Wij wendden ons tot de Bron van ware rechtvaardigheid
Zoals verteld door Erwin Grosse
ENKELE jaren geleden kon men mij ’s ochtends vroeg bij de poorten van een grote scheepswerf in Kiel (Duitsland) zien staan om pamfletten uit te delen en de Rote Fahne, het tijdschrift van de KPD/ML,a te verkopen. Terzelfder tijd trachtte ik discussies uit te lokken met arbeiders en leerjongens. Het was een ondankbare taak te proberen hen van mijn communistische opvattingen te overtuigen.
Ik liet mij hier echter niet door ontmoedigen. Ik had een doel in het leven ontdekt: meehelpen om rechtvaardige toestanden teweeg te brengen door middel van een wereldrevolutie. Hoe was ik tot die zienswijze gekomen? Zou zo’n doel in het leven mijn honger naar rechtvaardigheid stillen?
Op zoek naar rechtvaardigheid
Mijn ouders concentreerden zich in hun leven geheel en al op het verwerven van materiële voorspoed, een levenswijze die mij beslist niet kon bekoren. Wij jongeren zochten naar iets beters. Er werden nieuwe levensstijlen uitgeprobeerd en nieuwe doeleinden in het leven geproclameerd. In die tijd haalden de oorlog in Vietnam en studentenonlusten de voorpagina’s. Naar onze mening betaalden onschuldige mensen met hun leven voor de grootheidswaanzin van de politici en de kapitalisten. Deze situatie hield mij intens bezig en ik begon het kapitalistische systeem te haten.
Ik keerde ook de gevestigde religie de rug toe. Iets wat ik meemaakte toen ik in het Westduitse leger diende, hielp mij deze beslissing te nemen. De militaire manoeuvres waarmee wij bezig waren, werden onderbroken voor een godsdienstoefening, en de soldaten werden in een katholieke en een protestantse groep verdeeld. Aan het einde van de dienst zegenden de geestelijken van beide richtingen de zware artillerie! Ik was geschokt. Waren deze wapens niet vervaardigd om te doden? En had ik tijdens de godsdienstlessen op school niet geleerd: „Gij zult niet doodslaan”? — Exodus 20:13, Statenvertaling.
Ik vond dat Karl Marx gelijk had toen hij godsdienst „de opium van het volk” noemde, omdat godsdienst mensen machteloos maakte wanneer zij te maken kregen met de belangen van het kapitalisme. Toen ik het leger verliet, liet ik mij derhalve uit de kerk uitschrijven en volgde geregeld cursussen in het marxisme-leninisme. Ik las ook de werken van Mau Tse-toeng. Dit alles sterkte mij in de overtuiging dat het kwade alleen door een wereldrevolutie uitgeroeid kon worden. Alleen op die wijze, zo dacht ik, kon er een nieuwe, door rechtvaardigheid gekenmerkte mensenmaatschappij verschijnen.
De KPD/ML leidde mij op om arbeiders voor Lenins leringen te winnen en hun pamfletten en de Rote Fahne aan te bieden. Ik liep ook met spandoeken en reed tijdens demonstraties met luidsprekerwagens. Toch werd ik alleen maar als een sympathisant van de partij beschouwd. Voordat het centrale comité mij als lid wilde aanvaarden, moest ik laten zien wat ik waard was door de partij een tijdlang te dienen en financieel te ondersteunen.
In de praktijk anders — een bittere teleurstelling!
Ik was opgeleid tot bouwkundig tekenaar, maar mijn interesse ging meer uit naar de kunst van de socialistische schilders, en ik wilde mij graag even creatief bezighouden als zij. Daarom liet ik mij als student aan de Westberlijnse kunstacademie inschrijven. Ik werd toegelaten en begon in februari 1972 met mijn kunststudie.
Hier nam ik opnieuw contact op met de partij en stond al gauw voor fabriekspoorten om de Rote Fahne te verkopen. Ik ontwierp ook aanplakbiljetten en schilderde het portret van Marx, Engels, Lenin en Mau Tse-toeng op rode vlaggen.
Ik had mij vast voorgenomen nooit te trouwen — dat wil zeggen, totdat ik Linda ontmoette. Zij bleek een zeldzame hoedanigheid te bezitten, trouw, hetgeen mij van gedachten deed veranderen. Vijf maanden later waren wij getrouwd en begonnen wij aan wat een harmonieus huwelijk bleek te zijn.
Voordien had ik met een groep jongelui samengewoond die er verschillende links-radicale ideeën op na hielden. Wij voerden uitgebreide discussies, maar er was ook wrijving en vijandigheid. En in de verschillende communistische partijen was het al precies eender. Iedereen hield vol dat alle anderen de communistische idee verkeerd opvatten en zich bij de „ware” partij moesten aansluiten. Men begon elkaar te bestrijden!
In mijn eigen partij waren twistgesprekken tussen de linkse en de rechtse vleugel aan de orde van de dag. Vooraanstaande leden trachtten elkaar te wippen. Ik kreeg genoeg van het gebekvecht en de beledigingen, met het gevolg dat ik geleidelijk alle connecties met de partij verbrak. Ik vond het zinloos betrokken te zijn bij iets dat in werkelijkheid geen verandering kon brengen. Het communistische ideaal bleek in de praktijk onbereikbaar te zijn! Maar in mijn hart bleef ik marxist.
Linda vertelt mij over God
Toen Linda en ik op zekere avond van Kiel naar Berlijn reden, gaf Linda mij de schrik van mijn leven. Ze zei: „Ik ben ervan overtuigd dat er een God is, en in mijn diepste innerlijk geloof ik in hem.” Dat was het laatste dat ik verwachtte te horen! Linda had altijd achter mijn marxistische idealen gestaan.
Er volgde een verhitte discussie over dialectisch materialisme en marxisme. Volgens het marxisme ontleent de mens de totaliteit van zijn geestelijke, intellectuele en morele leven aan zijn milieu. Bijgevolg verrijst de „nieuwe” mens als resultaat van opvoeding in de communistische ideologie en een positieve verandering in het milieu. Linda was echter een ervaren analiste en zij wist wel beter! Zij kon aantonen dat het gedrag van de mens ook wordt beïnvloed door zijn genetische opbouw. Wij staakten onze discussie om ruzie te vermijden.
Tijdens een latere tocht wilde Linda weer met mij over God spreken. Naar mijn mening bevestigde de evolutietheorie de stelling dat alles zijn ontstaan had gevonden in stoffelijke dingen en het resultaat was van puur toeval. Linda bracht de beginselen van de thermodynamica, de traagheidswet en andere natuurkundige wetten ter sprake om te bewijzen dat er een intelligente voortbrenger van het leven moet bestaan. Ik bleef bij mijn opvattingen. Van mijn levensfilosofie en mijn idealen was echter al niets meer heel.
Er ging een jaar voorbij. Op een zekere zondagochtend haalde Linda plotseling een dik boek te voorschijn en begon mij eruit voor te lezen. Het verhaal ging over een man die een boom omhakte, de helft ervan gebruikte om een levenloos afgodsbeeld te maken en vervolgens tot dit beeld de smeekbede richtte: „Bevrijd mij.” Deze treffende beschrijving van religie maakte diepe indruk op mij. Stelt u zich mijn verbazing voor toen ik vernam dat het verhaal uit de bijbel kwam. — Jesaja 44:14-20.
Ik vroeg mijn vrouw mij meer te vertellen. Zij deed dit vijf uur achtereen — te beginnen met de val van de mens in Eden tot aan het herstel van het paradijs, zoals dit in het boek Openbaring beschreven staat. Linda was toen volkomen uitgeput, maar ik had het gevoel alsof de schellen mij van de ogen waren gevallen en ik voor het eerst scherp kon zien. Natuurlijk wilde ik weten waar Linda dit alles vandaan had.
Zij vertelde mij dat zij als meisje van veertien in Berlijn de bijbel had bestudeerd met Jehovah’s Getuigen en later zelfs was gedoopt. Toen zij achttien was, moest zij in verband met haar werk ver van huis, en verdrietig genoeg heeft zij de weg der waarheid toen verlaten. Toen zij daarna naar Berlijn terugkeerde, ging zij zich actief inzetten voor links-politieke opvattingen. Het geluk dat zij nu in ons huwelijk ervoer, bracht haar ertoe opnieuw God te zoeken. Maar zou hij haar haar fouten vergeven? Zij wist dat ons leven en het geluk van ons huwelijk alleen behouden konden blijven door berouwvol tot God terug te keren. Maar ik had dat punt nog niet bereikt. Ik had meer tijd nodig.
Een keer ten goede
Op een zomeravond keken wij naar een goudkleurige zonsondergang over de stad. Linda zei: „Misschien kunnen wij nog een kort poosje van zulke dingen genieten, Erwin. Maar als God ingrijpt, zal hij ons dan in leven laten? Welke reden geven wij hem om dit te doen?” Dit bracht mij tot bezinning. Ik had iets over Jehovah geleerd, maar kennelijk niet genoeg. Dus nam ik het vaste besluit mij tot hem te wenden.
