het beleid van de regering schreef voor dat er van regeringswege een aanbeveling moest komen, voordat er toestemming voor de import zou worden verleend. Dit was vrijwel onmogelijk. In de zomer van 1985 werd die beperkende bepaling echter opgeheven en de broeders van het bijkantoor vroegen onmiddellijk een importvergunning aan. Nog geen zes weken nadat de vergunning verleend was, veranderde de wet opnieuw en was weer een aanbeveling vereist. De heilige geest had de weg geopend en de broeders hadden gezwind gehandeld. Dus zoemt in het bijkantoor thans de drukpers, opdat de handen van de verkondigers gevuld blijven met lectuur die bij het getuigenisgeven wordt gebruikt.

DE VOORUITZICHTEN

Onder de bevolking staat Korea bekend als Tsjosen, het „land van de morgenstilte”. Jaren geleden vroegen de broeders zich af hoe zij ooit in staat zouden zijn om alle mensen in hun land met de Koninkrijksboodschap te bereiken en hoevelen van hen Jehovah zou kiezen als zijn „schapen”. — Matth. 25:32.

Thans is slechts 7 procent van het gebied niet toegewezen en het grootste gedeelte hiervan wordt in de zomermaanden door de verkondigers bewerkt. De gebieden in de steden worden meer dan eens per maand bewerkt. Het Koreaanse volk weet wie Jehovah’s Getuigen zijn, daar ruim een kwart van de meer dan 48.000 verkondigers in de gewone pioniersdienst zijn, naast degenen die maandelijks in de hulppioniersdienst staan. Ja, ook onder de Koreanen heeft Jehovah zijn schapen uitgekozen.

Het is zoals een bijbelschrijver het stelt: „Zaai in de morgen uw zaad en laat tot de avond uw hand niet rusten; want gij weet niet waar dit succes zal hebben, hetzij hier of daar, of dat beide even goed zullen zijn.” Het zaad is gezaaid en de oogst is goed gebleken. De toekomst ziet er stralend uit. Slechts door Jehovah’s geest heeft dit hier in Korea kunnen gebeuren. — Pred. 11:6.

[Voetnoten]

a In de Koreaanse spreek- en schrijftaal komt de familienaam altijd eerst.

b Getrouwde vrouwen behouden hun meisjesnaam.

c Na 36 jaar getrouwe zendingsdienst in Korea is Earlene Steele in 1985 na een langdurige ziekte overleden.

[Kader/Illustraties op blz. 193]

Op 23 mei 1987 werd een aanbouw van drie verdiepingen aan het bijkantoor in Kongdo door Milton G. Henschel van het Besturende Lichaam ingewijd. De nieuwe drukkerij huisvest een nieuwe, 118-tons vierkleuren-rotatieoffsetpers. Broeder Henschel sprak tot 2060 personen die op het bijkantoorterrein bijeen waren. Dit is de tweede belangrijke toevoeging aan het bijkantoor sedert 1982

[Illustratie]

Het oorspronkelijke woongebouw, ingewijd in 1982

[Illustratie]

Het kantoorgebouw, de drukkerij (het crèmekleurige gedeelte in het midden) en rechts het woongebouw, ingewijd in 1985

[Illustratie]

Het nieuwe gebouw, rechts, ingewijd in 1987

[Illustratie]

Door de architect gemaakte schets van het Koreaanse bijkantoor

[Kaart/Illustraties op blz. 136]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

KOREA

CHINA

U.S.S.R.

Gele Zee

P’jengjang

Sariwun

GEDEMILITARISEERDE ZONE

SEOEL

Intsjon

Han

Ansung-Kongdo

P’jungtaek

Taizjon

Koensan

Taigoe

Tsjundzjoe

Poesan

Kwangdzjoe

Tsjedzjoe

Japanse Zee

JAPAN

[Illustratie op blz. 143]

Lee Shi-chong, een colporteur die in het begin van de jaren ’30 op de fiets de plattelandsgebieden afreisde om de Koninkrijksboodschap te verbreiden

[Illustratie op blz. 146]

Ok Ung-doo, Ok Ryei-joon en Ok Ji-joon (van links naar rechts) werden tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar beproefd

[Illustratie op blz. 153]

Choi Sung-kyu had het vanwege zijn geloofsovertuiging zwaar te verduren en stierf in 1941, maar zijn geloof was een grote aanmoediging voor zijn broeders

[Illustratie op blz. 157]

Zendelingen en bijkantoorfamilie voor het vergrote bijkantoor in Seoel. Het nieuwe gedeelte rechts werd in 1975 ingewijd

[Illustratie op blz. 159]

Earlene en Don Steele, de eerste Wachttoren-zendelingen in Korea, augustus 1949

[Illustraties op blz. 175]

Broeders en zusters verwelkomen Nathan H. Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, nadat zijn vliegtuig op 27 april 1956 op de luchthaven Yoido is geland. Don Adams en Lloyd Barry vergezelden hem

[Illustratie op blz. 178]

De huidige president van het Wachttorengenootschap, Frederick W. Franz, beantwoordt de ontvangst van de afgevaardigden op het congres dat in januari 1957 in Seoel werd gehouden, met een potpourri van Koninkrijksliederen op zijn mondharmonika

[Illustraties op blz. 180]

Durand en Rachel Norbom en Liz en Milton Hamilton (van links naar rechts), twee zendelingenechtparen die respectievelijk meer dan 20 en 33 jaar in Korea zijn

[Illustratie op blz. 181]

Zendelingen die in de reizende dienst zijn. Van links naar rechts: Susan en John Wentworth, Geline Jumuad, Joseph Breitfuss en Perry Jumuad

[Illustraties op blz. 183]

Kim (Phillips) Kyung-hi, Evalyn Park (Emerson) en Liz en Milton Hamilton betrokken in 1955 het zendelingenhuis in Poesan

Keith en Evelyn Kennedy, Karl Emerson, Druzilla Craig (Youngberg), Elaine Scheidt (Ness), Norris Peters en Earlene en Don Steele op de stoep van het door granaatscherven beschadigde bijkantoor en zendelingenhuis in Seoel, 1957

[Illustratie op blz. 191]

Deze broeders van het bijkantoorcomité zijn gemiddeld 37 jaar in de volle-tijddienst. Op de voorste rij, van links naar rechts: Chae Soo-wan, Don Steele (coördinator van het bijkantoorcomité) en Chun Young-soon. Op de achterste rij, van links naar rechts: Park Ii-kyun, Milton Hamilton en Park Chong-il

[Illustratie op blz. 194]

Medewerkers van de bijkantoren van Japan en Korea werkten en leerden samen, nadat de 26 meter lange vierkleurenpers in 1986 in het nieuwe gedeelte van het bijkantoor in Kongdo was geïnstalleerd

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen