Theocratische bedieningsschool voor 1973
INSTRUCTIES
In 1973 dient de school der theocratische bediening door alle gemeenten als volgt te worden gehouden:
STUDIEBOEKEN: De toewijzingen zullen gebaseerd zijn op De Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift, Schema’s voor toespraakjes [so], „Vergewist u van alles” [ms], Handleiding voor de Theocratische Bedieningsschool [sg] en „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig” [si].
MONDELING OVERZICHT: 5 minuten. De broeder die de voorgaande week de instructielezing heeft gehouden, zal niet meer dan tien vragen stellen over het materiaal dat hij besproken heeft uit sg of si. Allen mogen hieraan deelnemen.
INSTRUCTIELEZING: No. 1: 15 minuten. Dit dient niet slechts een samenvatting van het toegewezen materiaal te zijn. Het dient een goed uitgewerkte lezing met een zelfgekozen thema te zijn, die bij voorkeur wordt toegewezen aan de ouderlingen van de gemeente, doch indien zij ze niet alle kunnen houden, kunnen enkelen van de bekwame dienaren in de bediening ook een toewijzing hiervoor ontvangen. De stof dient niet oppervlakkig behandeld te worden, maar op een wijze die werkelijk leerzaam en nuttig is voor de gemeente. Indien de spreker die een lezing uit si voorbereidt de Engelse taal machtig is, zou het goed zijn de overeenkomende inlichtingen in Aid to Bible Understanding te lezen om er zeker van te zijn dat de punten die hij brengt up to date zijn.
LEZING NO. 2: 6 minuten. Dit is een lezing waarbij de spreker het toegewezen materiaal in zijn eigen woorden voor de hele zaal behandelt, samenvat of verklaart. In de toepassing dient de waarde van de stof duidelijk te worden gemaakt.
LEZING NO. 3 EN 4: Elk 6 minuten. Indien mogelijk dienen deze lezingen toegewezen te worden aan een zuster, die het lezinkje zittend of staand zal houden. De leerlinge zal in veel gevallen hoofdzakelijk aantekeningen en de bijbel zelf gebruiken ten einde het toegewezen materiaal te behandelen. Er dient één assistent door de schoolopziener toegewezen te worden, maar er kunnen er nog meer gebruikt worden. De vorm waarin het gegoten wordt, kan betrekking hebben op situaties thuis, in de velddienst, de gemeente of elders; soms kan het eenvoudig een gesprek zijn tussen gezinsleden of anderen. Het is het beste de situatie zo eenvoudig, praktisch en realistisch mogelijk te houden. Degene die de lezing houdt, kan de leiding nemen in het gesprek om de situatie te ontwikkelen, of dit door de assistent(en) laten doen. Niet de setting maar de stof dient de voornaamste aandacht te krijgen.
LEZING NO. 5: 6 minuten. Deze lezing dient bij voorkeur aan een broeder met enige ervaring toegewezen te worden en dient voor de hele zaal te worden gehouden. Het zal gewoonlijk het beste zijn wanneer de spreker zijn lezing voorbereidt met het publiek van een Koninkrijkszaal in gedachten, zodat de stof werkelijk leerzaam en nuttig zal zijn voor degenen die ernaar luisteren. Als de stof zich echter speciaal voor een andere praktische en passende setting leent, mag de spreker verkiezen zijn lezing dienovereenkomstig uit te werken.
TOESPRAAKJES: Elk 5 minuten. Deze lezinkjes, die voor de avonden van het schriftelijk overzicht aan broeders of zusters worden toegewezen en uit so worden gehouden, dienen realistisch en praktisch te zijn. Er zullen zoveel punten behandeld worden als men in de toegestane tijdsduur doeltreffend kan bespreken. Het materiaal mag in elke logische volgorde worden behandeld en elke schriftplaats die bij een van de punten wordt aangehaald, mag worden gebruikt. De settingen kunnen variëren, zoals voor lezing No. 3 en 4.
HET VOORBEREIDEN VAN LEZINGEN: Als het materiaal dit toestaat, dienen lezingen een goed uitgewerkt thema te hebben. Als er geen thema is toegewezen, kies dan een thema waardoor het materiaal zo goed mogelijk in de toegestane tijd behandeld kan worden. Houd bij het voorbereiden van alle lezingen de punten in gedachten die aan de beurt zijn op het raadgevingenbriefje. Wanneer er een setting wordt gekozen, probeer dan een setting te kiezen waardoor, als dat geschikt is, het praktische nut van het toegewezen materiaal getoond wordt.
RAADGEVING: Zorg ervoor niet meer dan 2 minuten voor elke oefenlezing te gebruiken. Over elke oefenlezing zal specifieke raad worden gegeven, waarbij het programma van progressieve raadgeving wordt gevolgd dat onder aan het raadgevingenbriefje wordt uiteengezet. Waarderende opmerkingen over belangrijke punten die door sprekers werden behandeld en de waarde die de inlichtingen voor ons hebben, kunnen een hulp zijn om de aandacht van allen voornamelijk op de Schrift gevestigd te houden.