Toen wij kort hierna op de markt liepen, zagen wij een oudere vrouw in een rolstoel met De Wachttoren in haar hand. Wij vroegen haar naar de vergadertijden in de plaatselijke Koninkrijkszaal en haar ogen begonnen te stralen. Zij greep onze handen vast en zei herhaaldelijk: „Ik ben blij dat jonge mensen zoals jullie de bijbel willen leren kennen.” Overmand door vreugde, ging zij rechtop zitten in haar rolstoel en omhelsde Linda. Wij namen een paar tijdschriften en beloofden de eerstvolgende vergadering te zullen bijwonen.
Wij arriveerden kort voor het begin van de vergadering. Ik had lang haar en een baard en was gekleed in spijkerbroek en T-shirt. Linda droeg de dertig jaar oude marinekleurige trouwjurk van haar tante. Ik zag een man in een colbert en met een stropdas om aan de ingang staan en dacht: ’Wat een conventioneel burgermannetje! Het begint al goed!’ Hij was echter vriendelijk en zei: „Wij hebben jullie verwacht.” Ik was van mijn stuk gebracht, maar zei tegen hem: „Wij zouden graag een bijbelstudie willen hebben.” Zelfs dat verbaasde hem niet. „Dat is al geregeld”, antwoordde hij. Een beetje geïrriteerd stapten wij naar binnen.
Tijdens de vergadering had ik verscheidene keren het gevoel dat de spreker zich persoonlijk tot mij richtte. En sommigen in de gemeente waren verbaasd toen Linda een exemplaar van De Wachttoren te voorschijn haalde dat zij van tevoren had bestudeerd. Toen de twee uur voorbij waren, kwam de oude zuster naar ons toe en omhelsde ons met een stralend gezicht. Zij was degene die het nieuws over onze komst had rondgestrooid. Er werden regelingen getroffen voor een geregelde bijbelstudie met de broeder die ons had verwelkomd, en negen maanden later, op 4 april 1976, symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah door middel van de waterdoop.
Wat was ik blij Degene te leren kennen die heeft beloofd: „Zie! Ik maak alle dingen nieuw”! (Openbaring 21:5) En hoe zal de Schepper ware rechtvaardigheid tot stand brengen? Spreuken 2:21, 22 geeft hier antwoord op: „Want de oprechten zijn het die op de aarde zullen verblijven, en de onberispelijken zijn het die erop zullen overblijven. Wat de goddelozen betreft, zij zullen van de aarde zelf worden afgesneden; en wat de verraderlijken betreft, zij zullen ervan worden weggerukt.”
Terwijl ik vroeger de Rote Fahne voor fabriekspoorten aanbood, stond ik nu ’s zaterdags op de Karl-Marx-Allee in Berlin-Neukölln met De Wachttoren. Nu kon ik spreken over iets wat geen enkel menselijk samenstel kan aanbieden: eeuwig leven (Johannes 17:3). Ik leerde hoe „de oprechten” er zelfs nu in worden geoefend zich te bekleden met „de nieuwe persoonlijkheid, die door middel van nauwkeurige kennis wordt vernieuwd” (Kolossenzen 3:10). Deze opvoeding voor een nieuwe wereld zal niet falen!
Wat Linda betreft, zij was nu vastbesloten zich nooit meer van de Bron van ware rechtvaardigheid af te keren. Peter en Reni, die ons in Jehovah’s wegen onderwezen, beseften wat zij in geestelijk opzicht nodig had en hielpen haar vorderingen te maken.
Nieuwe doeleinden op de weg der rechtvaardigheid
Op de kunstacademie keurde men de geloofsovertuigingen die ik nu zo krachtig aanhing, openlijk af. Mijn klasseleraar, een vermaard schilder, gaf mij te verstaan dat ik tussen de kunst en mijn nieuwe geloof moest kiezen. Ik gaf het schilderen dus op en zag uit naar werk dat ons zou helpen ons nieuwe doel — de pioniersdienst — te bereiken. Met dit in gedachten, maakten Linda en ik ons verlangen herhaaldelijk in gebed aan Jehovah kenbaar. Een half jaar vóór onze geplande begindatum, 1 september 1977, stuurden wij onze aanvraag in.
Hoewel het inderdaad niet gemakkelijk was, hebben wij met Jehovah’s hulp ons doel bereikt. Intussen verrichten Linda en ik sinds 1 januari 1985 dienst als speciale pioniers — en aldus is nog een vurig verlangen in vervulling gegaan. Al onze krachten gebruiken om mensen te helpen het pad van ware rechtvaardigheid te leren kennen, schenkt ons bijzonder veel voldoening.
En wat valt er te zeggen over mijn hunkering naar rechtvaardigheid? Is die bevredigd? Ja. Nu besef ik de ware betekenis van Jezus’ woorden in Matthéüs 5:6: „Gelukkig zijn zij die hongeren en dorsten naar rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden.”
[Voetnoten]
a Kommunistische Partei Deutschlands/Marxisten-Leninisten (Duitse communistische partij/marxisten-leninisten).