Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w26 april blz. 2-7
  • Jehovah heeft me van jongs af aan opgeleid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah heeft me van jongs af aan opgeleid
  • De Wachttoren – Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2026
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE OPLEIDING GAAT VERDER
  • PIONIEREN LEIDT TOT VEEL MOOIS
  • NAAR SENEGAL
  • PIONIEREN IN NEW BRUNSWICK EN QUEBEC
  • MOOIE HERINNERINGEN AAN HARDWERKENDE BROEDERS EN ZUSTERS
  • LESSEN VAN TROUWE BROEDERS
  • NAAR BETHEL IN DE VS
  • Rijke zegeningen dankzij goede voorbeelden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2020
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Wij wendden ons tot de Bron van ware rechtvaardigheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
  • Oprechte interesse leidt tot veel zegeningen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2023
Meer weergeven
De Wachttoren – Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2026
w26 april blz. 2-7
Broeder Splane zit te werken aan zijn bureau.

LEVENSVERHAAL

Jehovah heeft me van jongs af aan opgeleid

VERTELD DOOR DAVID SPLANE

IK STAARDE naar het briefje dat ik net van een broeder had gekregen. Er stond op: ‘David Splane, 8 april 1953: De ondergang der wereld verkondigen.’ ‘Wat is dit?’, vroeg ik. De broeder zei: ‘Dit is je toewijzing voor een lezinkje op de theocratische bedieningsschool.’a ‘Ja maar, daar heb ik me niet voor opgegeven!’, zei ik.

Maar ik kan beter bij het begin beginnen. Ik ben tijdens de Tweede Wereldoorlog in Calgary (Canada) geboren. Eind jaren 40 klopte er een jonge pionier bij ons aan die Donald Fraser heette. Hij bood mijn moeder Bijbelstudie aan, en dat wilde ze wel. Ze ging echt van de waarheid houden. Hoewel ze door ernstige gezondheidsproblemen niet veel in de gemeente kon doen, liet ze zich in 1950 dopen. Helaas overleed ze nog geen twee jaar later. Mijn vader was niet in de waarheid, maar hij vond het goed dat een broeder de begrafenislezing zou doen.

Een paar dagen na de begrafenis werd ik uitgenodigd voor een vergadering door Alice, een oudere gezalfde zuster. Ze kende me van de keren dat mijn moeder me in het weekend had meegenomen als ze zich goed genoeg voelde. Ik vroeg aan mijn vader of ik mocht gaan. Hij vond het goed en besloot zelf ‘één keertje’ mee te gaan. Hij wilde de broeder bedanken die de begrafenislezing voor mijn moeder had gehouden. De vergadering die avond, de theocratische bedieningsschool en de dienstvergadering, was de perfecte eerste vergadering voor mijn vader. Hij had een cursus spreken in het openbaar gevolgd en was zwaar onder de indruk van hoe goed de lezingen waren. Vanaf dat moment ging hij elke week naar die vergadering. Na verloop van tijd begon hij ook de andere vergaderingen bij te wonen.

In die tijd las de schooldienaar aan het begin van de vergadering de naam voor van iedereen die op de school ingeschreven was. Die riepen vervolgens ‘present’. Op een avond vroeg ik of op de volgende vergadering ook mijn naam kon worden voorgelezen. De broeder gaf me een compliment, maar hij vroeg verder niet of ik wel begreep wat het inhield.

Ik had niet door dat ik me had aangemeld voor lezinkjes op de school. Het leek me gewoon leuk als mijn naam werd voorgelezen. Dus een week later werd mijn naam genoemd en riep ik vol trots: ‘Present!’ Na de vergadering kreeg ik veel complimenten. Maar een paar weken later kreeg ik het briefje waar ik het in het begin over had.

Nu had ik een probleem! In die tijd was er geen toewijzing om alleen een stuk uit de Bijbel te lezen. Leerlingen moesten een lezing van zes tot acht minuten voorbereiden. Mijn vader hielp me om het lezinkje te maken en liet het me 20 keer oefenen. Na afloop gaf de schooldienaar me goede raad. Door de jaren heen heeft Jehovah mijn vader, bekwame broeders en zusters en zijn organisatie gebruikt om me op te leiden.

DE OPLEIDING GAAT VERDER

Toen ik met de velddienst begon, werd ik opgeleid door Alice, over wie ik het eerder had. In die tijd werden we aangemoedigd om drie teksten aan de huisbewoner voor te lezen en vervolgens een boek aan te bieden. Als ik aan de beurt was, begon Alice het gesprek. Ze stelde zich voor en vroeg mij dan om de eerste tekst voor te lezen. Daarna nam ik het over, las ik de tweede en derde tekst en bood ik het boek aan. Later leerde ik hoe ik zelf een gesprek kon beginnen. Nadat mijn vader zich eind 1954 had laten dopen, leidde hij me verder op voor de velddienst. Als alleenstaande vader deed hij wat hij kon om me in de waarheid op te voeden. Als het om de vergaderingen en de dienst ging, was hij heel consequent. Op de vergaderavonden en op zaterdag- en zondagochtend wist ik altijd wat we zouden doen.

Ik was op school een gemiddelde leerling. Maar sommige dingen die ik in mijn 12 jaar scholing heb geleerd, komen me nog steeds goed van pas. Ik heb bijvoorbeeld geleerd kolomsgewijs te rekenen. En ik heb een goede basis gekregen in Engelse grammatica. Voor mijn toewijzing op de Schrijversafdeling heb ik nog steeds veel aan de lessen Engels en creatief schrijven die ik heb gevolgd.

Ik word vaak gevraagd waar mijn interesse voor muziek vandaan komt. Mijn ouders hielden allebei al van muziek. Toen ik zeven was, heb ik een tijdje pianoles gekregen. Maar mijn lerares vond niet dat ik er veel talent voor had. Ze zei tegen mijn vader dat ik beter kon stoppen met de lessen. Ik snap wel waarom. Ik was toen nog niet echt gemotiveerd.

Een paar maanden later vond mijn vader een andere leraar. Deze keer kreeg ik niet alleen pianoles maar ook zangles, en dat vond ik geweldig. Als kind had ik een goede sopraanstem en won ik een aantal wedstrijden. Mijn doel was om muziekleraar te worden zodat ik genoeg kon verdienen om te pionieren. Maar tijdens de opleiding werd het me steeds duidelijker dat de voorbereiding op de examens over harmonieleer, muziekgeschiedenis en compositie me veel tijd zou kosten. Dus ik stopte ermee en begon met pionieren. Dat was in 1963.

PIONIEREN LEIDT TOT VEEL MOOIS

Na een jaar in de pioniersdienst werd ik aangesteld als speciale pionier in Kapuskasing (Ontario). Mijn pionierspartner was Daniel Skinner en hij was ruim twee keer zo oud. Van hem heb ik veel geleerd over hoe een gemeente is georganiseerd. Ik werd aangesteld in het dienstcomité van de gemeente toen ik 20 was. Dus ik had nog veel te leren. Ik vind het geweldig dat de organisatie opnieuw de nadruk legt op het opleiden van jonge broeders. Als ze hun best doen, kan Jehovah ze al op heel jonge leeftijd goed gebruiken.

Het was niet altijd even makkelijk in Kapuskasing. In de winter kon de temperatuur dalen tot 44 graden onder nul. Gelukkig waren er ook ‘warme’ dagen waarop het maar 33 graden onder nul werd. En Dan en ik moesten bijna alles te voet doen. Maar één van de vele mooie dingen in deze toewijzing was dat ik Linda Cole ontmoette, die later Linda Splane werd.

Linda hield van de dienst en had veel leuke nabezoeken. Ze was gul, lief en sociaal. Haar moeder, Goldie, was een trouwe zuster. Haar vader, Allen, was in het begin tegen de waarheid. Ondanks de tegenstand nam Goldie haar kinderen – Linda, John en Gordon – mee naar de Koninkrijkszaal en leidde hen op voor de velddienst. Goldie, Linda, John en Gordon hebben allemaal gepionierd. Jaren later kwam ook Allen in de waarheid en ging hij veel voor de gemeente doen.

