Ben je bereid dienst te verrichten?
1 Er is ons een buitengewoon groot voorrecht verleend. Het is het voorrecht Jehovah’s Getuigen te zijn. Sta er eens bij stil wat dat betekent. Wij hebben Gods Woord, zijn boodschap voor de mensheid, toevertrouwd gekregen. Die boodschap wijst duidelijk naar de enige regering die de problemen van de gehele mensheid kan oplossen — Gods koninkrijk. En het laat zien hoe alle soorten van mensen eeuwig leven kunnen verkrijgen als onderdanen daarvan. Welk werk zou ook maar in enig opzicht belangrijker kunnen zijn dan het in het openbaar deelnemen aan het verbreiden van dit van God afkomstige goede nieuws? En wat zou duurzamer zegeningen kunnen afwerpen? Helemaal niets!
2 Waarderen wij persoonlijk dit voorrecht? Blijkt uit de manier waarop wij ons leven gebruiken dat dit het geval is?
3 Jehovah zoekt gewillige dienstknechten, degenen die door met waardering gevulde harten worden aangedreven (Ps. 110:3). De liefdevolle voorzieningen die Hij voor ons heeft getroffen zetten ons tot actie aan (1 Joh. 4:8-10). Ja, deze voorzieningen bewegen ons ertoe een aandeel aan dit uiterst belangrijke predikings- en onderwijzingswerk van het goede nieuws van Gods koninkrijk te willen hebben. Jezus Christus zei dat dit werk moet voortgaan tot „het einde [zal] komen” (Matth. 24:14). Ook al is het duidelijk dat het einde van het oude samenstel nabij is, het is toch nog niet gekomen. Geven wij persoonlijk dit werk de nadruk die het verdient?
DOOR GEEST AANGEDREVEN BIJ ONZE AANBIDDING
4 Wanneer iemand zich voor Jehovah’s dienst aanbiedt, stelt niemand voor hem of haar een urenquotum voor velddienst vast. Maar wij moeten ervoor oppassen dat wij het punt waar het om gaat, niet over het hoofd zien. Jezus zei duidelijk dat Jehovah diegenen zoekt die hem „met geest” aanbidden (Joh. 4:23, 24). Dat wil zeggen, zij worden door geest aangedreven bij hun aanbidding; zij weerspiegelen een geest die passend is voor de aanbidding van de ware God. Toen Jezus de vraag beantwoordde van een man die wilde weten wat er werd vereist om eeuwig leven te verwerven, zette hij uiteen dat men in de allereerste plaats Jehovah met zijn gehele ziel moet dienen (Luk. 10:25-28). Dat is aanmoedigend, omdat hieruit blijkt dat God ons niet meet naar wat anderen in staat zijn te doen; iedereen geeft van zichzelf overeenkomstig wat hij als een ziel is; sommigen zijn sterker of hebben een betere gezondheid dan anderen. Terzelfder tijd worden wij hierdoor op de proef gesteld omdat wij moeten tonen wat zich werkelijk in ons hart bevindt en of wij ons gehele leven gebruiken op een wijze die overeenstemt met de liefde voor God die wij beweren te bezitten.
5 Het is opmerkenswaardig dat degenen die in het boek Openbaring worden beschreven als degenen die de „grote verdrukking” overleven degenen zijn die ’dag en nacht heilige dienst voor God verrichten’ (Openb. 7:9, 10, 14, 15). Zij zijn niet enkel geïnteresseerde toeschouwers. Zij zijn niet slechts Koninkrijkszaalbezoekers. Elk aspect van hun leven is rond hun verhouding met God opgebouwd. Geldt dit ook ten aanzien van elk van ons persoonlijk?
6 Wij willen beslist dat dat in ons eigen geval zo is. Maar enkelen beseffen wellicht dat er veranderingen moeten worden aangebracht. Deze zomer zijn er op de „Heilige dienst”-districtsvergaderingen heel wat voortreffelijke suggesties gegeven die ons in elk aspect van onze dienst voor God kunnen helpen. Nu, terwijl deze raad ons nog vers in het geheugen ligt, is het voor ons allemaal de geschikte tijd ijverige krachtsinspanningen in het werk te stellen om ze toe te passen.
7 Het is duidelijk dat er werk te doen is wat het verbreiden van het woord des levens aan anderen betreft. De vraag die ieder voor zich moet beantwoorden is: Ben ik bereid dienst te verrichten?