Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w26 juni blz. 26-30
  • Ik dien Jehovah al 70 jaar op Cuba

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik dien Jehovah al 70 jaar op Cuba
  • De Wachttoren – Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2026
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE MOEILIJKE TIJD BEGINT
  • PIONIER, ECHTGENOOT EN VADER
  • DE KRINGDIENST TIJDENS HET VERBOD
  • VREUGDE ONDANKS VERANDERINGEN
  • „Mijn droom is uitgekomen”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2012
  • Theocratisch nieuws
    Onze Koninkrijksdienst 1995
  • Een bericht van getrouwheid
    Ontwaakt! 1981
  • Jehovah had aandacht voor mijn gebeden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2024
Meer weergeven
De Wachttoren – Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2026
w26 juni blz. 26-30
Gustavo en Emilia Joseph.

LEVENSVERHAAL

Ik dien Jehovah al 70 jaar op Cuba

VERTELD DOOR GUSTAVO JOSEPH

IK BEN geboren in 1947 op het prachtige Caribische eiland Cuba. Het ligt daar waar het warme water van de Caribische Zee en de Atlantische Oceaan samenkomen. Na mij kregen mijn ouders twee dochters. Met zijn vijven woonden we in het plaatsje Esmeralda.

Ik kan me nog herinneren dat we in Esmeralda een onbezorgd leven hadden. Er woonden veel familieleden in de buurt, waaronder ooms en tantes en grootouders. We hadden genoeg te eten en waren gelukkig.

Toen ik een jaar of vijf was, begonnen mijn ouders met Bijbelstudie. Ze kregen studie van Walton Jones, een ijverige prediker die zo’n tien uur moest lopen om ons dorp te bereiken. Veel familieleden kwamen dan samen in het huis van mijn grootouders, waar ze urenlang met hem over de Bijbel praatten. Mijn ouders, oom Pedro en tante Ela vonden de studie geweldig en lieten zich al snel dopen. Ela is nu bijna 100 en pioniert nog steeds in Cuba.

In die tijd waren er in Cuba geen beperkingen op het werk van Jehovah’s Getuigen. We stonden erom bekend dat we met tassen vol Bijbelse lectuur van huis tot huis gingen. En we liepen wat af! Ik heb mooie herinneringen aan die periode. Het was een ‘gunstige tijd’ om Jehovah te dienen. Maar er stond een ‘moeilijke tijd’ voor de deur (2 Tim. 4:2).

DE MOEILIJKE TIJD BEGINT

Rond mijn vijfde gingen mijn vader en mijn oom naar een congres in een ander deel van het eiland. Maar door besmet water liepen ze tijdens de reis allebei tyfus op. Daardoor verloor mijn oom zijn haar, maar hij bleef in leven. Met mijn vader liep het niet goed af. Hij was 32 toen hij overleed.

Na de dood van mijn vader besloot mijn moeder met ons bij haar broer in te trekken, die in het plaatsje Lombillo woonde. Dat betekende dat we veel geliefde familieleden moesten achterlaten, waaronder onze grootouders. Maar mijn moeder bleef samen met mij en mijn zusjes Jehovah dienen.

Ik was tien toen ik me op 26 augustus 1957 liet dopen in een meertje bij Lombillo. Ik had toen geen idee dat nog geen twee jaar later voor de Getuigen in Cuba alles zou veranderen. In 1959 werd de regering ten val gebracht en nam een communistisch regime de macht over.

De nieuwe regering hechtte veel belang aan een sterk leger. Dat had invloed op Jehovah’s aanbidders, die overal ter wereld neutraal blijven in politieke en militaire kwesties. De vrijheid van aanbidding die we zo lang hadden gehad, werd geleidelijk steeds meer beperkt. Uiteindelijk werd ons werk verboden. Honderden trouwe broeders werden gevangengezet. Sommige werden herhaaldelijk geslagen en kregen amper te eten. Soms kregen ze voedsel waar bloed in zat, maar ze bleven trouw aan het Bijbelse gebod.

Ondanks de uitdagingen konden we blijven samenkomen om Jehovah te aanbidden (Hebr. 10:25). We hadden zelfs grote vergaderingen op boerderijen en andere bijzondere locaties. Ik weet nog dat een broeder een keer zijn grote schuur aanbood. Het lukte niet om de schuur van tevoren schoon te maken en de schapen eruit te krijgen. Maar de vergadering ging door – met figuurlijke én letterlijke schapen! (Micha 2:12)

We waren dankbaar dat de broeders zo hard werkten om ons geestelijk voedsel te geven. Ze namen bijvoorbeeld de lezingen voor de grote vergaderingen op cassettebandjes op, die vervolgens door het hele land werden verspreid. Soms waren er maar twee broeders die alle lezingen voorbereidden, hielden en opnamen. Omdat dat op geheime locaties gebeurde, hoorden we soms vreemde achtergrondgeluiden, zoals het gekraai van een haan. Als er geen elektriciteit was, moest een broeder op een stilstaande fiets met een dynamo hard trappen om de cassetterecorder af te spelen. Op die manier kon iedereen het programma horen. De omstandigheden waren misschien niet ideaal en er was niet zo veel lectuur als in andere landen, maar we kwamen nooit geestelijk voedsel tekort. En we waren blij dat we samen Jehovah konden aanbidden (Neh. 8:10).

PIONIER, ECHTGENOOT EN VADER

Toen ik 18 werd, begon ik met de pioniersdienst in de stad Florida. Ongeveer een jaar later werd ik aangesteld als speciale pionier in Camagüey, de hoofdstad van de provincie. Daar leerde ik Emilia kennen, een knappe zuster uit Santiago de Cuba. We kregen verkering en binnen een jaar trouwden we.

Collage: 1. Gustavo met zijn klasgenoten op een groepsfoto. 2. Gustavo en Emilia die glimlachend bij hun bruidstaart staan.

(Links) Koninkrijksbedieningsschool voor ouderlingen in Camagüey (1966)

(Rechts) Onze trouwdag (1967)

Ik begon fulltime te werken in een van de vele suikerfabrieken van de staat. Emilia en ik konden niet meer pionieren, maar we wilden nog zo veel mogelijk in Jehovah’s dienst doen. Ik regelde dat ik de vroege dienst kreeg, van 3.00 tot 11.00 uur. Ik vond het niet echt fijn om zo vroeg op te staan, maar daardoor kon ik wel actief blijven in de dienst en met Emilia naar alle vergaderingen gaan.

In 1969 werd onze eerste zoon geboren, Gustavo. Ik was gevraagd om de volletijddienst weer op te pakken, dit keer in de kringdienst. In die tijd was het in Cuba niet ongebruikelijk om in de kringdienst te zijn terwijl je een gezin had. Het was een van de drukste maar leukste periodes in ons leven. Emilia en ik vonden het een groot voorrecht om onze broeders en zusters op deze manier te dienen. In de tijd dat we in de kringdienst waren, kregen we nog twee zonen, Obed en daarna Abner. En een paar jaar daarna werd onze dochter Mahely geboren.

Als ik terugdenk aan onze tijd in de kringdienst, ben ik blij dat ik heb kunnen zien hoe Jehovah zijn volk in Cuba heeft gezegend. En hij heeft ons echt geholpen onze kinderen liefde voor hem bij te brengen. Maar ik wil graag nog wat meer vertellen over ons leven in de kringdienst.

DE KRINGDIENST TIJDENS HET VERBOD

In de jaren 60 en 70 begonnen we steeds meer de gevolgen te voelen van het verbod op ons werk. Koninkrijkszalen werden gesloten. De zendelingen moesten het land uit. Veel jonge broeders werden gearresteerd en gevangengezet. En het bijkantoor in Havana moest sluiten.

Gustavo en Emilia met de Spaanse ‘Ontwaakt!’ in hun handen.

Kringdienst in de jaren 90

Vanwege het verbod konden we de gemeenten alleen in het weekend bezoeken. Elk bezoek bestond uit twee opeenvolgende weekenden. We hadden niet veel bagage en gingen vaak op de fiets, omdat dat het minst opvallend was. Onze bezoeken vonden in het geheim plaats. Het moest lijken alsof we familie bezochten, maar dat was niet moeilijk. Sterker nog, het was soms zo gezellig dat we bijna vergaten wat het doel van ons bezoek was (Mark. 10:29, 30). Toch moesten we voorzichtig zijn. We werden vaak door de politie gevolgd en ondervraagd. Als we ontdekt zouden worden, liepen degenen bij wie we logeerden het risico gearresteerd te worden (Rom. 16:4).

Veel broeders en zusters waren ondanks hun armoede heel gastvrij voor ons. In sommige gebieden leek het wel alsof er meer muggen waren dan mensen, maar broeders en zusters gaven ons dan hun enige klamboe zodat wij rustig konden slapen. We werden zelfs uitgenodigd door broeders en zusters die zelf maar weinig te eten hadden. Soms namen we ons eigen eten mee om te delen met degenen bij wie we te gast waren.

Als we gemeenten bezochten, konden we niet alle kinderen meenemen. Dus ging er steeds één kind mee terwijl de andere kinderen bij mijn moeder en mijn zus bleven. Reizen met een baby heeft ons zelfs beschermd. Soms werden onze spullen door de politie doorzocht. Maar dan was het handig dat we lectuur konden verstoppen in de tas met vieze luiers. Daar keek de politie nooit.