In 1965 ging ik voor de Koninkrijksbedieningsschool naar Bethel. Die opleiding duurde een maand. Tijdens de school mocht ik een aanmeldingsformulier voor Gilead invullen. Ik had nog nooit over de zendingsdienst nagedacht, want ik dacht dat ik daar niet geschikt voor was. Toch vulde ik het formulier in, en ik kreeg een uitnodiging voor de 42ste klas. Op Gilead kregen we van de leraren geregeld een verslag over onze vorderingen. In het eerste verslag dat ik kreeg, werd ik aangemoedigd om op de school zo veel mogelijk over de organisatie te leren. Dat was natuurlijk heel goed advies voor iemand van 21.

Op Gilead leerden we ook hoe we om moesten gaan met de media: radio- en televisiestations en de pers. Dat vond ik heel interessant. Ik wist toen nog niet hoe goed die lessen van pas zouden komen. Maar daarover later meer.

NAAR SENEGAL

Een paar dagen na de graduatie vertrok ik samen met Michael Höhle, mijn zendingspartner, naar onze toewijzing in Senegal (Afrika). In die tijd waren daar zo’n 100 verkondigers.

Na een paar maanden werd ik gevraagd één dag per week op het bijkantoor te werken. Het ‘bijkantoor’ bestond uit maar één kamer in een zendelingenhuis. De bijkantoordienaar, Emmanuel Paterakis, herinnerde me er vaak aan dat het bijkantoor, hoe eenvoudig het ook was, Jehovah’s organisatie in het land vertegenwoordigde. Op een gegeven moment besloot broeder Paterakis dat we een aanmoedigende brief aan de zendelingen moesten schrijven. In die tijd kon je niet zo makkelijk of goedkoop brieven kopiëren. Ze moesten dus één voor één op een typemachine uitgetypt worden. Dat was een enorme klus, vooral omdat er geen enkele typefout in mocht komen!

Toen ik ’s avonds laat op het punt stond naar huis te gaan, gaf broeder Paterakis me een envelop. Hij zei: ‘David, je hebt een brief van het Genootschap.’ Toen ik later de envelop opendeed, zat er een brief in die ik zelf had getypt! Die ervaring leerde me waardering te hebben voor de organisatie, hoe groot of klein het plaatselijke bijkantoor ook is.

Broeder Splane en een groep broeders en zusters glimlachen voor een foto.

Met andere zendelingen in Senegal (1967)

In de gemeente maakte ik veel vrienden. Op zaterdagavond was ik meestal bij een van de gezinnen uit de gemeente te vinden. Dat was een geweldige tijd! We hebben nog steeds contact. En ik heb in Senegal Frans geleerd, wat goed van pas komt als ik bijkantoren over de hele wereld bezoek.

In 1968 verloofden Linda en ik ons. In de maanden daarna probeerde ik parttime werk te vinden zodat we samen in Senegal konden pionieren. Maar van de werkgevers daar werd verwacht dat ze plaatselijke mensen in dienst namen in plaats van buitenlanders. Dus keerden we terug naar Canada. Daar trouwden we, en we kregen een toewijzing als speciale pioniers in Edmundston (New Brunswick), een stadje dat grenst aan de provincie Quebec.

David en Linda Splane staan lachend onder een pergola met bloemen.

Onze trouwdag (1969)

PIONIEREN IN NEW BRUNSWICK EN QUEBEC

In Edmundston waren geen plaatselijke verkondigers en maar een paar Bijbelstudies. Het leven van de mensen werd voor een groot deel beïnvloed door de katholieke kerk. Op bijna elk huis stond: Jehovah’s Getuigen niet welkom. In die tijd maakten we ons daar niet zo druk om, dus klopten we gewoon overal aan. Elke week deed een katholieke organisatie in de plaatselijke krant de oproep: ‘Laten we op heksenjacht gaan tegen Jehovah’s Getuigen!’ Omdat er maar vier ‘heksen’ in de stad waren – Victor en Velda Norberg en Linda en ik – was het overduidelijk wie ze bedoelden.

Ik zal nooit het eerste bezoek van de kringopziener vergeten. Aan het eind van de week zei hij: ‘Het zou al heel mooi zijn als jullie hier de vooroordelen kunnen wegnemen. Misschien is dat het hoogst haalbare.’ Dus dat werd ons doel, en het werkte! Geleidelijk gingen de mensen het verschil zien tussen nederige Getuigen en trotse katholieke geestelijken. Nu is er een kleine gemeente in Edmundston.

Na ongeveer een jaar in die toewijzing werden we gevraagd om een grote gemeente in de stad Quebec te ondersteunen. Daar hebben we zes maanden genoten van de gastvrijheid van de broeders en zusters. Daarna werden we aangesteld in de reizende dienst.

In de daaropvolgende 14 jaar hebben we in verschillende kringen in de provincie Quebec gediend. Dat was een geweldige tijd! De prediking in Quebec had heel mooie resultaten. Het was niet ongebruikelijk dat in één gemeente meerdere gezinnen naar de doop toe groeiden.

MOOIE HERINNERINGEN AAN HARDWERKENDE BROEDERS EN ZUSTERS

Het is niet moeilijk om van de Franstalige broeders en zusters in Canada te houden. Ze zijn direct, vrolijk en enthousiast. Maar het was niet altijd makkelijk voor ze om in de waarheid te komen, en tegenstand van familie kan heel zwaar zijn. Sommigen werden op heel jonge leeftijd door hun ouders voor de keus gesteld: ‘Of je stopt met Bijbelstudie of je gaat het huis uit!’ Weinig of geen jongeren hebben aan die druk toegegeven. Wat zal Jehovah trots op ze zijn!

Degenen die ik zeker niet wil vergeten te noemen zijn de gewone en speciale pioniers die in die jaren in Quebec dienden. De meesten van hen kwamen uit andere delen van Canada. Dus ze moesten niet alleen Frans leren, maar ze moesten zich ook aanpassen aan de cultuur en de mentaliteit, die grotendeels gevormd waren door de katholieke kerk.

Speciale pioniers werden vaak toegewezen aan afgelegen gebieden waar nog geen verkondigers waren. Door de vooroordelen die er waren was het moeilijk voor ze huisvesting te vinden, laat staan parttime werk. Om de kosten te delen woonden ze in groepen van vier, zes of acht Getuigen in één huis. Daar zaten zelfs pasgetrouwde stellen bij. Op zichzelf wonen was gewoon te duur voor ze. Het waren echt hardwerkende pioniers. Als ze een studie oprichtten, gaven ze die hun volle aandacht. Nu er in Quebec geen hulp van buitenaf meer nodig is, zijn veel van die pioniers verhuisd naar gebieden waar meer behoefte is.

In de kringdienst probeerden we op zaterdagochtend meestal met jongeren samen te werken. Zo konden we van henzelf horen met welke uitdagingen ze te maken hadden. Sommigen van hen dienen nu als zendeling in het buitenland of hebben andere toewijzingen.

In die tijd konden sommige gemeenten onze reiskosten niet vergoeden. Daardoor zaten we soms aan het eind van de maand zonder geld. Op zulke momenten moesten we volledig op Jehovah vertrouwen, want hij was de enige die ervan wist. Hij heeft ons nooit in de steek gelaten. Op de een of andere manier lukte het altijd weer om de volgende gemeente te bereiken.

LESSEN VAN TROUWE BROEDERS

Zoals ik eerder zei, heb ik veel gehad aan de lessen op Gilead over omgaan met de media. In Quebec waren er veel mogelijkheden om op de radio, op tv en in de kranten een mooi getuigenis te geven. Ik mocht vaak samenwerken met Léonce Crépeault, die ook in de reizende dienst was. Hij kon heel goed met de media omgaan. In gesprekken met belangrijke mediamensen probeerde hij niet als een professional over te komen maar zei hij: ‘Meneer, m’n collega en ik zijn bekend met de Bijbel, maar we hebben weinig verstand van de media. We hebben de opdracht gekregen om mensen te informeren over een groot congres van Jehovah’s Getuigen. Daarom zouden we heel dankbaar zijn voor alle hulp die u ons kunt geven.’ Door die nederige aanpak gingen er veel deuren open die anders misschien dicht waren gebleven.

Later vroeg het bijkantoor me om samen te werken met broeder Glen How, een van onze advocaten. We moesten complexe zaken behandelen die veel media-aandacht konden trekken. Daarbij had ik veel aan de lessen op Gilead en de ervaring die ik met Léonce had opgedaan. Ik vond het heel bijzonder om met broeder How samen te werken. Als advocaat kende hij geen angst, maar hij was vooral een man van God. Hij hield veel van Jehovah.

In 1985 werden we toegewezen aan een kring in het westen van het land, zodat we dicht bij mijn vader konden zijn, die inmiddels hulp en zorg nodig had. Drie maanden later overleed hij. We bleven gemeenten in het westen van Canada bezoeken tot we in 1989 onverwachts gevraagd werden om naar Bethel in de VS te gaan. Daarmee kwam er voor ons na bijna 19 jaar een eind aan de kringdienst. In al die jaren hebben we bij honderden gezinnen gelogeerd en bij duizenden broeders en zusters gegeten. We denken met dankbaarheid terug aan iedereen die ons gastvrij heeft ontvangen.

NAAR BETHEL IN DE VS

Na onze aankomst in Brooklyn ging ik op de Dienstafdeling werken. Ik ben nog steeds dankbaar voor de opleiding die ik daar heb gekregen. Ik heb bijvoorbeeld geleerd nooit aannames te doen maar altijd de feiten te achterhalen. In 1998 ging ik naar de Schrijversafdeling, waar ik nog steeds veel leer over schrijven. Ik heb een aantal jaren het voorrecht gehad samen te werken met John Barr, die coördinator van het Schrijverscomité was. Ik kijk met veel waardering terug op de tijd die we samen doorbrachten en op alles wat ik van hem heb geleerd. Hij had een mooie christelijke persoonlijkheid.

David en Linda Splane op de foto met John en Mildred Barr.

Met John en Mildred Barr

Ik vind het geweldig om samen te werken met de nederige broeders en zusters op de Schrijversafdeling. Ze vragen Jehovah altijd om hulp in hun toewijzing en beseffen dat alles wat ze bereiken te danken is aan zijn heilige geest en niet aan hun eigen talenten.

Broeder Splane dirigeert het Wachttoren-koor dat uit 20 broeders en zusters bestaat, terwijl een zuster het koor begeleidt op de piano.

Als dirigent van het Wachttoren-koor op de jaarvergadering van 2009

Broeder Splane geeft lachend een bijbel aan een zuster.

Bijbels uitdelen op het internationale congres van 2014 in Seoul (Zuid-Korea)

Linda en ik hebben ook het voorrecht gehad broeders en zusters in 110 landen te bezoeken. We hebben persoonlijk de liefde gevoeld van de zendelingen, de bijkantoorcomitéleden en andere volletijddienaren. We hebben ook de ijver en trouw gezien van de plaatselijke verkondigers, die ondanks oorlogsdreiging, financiële problemen en vervolging het Koninkrijk op de eerste plaats stelden. Ik weet zeker dat Jehovah heel veel van ze houdt!

Linda is in al die jaren een geweldige steun voor me geweest. Ze is echt een mensenmens en zoekt altijd naar manieren om anderen te helpen. Ook is ze heel goed in het beginnen van gesprekjes. Ze heeft heel wat mensen geholpen Jehovah te leren kennen, ook personen die inactief waren geweest. Ze is echt een geschenk van Jehovah! Nu we een dagje ouder zijn, krijgen we bij onze reizen en bij andere dingen wat praktische hulp van jongere broeders en zusters. Dat waarderen we enorm (Mark. 10:29, 30).

Als ik op de afgelopen tachtig jaar terugkijk, ben ik heel dankbaar. Ik ben het helemaal eens met de psalmist die schreef: ‘U hebt mij van jongs af aan onderwezen, o God, en nog steeds maak ik uw wonderen bekend’ (Ps. 71:17). Dat is wat ik wil blijven doen zolang ik leef.

a Nu wordt deze opleiding gegeven op onze doordeweekse vergadering.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen