Waarom wij prediken en onderwijzen
1 Huisbewoners vragen ons vaak waarom wij bij hen aan de deur komen om met hen over ons geloof te spreken. Ons antwoord wordt aangetroffen in de woorden van Jezus: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën en dan zal het einde komen”, en: „Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf” (Matth. 24:14; 22:39). Over de gehele wereld gaat het getuigeniswerk voort, zoals uit het Jaarboek 1977 blijkt. Welke conclusie valt hieruit te trekken? Slechts één conclusie: dat er nog steeds predikings- en onderwijzingswerk verricht moet worden, dat er nog steeds gelegenheid is onze liefde voor Jehovah en onze medemensen te tonen door aan deze dienst deel te nemen.
WAAROM WIJ ERAAN DEELNEMEN
2 Het antwoord op de vraag wat de drijfkracht achter ons predikings- en onderwijzingswerk is, is gelegen in het hart van een ieder van ons. Dit komt doordat uit de ’overvloed van het hart’ de mond spreekt (Luk. 6:45). Wanneer ons hart overvloeit van liefde voor God, beweegt het ons ertoe voor Jehovah’s naam op te komen (Ps. 40:5-10). Ter illustratie: als een vriend op wie je heel erg gesteld bent, valselijk zou worden beschuldigd en jij over de bewijzen van zijn onschuld zou beschikken, zou jouw liefde voor hem je er dan niet toe aanzetten vrijuit te spreken ten einde hem van blaam te zuiveren, ja, hem te rechtvaardigen? Op overeenkomstige wijze wordt ons hart ertoe gedreven de waarheid over Jehovah, onze God, te prediken en te onderwijzen. Aangezien wij weten dat veel mensen God de schuld geven van de onrechtvaardigheden van dit samenstel, willen wij hen over zijn Koninkrijksregeling inlichten, door middel waarvan alle problemen waarmee de mensenwereld te kampen heeft, opgelost zullen worden.
3 En hoe staat het met onze medemensen die nog steeds een deel van de wereld zijn? Degenen die zich nog niet naar Gods voornemen geschikt hebben, verkeren in het dreigende gevaar hun leven te verliezen. Zonder Jehovah’s bescherming is er geen hoop. Ja, zij leven in de schaduw des doods. Als wij onze naaste werkelijk liefhebben als onszelf zullen wij zoveel mogelijk mensen willen helpen nu in een intieme verhouding tot Jehovah te komen. — Rom. 10:14.
DE WAARHEID IEDERE DAG MET ANDEREN DELEN
4 Om in de rechtvaardiging van Jehovah’s naam te delen en onze naasten te helpen, is activiteit van onze zijde vereist. Reageren wij gunstig door de Koninkrijksboodschap bij elke gelegenheid met anderen te delen? Hebben wij geregeld een aandeel aan het van-huis-tot-huiswerk? Dit blijft een bijzonder doeltreffend middel om allen een gelegenheid te bieden de waarheid te horen.
5 Nemen wij ook gelegenheden te baat om informeel getuigenis te geven aan vrienden en familieleden, ja, aan iedereen met wie wij in contact komen? Hoewel wij misschien niet iedere dag aan het van-huis-tot-huiswerk kunnen deelnemen, praten wij bijna elke dag wel met iemand die niet in de waarheid is, een winkelier, verkoper, vriend of familielid, enzovoorts. Als wij allen iedere dag onze gelegenheden te baat nemen de waarheid door middel van informeel getuigenis met anderen te delen, is het vooruitzicht velen te kunnen helpen, inderdaad groot.
NU DRINGENDER DAN OOIT
6 Gedurende het afgelopen dienstjaar werden er in Nederland 1502 personen gedoopt en hadden wij gemiddeld 9749 bijbelstudies per maand; met Jehovah’s zegen valt er dus verdere groei te verwachten. Hoeveel tijd er nog rest om anderen vóór het uitbreken van de „grote verdrukking” te helpen, weet niemand van ons (Matth. 24:36). Wij weten echter wel dat Jezus’ profetieën in Matthéüs 24, Markus 13 en Lukas 21 in dit geslacht vervuld worden.
7 Is het derhalve niet dringend noodzakelijk dat ons hart ons ertoe beweegt edelmoedig van onze tijd en energie aan het predikings- en onderwijzingswerk te geven zolang anderen misschien nog luisteren en gunstig reageren? (Spr. 3:27) Laten wij, gedreven door diepe liefde voor God en onze naaste, alles doen wat in ons vermogen ligt om een aandeel aan de Koninkrijksprediking en het onderwijzingswerk te hebben. — 2 Kor. 5:14, 15.