Ik heb veel bewondering voor alles wat Emilia in al die jaren volletijddienst heeft gedaan om voor de kinderen te zorgen terwijl ze mij ondersteunde. Ik moest mijn werk als kringopziener zien te combineren met mijn werk in de fabriek. Hoe deed ik dat? Soms moest ik een of twee keer per week een dubbele dienst draaien om in het weekend vrij te zijn. Toen ik later voorman van een ploeg werd, werd ik zeven dagen per week verwacht. Daar viel niet over te onderhandelen. Maar zolang ik zorgde dat mijn ploeg in het weekend genoeg werk had, kon ik weg om de gemeenten te bezoeken. Voor zover ik weet, heeft geen van mijn opzichters ooit gemerkt dat ik in het weekend weg was.

VREUGDE ONDANKS VERANDERINGEN

Gustavo houdt een lezing op een congres in 1994.

Eerste congres na het verbod (1994)

In 1994 werden alle reizende opzieners op Cuba, 80 in totaal, uitgenodigd voor een speciale bijeenkomst in Havana. Het was geweldig om elkaar na al die jaren eindelijk te ontmoeten. Op de vergadering werden eerst enkele organisatorische veranderingen besproken. Maar toen kwam er een schokkende mededeling. De broeders zeiden dat ze onze namen wilden doorgeven aan de overheid! We snapten niet waarom.

Ze legden uit dat er gesprekken waren geweest met overheidsfunctionarissen om de relatie tussen de overheid en Jehovah’s Getuigen te verbeteren. De overheid had gevraagd om een lijst met de namen van de reizende opzieners. Iedereen stemde ermee in dat zijn naam werd doorgegeven. Vanaf die tijd hadden de gesprekken met de overheid goede resultaten.

Na verloop van tijd konden we weer in vrijheid samenkomen en prediken, hoewel we nog geen wettelijke status als godsdienst kregen. Later kwamen we erachter dat de overheid de namen van sommige reizende opzieners al had en alleen een bevestiging van ons wilde hebben.

In september 1994 kregen we toestemming om weer een bijkantoor te openen. We konden zelfs hetzelfde gebouw gebruiken dat 20 jaar eerder was gesloten.

In 1996 kregen Emilia en ik een telefoontje met de vraag of we op Bethel wilden dienen. Dat hadden we totaal niet verwacht, en ik wees de broeders erop dat ik nog twee thuiswonende kinderen had om voor te zorgen. De broeders dachten erover na maar vroegen ons later om toch te komen. En dus maakten we plannen om als gezin naar Havana te verhuizen.

Collage: 1. Emilia werkt met andere zusters in de naaikamer op Bethel. 2. Gustavo houdt een lezing in een congreshal.

(Links) Emilia in de naaikamer op het bijkantoor in Cuba

(Rechts) Inwijding van een congreshal (2012)

Eerlijk gezegd vond ik Betheldienst in het begin niet zo leuk. Mijn hart lag nog steeds in de kringdienst, het werk dat we zo lang hadden gedaan. Ik vond het moeilijk de hele dag achter een bureau te zitten. Maar andere Bethelieten en vooral Emilia hielpen me om mijn kijk te veranderen. Na verloop van tijd kreeg ik mijn vreugde terug, en nu geniet ik echt van de Betheldienst.

Collage: 1. Gustavo spreekt de afgestudeerden van de Bijbelschool voor Echtparen toe die achter hem op het podium staan. 2. Gustavo met vier andere bijkantoorcomitéleden.

(Links) Graduatie van de Bijbelschool voor Echtparen (2013)

(Rechts) Bijkantoorcomité in Cuba (2013)

Gustavo en Emilia met hun dochter en schoonzoon.

Op een kringvergadering met onze dochter en haar man

Emilia en ik zijn niet zo jong meer. Maar we zijn heel blij als we terugdenken aan alle broeders en zusters die we hebben leren kennen en met wie we hebben samengewerkt. Het maakt ons vooral gelukkig te zien dat onze kinderen en kleinkinderen Jehovah dienen. We hebben hetzelfde gevoel als Johannes, die op hoge leeftijd zei: ‘Niets geeft me meer vreugde dan dit: dat ik hoor dat mijn kinderen de weg van de waarheid blijven volgen’ (3 Joh. 4).

Emilia en ik zitten nu al bijna 30 jaar op Bethel. Hoewel onze hoge leeftijd en de strijd tegen kanker het ons moeilijk maken, doen we nog steeds ons best in onze toewijzing. In al onze jaren van dienst hebben we natuurlijk met uitdagingen te maken gehad, maar we zijn blij dat we ‘de gelukkige God’ al 70 jaar hier op Cuba mogen dienen! (1 Tim. 1:11; Ps. 97:1)

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen