LEVENSVERHAAL
Van verlegen meisje tot zendelinge
ALS kind was ik verlegen en bang voor mensen. Maar met Jehovah’s hulp ben ik als zendelinge echt een mensenmens geworden. Hoe? Eerst dankzij de leiding van mijn vader. Daarna dankzij het mooie voorbeeld van een jonge zuster. En ten slotte dankzij de lieve, geduldige woorden van mijn man.
Ik ben geboren in 1951 in Wenen. Mijn ouders waren katholiek. Hoewel ik verlegen was, bad ik vaak tot God. Toen ik negen was, begon mijn vader met Getuigen de Bijbel te bestuderen. Niet veel later ging mijn moeder meedoen.
Met mijn zus, Elisabeth (links)
We werden al snel deel van de gemeente Döbling in Wenen. Als gezin deden we veel samen: de Bijbel lezen en bestuderen, de vergaderingen bezoeken en als vrijwilliger helpen bij congressen. Mijn vader bracht me al op jonge leeftijd een diepe liefde voor Jehovah bij. Hij bad altijd dat mijn zus en ik pionier zouden worden. Maar dat was toen nog niet mijn doel.
VOLLETIJDDIENST
Hoewel ik in 1965 op 14-jarige leeftijd werd gedoopt, vond ik het nog moeilijk in de dienst met vreemden te praten. Daarnaast had ik een minderwaardigheidscomplex en wilde ik heel graag door leeftijdgenoten geaccepteerd worden. Daarom begon ik kort na mijn doop om te gaan met mensen die Jehovah niet dienden. Hoewel ik graag bij ze was, voelde ik me schuldig omdat ik zo veel tijd met ze doorbracht. Maar ik had niet de kracht om te veranderen. Wat heeft me geholpen?
Ik heb veel geleerd van Dorothée (links)
Rond die tijd kwam de 16-jarige Dorothée in onze gemeente. Wat indruk op me maakte, was hoe graag ze in de dienst ging. Ik was iets ouder dan zij, maar ik ging zelden van huis tot huis. ‘Mijn ouders zijn Getuigen’, dacht ik bij mezelf. ‘Maar Dorothée heeft geen familie in de waarheid. Ze woont bij haar zieke moeder en toch gaat ze altijd in de velddienst.’ Haar voorbeeld motiveerde me meer voor Jehovah te doen. We werden al snel pionierspartners. Eerst dienden we samen als hulppionier (toen nog vakantiepionier genoemd) en later als gewone pionier. Het enthousiasme van Dorothée was aanstekelijk. Ze hielp me om voor het eerst een Bijbelstudie te beginnen. Na verloop van tijd werd het wat makkelijker voor me mensen aan te spreken aan de deur, op straat of op andere plekken.
In mijn eerste jaar als pionier kwam er een broeder in onze gemeente die Heinz heette. Hij had de waarheid leren kennen in Canada. Dat was tijdens een bezoek aan zijn broer, die Getuige was. Heinz was aan onze gemeente toegewezen als speciale pionier. Ik vond hem meteen leuk. Maar omdat hij zendeling wilde worden en ik niet, liet ik in het begin niet merken wat ik voor hem voelde. Na een tijdje kregen we verkering. Later trouwden we en gingen we samen verder in onze pioniersdienst in Oostenrijk.
ZENDINGSDIENST ALS DOEL
Heinz sprak vaak met me over zijn wens om zendeling te worden. Hij zette me nooit onder druk maar stelde motiverende vragen zoals: ‘Zouden we niet meer voor Jehovah kunnen doen, aangezien we geen kinderen hebben?’ Omdat ik zo verlegen was, durfde ik de zendingsdienst niet aan. Ik was dan wel pionier, maar ik moest er niet aan denken een zendingstoewijzing te krijgen. Toch bleef Heinz me dit doel voor ogen houden. En hij hielp me om meer op mensen te focussen en minder met mezelf bezig te zijn. Zijn advies heeft me echt geholpen.
Heinz leidt de Wachttoren-studie in een kleine Servo-Kroatische gemeente in Salzburg (1974)
Langzamerhand kreeg ook ik de wens om zendeling te worden, en dus gaven we ons op voor Gilead. Maar de bijkantoordienaar raadde me aan eerst mijn Engels te verbeteren. Nadat ik daar drie jaar mijn best op had gedaan, werden we tot onze verrassing toegewezen aan de Servo-Kroatische gemeente in Salzburg. We dienden zeven jaar in dat veld, waarvan één jaar in de kringdienst. Het was een moeilijke taal, maar we hadden veel Bijbelstudies.
In 1979 werden we gevraagd om ‘op vakantie’ te gaan naar Bulgarije. Omdat ons werk daar verboden was, hebben we er niet gepredikt. Maar we konden wel publicaties in miniatuurformaat het land in smokkelen voor de vijf zusters in de hoofdstad Sofia. Ik was erg bang, maar Jehovah hielp me bij die spannende toewijzing. Ik zag hoe moedig en blij die zusters waren ook al liepen ze gevaar te worden gevangengezet. Dat motiveerde me om mijn best te doen in alles wat Jehovah’s organisatie van me vroeg.
Ondertussen hadden we ons opnieuw voor Gilead opgegeven, en deze keer werden we uitgenodigd. We dachten dat we naar de VS zouden gaan, maar in november 1981 werd op het bijkantoor in Wiesbaden in Duitsland een toegevoegde Gileadschool gestart. En dus konden we de lessen in het Duits volgen, wat voor mij een stuk makkelijker was. We waren benieuwd naar onze toewijzing.
ZENDINGSDIENST IN EEN CONFLICTGEBIED
We werden toegewezen aan Kenia. Maar daar vroeg het bijkantoor ons of we naar buurland Oeganda wilden gaan. Ruim tien jaar eerder had generaal Idi Amin daar na een militaire coup de macht gegrepen. Zijn dictatuur kostte duizenden mensen het leven en veroorzaakte ellende voor miljoenen. In 1979 kwam de regering in Oeganda opnieuw ten val. Je kunt je voorstellen dat ik niet stond te springen om naar zo’n conflictgebied te verhuizen. Maar Gilead had ons geleerd op Jehovah te vertrouwen, en dus gingen we.
Er heerste chaos in Oeganda. Heinz beschreef het in het Jaarboek van 2010 als volgt: ‘Veel diensten, zoals de watervoorziening en het telefoonverkeer, functioneerden niet meer. (...) Schietpartijen en berovingen kwamen veel voor, vooral ’s nachts. (...) Iedereen bleef thuis en hoopte (en bad vaak ook) dat de nacht zou voorbijgaan zonder ongenode bezoekers.’ Ondanks die problemen ging het met de broeders en zusters geestelijk heel goed.
Bij familie Waiswa thuis een maaltijd bereiden
In 1982 kwamen we aan in de hoofdstad Kampala. De eerste vijf maanden woonden we bij Sam en Christina Waiswa met hun vijf kinderen en nog vier familieleden. De familie Waiswa had vaak maar één maaltijd per dag, wat hun gastvrijheid des te opmerkelijker maakte. In die tijd leerden Heinz en ik allerlei dingen waar we als zendelingen veel aan hadden, zoals zuinig zijn met water. We wasten ons met een paar liter water, dat we vervolgens gebruikten om het toilet mee door te spoelen. In 1983 vonden we in een redelijk veilige wijk van Kampala een eigen woning.
We hielden van de dienst. Ik herinner me een maand waarin we meer dan 4000 tijdschriften konden verspreiden! Maar het gelukkigst werden we van de mensen. Ze hadden respect voor God en praatten graag over de Bijbel. Vaak hadden we elk tussen de 10 en 15 Bijbelstudies. En we leerden veel van hen. Ze moesten bijvoorbeeld elke week naar de vergaderingen lopen maar deden dat altijd met een glimlach en zonder te klagen.
In 1985 en 1986 waren er nog twee gewapende conflicten in Oeganda. Overal waren controleposten met zwaarbewapende kindsoldaten. In die tijd baden we vaak om wijsheid en kalmte tijdens de prediking. En Jehovah verhoorde onze gebeden. Meestal verdween onze angst zodra iemand positief op onze boodschap reageerde.
Heinz en ik met Tatjana (in het midden)
We vonden het ook leuk getuigenis te geven aan buitenlanders. Zo begonnen we Bijbelstudie met de arts Moerat Ibatoellin en zijn vrouw Dilbar uit Tatarstan (Midden-Rusland). Ze kwamen allebei in de waarheid en dienen Jehovah nog steeds trouw. Later leerde ik Tatjana Vileyska kennen, een Oekraïense vrouw die zelfmoord had overwogen. Na haar doop verhuisde ze terug naar Oekraïne. Later hielp ze bij het vertalen van onze publicaties.a
NIEUWE UITDAGINGEN
Toen Heinz en ik in 1991 in Oostenrijk op vakantie waren, werden we door het bijkantoor daar op de hoogte gebracht van een nieuwe toewijzing: Bulgarije. Na de val van het communisme in Oost-Europa waren Jehovah’s Getuigen in Bulgarije wettelijk erkend. Zoals gezegd, hadden we toen het werk verboden was al eens lectuur het land binnengesmokkeld. Maar nu werden we ernaartoe gestuurd om te prediken.
We werden gevraagd niet terug te gaan naar Oeganda. Dus we konden onze spullen niet inpakken in het zendelingenhuis en geen afscheid nemen van onze vrienden. In plaats daarvan gingen we naar Bethel in Duitsland. En toen we eenmaal een auto hadden, gingen we naar Bulgarije. We waren toegewezen aan een groep van 20 verkondigers in Sofia.
In Bulgarije kwamen we voor nieuwe uitdagingen te staan. Om te beginnen spraken we de taal niet. Daarnaast waren er in het Bulgaars maar twee publicaties beschikbaar: De waarheid die tot eeuwig leven leidt en Mijn boek met bijbelverhalen. En het was moeilijk om Bijbelstudies te beginnen. Toch was onze kleine groep ijverig in de dienst. Daar was de orthodoxe kerk niet blij mee. En toen begonnen de problemen pas echt.
In 1994 werd onze wettelijke erkenning ingetrokken en werden we behandeld als een verboden sekte. Sommige broeders werden gearresteerd. In de media werden vreselijke leugens over ons verspreid. Ze beweerden dat Jehovah’s Getuigen hun kinderen lieten sterven en geloofsgenoten tot zelfmoord aanzetten. De prediking werd heel moeilijk. We kregen vaak te maken met agressieve mensen die tegen ons schreeuwden, de politie belden of dingen naar ons gooiden. Het was onmogelijk lectuur het land in te krijgen en het werd lastig zalen te huren voor de vergaderingen. De politie verstoorde en beëindigde zelfs een van onze congressen. Zo veel haat waren we niet gewend. Wat een verschil met Oeganda, waar de respons zo goed was geweest! Wat hielp ons hiermee om te gaan?
De omgang met onze broeders en zusters gaf ons vreugde. Ze waren dankbaar dat ze de waarheid hadden gevonden en waren blij met onze hulp. We bleven dicht bij elkaar en gaven elkaar steun. De ervaring leerde ons dat je overal gelukkig kunt zijn als je maar op mensen gericht bent.
Op het bijkantoor in Bulgarije (2007)
Na verloop van tijd verbeterde de situatie. In 1998 werden we weer wettelijk erkend. Al snel waren er veel nieuwe publicaties in het Bulgaars beschikbaar. In 2004 werd het nieuwe bijkantoor ingewijd. Nu zijn er in Bulgarije 57 gemeenten met 2953 verkondigers. In 2024 waren er 6475 aanwezigen op de Gedachtenisviering. In Sofia, waar ooit maar vijf zusters waren, zijn nu negen gemeenten! We hebben met eigen ogen gezien dat ‘de kleine tot duizend’ is geworden (Jes. 60:22).
PERSOONLIJKE PROBLEMEN
Ik heb in mijn leven vaak problemen gehad met mijn gezondheid. Er zijn bij mij meerdere tumoren gevonden, waaronder één in mijn hoofd. Die werd grotendeels verwijderd tijdens een operatie in India die 12 uur duurde. Ik werd ook bestraald. Na een herstelperiode op het bijkantoor in India gingen we terug naar Bulgarije.
Bij Heinz werd ondertussen de ziekte van Huntington geconstateerd — een zeldzame erfelijke aandoening. Het werd moeilijk voor hem om te lopen, te praten en zijn bewegingen onder controle te houden. Geleidelijk werd hij steeds meer van mij afhankelijk. Soms werd het me allemaal te veel en vroeg ik me bezorgd af hoe het verder moest. Maar gelukkig hadden we Bobi, een jonge broeder die Heinz vaak meenam in de dienst. Hij schaamde zich niet voor de spraakproblemen en ongecontroleerde bewegingen van Heinz. Ik kon altijd op Bobi rekenen. Heinz en ik hadden onze kinderwens uitgesteld tot de nieuwe wereld, maar het voelde alsof Jehovah ons Bobi als zoon had gegeven (Mark. 10:29, 30).
Tot overmaat van ramp kreeg Heinz ook nog kanker. Helaas is mijn lieve man in 2015 overleden. Na zijn dood voelde ik me heel onzeker. Het leek onwerkelijk dat hij er niet meer was. Maar in mijn herinnering is hij nog springlevend! (Luk. 20:38) In de loop van de dag denk ik nog vaak aan zijn lieve woorden en goede raad. Ik ben heel dankbaar voor onze jaren samen in Jehovah’s dienst.
DANKBAAR VOOR JEHOVAH’S STEUN
Jehovah heeft me altijd geholpen bij mijn problemen. Met zijn hulp is een verlegen meisje een zendelinge geworden die echt op mensen gericht is (2 Tim. 1:7). Dankzij Jehovah zijn mijn jongere zus en ik nu allebei in de volletijddienst. Mijn zus dient met haar man in een Servische kring in Europa. De gebeden van mijn vader uit onze kindertijd zijn dus verhoord.
Bijbelstudie geeft me innerlijke vrede. Ik heb geleerd om in moeilijke tijden net als Jezus ‘nog intenser’ te bidden (Luk. 22:44). Jehovah verhoort mijn gebeden onder andere met de liefde die de broeders en zusters in mijn gemeente in Nadezjda (Sofia) tonen. Ze nodigen me vaak uit voor gezellige omgang en laten me altijd weten hoe blij ze met me zijn. Dat doet me echt goed.
Ik denk vaak na over de opstanding. Dan stel ik me voor dat mijn ouders voor het huis staan en er net zo goed uitzien als op hun trouwdag. Ik zie mijn zus, die iets lekkers kookt. En ik zie Heinz naast zijn paard staan. Als ik zulke beelden voor me zie, verdwijnen negatieve gevoelens en ben ik Jehovah diep vanbinnen heel dankbaar.
Als ik op mijn leven terugkijk en aan de toekomst denk, kan ik alleen maar instemmen met wat David zei in Psalm 27:13, 14: ‘Waar zou ik zijn zonder het vertrouwen dat ik Jehovah’s goedheid zou zien in het land der levenden? Hoop op Jehovah. Wees moedig en sterk van hart. Ja, hoop op Jehovah.’
a Zie het levensverhaal van Tatjana Vileyska in de Ontwaakt! van 22 december 2000, blz. 20-24.