TIJDSBEPALING: Geen enkele spreker, noch de raadgever, dient over tijd te gaan. Bij de lezingen No. 2 t/m 5 zal, indien nodig, een stopteken worden gegeven als de tijd verstreken is.
SCHRIFTELIJK OVERZICHT: 30 minuten. Regelmatig zal er een schriftelijk overzicht worden gehouden. Neem, om je hierop voor te bereiden, het materiaal in ms, si en sg nog eens door. Tijdens het overzicht mag alleen de bijbel gebruikt worden. Wanneer de vragen en antwoorden worden voorgelezen, zal iedere leerling zijn eigen papier nazien. De week daarop zullen in het mondeling overzicht enkele belangrijke punten van het schriftelijk overzicht behandeld worden. Als de plaatselijke omstandigheden het om de een of andere reden noodzakelijk maken, mag het schriftelijk overzicht een week later worden gehouden dan op het schema staat aangegeven.
GROTE EN KLEINE GEMEENTEN: Gemeenten waar vijftig of meer leerlingen voor de school staan ingeschreven, dienen er regelingen voor te treffen dat aparte groepjes leerlingen de op het schema vermelde lezingen houden voor andere ouderlingen, indien dit mogelijk is. Laat de leerlingen over de verschillende ruimten rouleren. Waar dit raadzaam wordt geacht, mogen zusters elke lezing houden, waarbij zij dit tegenover iemand anders doen, zoals voor lezing No. 3 en 4 is aangegeven.
AFWEZIGHEID: Wanneer een leerling die een lezing moet houden, niet aanwezig is, zal een vrijwilliger de toewijzing behartigen, terwijl hij, naar de mate dat hij zich op zo’n korte termijn daartoe in staat voelt, de toepassing van het materiaal laat zien. Of de schoolopziener kan de stof behandelen en, wanneer dit passend is, de zaal aan de bespreking laten meedoen.
SCHEMA
31 dec. Bijbellezen: Ezechiël 1 tot 6
No. 1: si blz. 298 §1 tot blz. 300 §16
No. 2: ms blz. 117, 118. „Waar komen engelen vandaan?”
No. 3: ms blz. 118-122. „Wat doen de engelen?”
No. 4: ms blz. 122. „Zijn engelen niet zondeloos en onsterfelijk?”
No. 5: ms blz. 23-25 „Hoe kunnen jullie zeggen geen antichristen te zijn, als jullie de kerken tegenstaan?”
7 jan. Bijbellezen: Ezechiël 7 tot 12
No. 1: si blz. 301 §17 tot blz. 303 §26
No. 2: ms blz. 25-27. „Jezus’ apostelen waren moedige, rechtschapen mannen met verantwoordelijkheidsgevoel.”
No. 3: ms blz. 27, 28. „Paulus werd een apostel en een lid van het besturende lichaam.” [Echter niet een van de twaalf: wO 71, blz. 479, 480]
No. 4: ms blz. 28, 29. „Christus heeft als fundament-hoeksteen van de gemeente geen opvolgers nodig.”
No. 5: ms blz. 30-33. „Christus, niet Petrus, heeft zeggenschap over toegang tot het Koninkrijk.”
14 jan. Bijbellezen: Ezechiël 13 tot 18
No. 1: si blz. 314 §1 tot blz. 316 §16
No. 2: ms blz. 34, 35. „Armageddon is Gods oorlog, niet die van mensen.”
No. 3: ms blz. 36, 37. „Armageddon is noodzakelijk, kan niet afgewend worden.”
No. 4: ms blz. 37, 38. „Voorziening voor ontkoming bewijst dat Gods liefde geen geweld wordt aangedaan door Armageddon.”
No. 5: ms blz. 319-321. „Intieme omgang met wereldse mensen leidt tot rampspoed.”
21 jan. Bijbellezen: Ezechiël 19 tot 24
No. 1: si blz. 316 §17 tot blz. 319 §32
No. 2: ms blz. 41, 42. „Babylon de Grote is geen letterlijke stad en ook geen politiek of commercieel stelsel.”
No. 3: ms blz. 43, 44. „Religieuze achtergrond van Babylon uit de oudheid, gekant tegen ware aanbidding.”
No. 4: ms blz. 44-46. „Babylon de Grote geïdentificeerd als een wereldrijk van valse religie.”
No. 5: ms blz. 46, 47. „Babylons val gaat aan haar vernietiging vooraf; een tijd om eruit weg te vluchten.”
28 jan. Schriftelijk overzicht. Lees Ezechiël 1 tot 24 uit
Toespraakjes: so 47D en 48A
4 febr. Bijbellezen: Ezechiël 25 tot 30
No. 1: sg blz. 5 §1 tot blz. 8 §16
No. 2: ms blz. 100, 101. „Waarom verwerpen jullie de kinderdoop?”
No. 3: ms blz. 101, 102. „Wat betekent het gedoopt te worden in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige geest?”
No. 4: ms blz. 103, 104. „Doopte Johannes de Doper niet tot vergeving van zonden?”
No. 5: ms blz. 104, 105. „Doop in lichaam en dood van Christus alleen voor 144.000.”
11 febr. Bijbellezen: Ezechiël 31 tot 36
No. 1: sg blz. 9 §1 tot blz. 13 §20
No. 2: ms blz. 69, 70. „Moderne bijbelvertaling draagt bij tot beter begrip.”
No. 3: ms blz. 62-65. „De bijbel is Gods Woord en niet van menselijke oorsprong.”
No. 4: ms blz. 66, 67. „De bijbel is een praktische gids voor onze tijd.”
No. 5: ms blz. 68, 69. „Uitleggingen zijn een zaak van God.”
18 febr. Bijbellezen: Ezechiël 37 tot 42
No. 1: sg blz. 13 §1 tot blz. 19 §17
No. 2: ms blz. 70, 71. „Zich onthouden van bloed is een christelijk vereiste.”
No. 3: ms blz. 71, 72. „Misbruik van bloed betekent verlies van leven.”
No. 4: ms blz. 72, 73. „Bloedschuld kan een doodsoordeel met zich brengen.”
No. 5: ms blz. 478, 479. „Bent u een ’wedergeboren’ christen?”
25 febr. Bijbellezen: Ezechiël 43 tot 48
No. 1: si blz. 280 §23 tot blz. 282 §34
No. 2: ms blz. 75, 76. „Achting verschuldigd aan wereldlijke regeerders voor bewezen diensten.”
No. 3: ms blz. 76. „Waarom doen jullie niet mee aan onze demonstraties voor burgerrechten?”
No. 4: ms blz. 77, 78. „Jullie hebben levensonderhoud aan regering te danken, waarom ondersteunen jullie haar dan niet?”
No. 5: ms blz. 73-75. „Leden van Christus’ bruid moeten aan de vereisten voldoen.”
4 maart. Schriftelijk overzicht. Lees Ezechiël 25 tot 48 uit
Toespraakjes: so 48B en 49A
11 maart. Bijbellezen: Daniël 1 tot 4
No. 1: si blz. 319 §1 tot blz. 322 §11
No. 2: ms blz. 214-217. „Christenen behoeven vieringen van het Wetsverbond niet te houden.”
No. 3: ms blz. 212, 213. „Waarom doe je niet mee aan ons kerstspel?”
No. 4: ms blz. 282-284. „Als u ook een bijdrage geeft aan deze liefdadigheidsinstelling heeft iedereen meegedaan. Geeft u ook iets?”
No. 5: ms blz. 284-286. „Waarom helpen jullie de armen niet in materieel opzicht?”
18 maart. Bijbellezen: Daniël 5 tot 8
No. 1: si blz. 322 §12 tot blz. 326 §30
No. 2: ms blz. 263-265. „Ouders dragen door God geschonken verantwoording voor van hen afhankelijke kinderen.”
No. 3: ms blz. 261, 262. „Verantwoordelijkheid van ouders bij opleiden van kinderen.”
No. 4: ms blz. 262-264. „Verantwoordelijkheid van kinderen wanneer zij worden opgeleid.”
No. 5: ms blz. 266, 267. „De problemen van de jeugd in deze laatste dagen het hoofd bieden.”
25 maart. Bijbellezen: Daniël 9 tot 12
No. 1: si blz. 326 §1 tot blz. 328 §10
No. 2: ms blz. 83. „De twee vooruitzichten die christenen voor ogen zijn gesteld.”
No. 3: ms blz. 80, 81. „Het christendom is een levenswijze.”
No. 4: ms blz. 81, 82. „Ware christenen doen het werk dat Jezus deed.”
No. 5: ms blz. 78-80. „De positie van een christen ten aanzien van God en de wereld.”
1 april. Bijbellezen: Hosea 1 tot 7
No. 1: si blz. 328 §11 tot blz. 330 §21
No. 2: ms blz. 89, 90. „Jezus werd omstreeks 2 v.G.T. geboren.”
No. 3: ms blz. 84-88. „De tijd van Adams schepping berekenen.”
No. 4: ms blz. 88, 89. „De lengte van elke scheppingsdag ongeveer 7000 jaar.”
No. 5: ms blz. 90-92. „’Bestemde tijden der natiën’ eindigden in 1914 G.T.”
8 april. Schriftelijk overzicht. Lees Daniël 1 tot Hosea 7 uit
Toespraakjes: so 49B en 49C
15 april. Bijbellezen: Hosea 8 tot 14
No. 1: sg blz. 19 §1 tot blz. 23 §20
No. 2: ms blz. 149, 150. „Is alleen het houden van de Tien Geboden niet voldoende?”
No. 3: ms blz. 151, 152. „Liefde is het grootste gebod, dat tot leven leidt.”
No. 4: ms blz. 92, 93. „Beoefenden de eerste christenen geen communisme?”
No. 5: ms blz. 93-95. „Politiek communisme is atheïstisch en niet bij machte de mens verlichting te schenken.”
22 april. Bijbellezen: Joël 1 tot 3
No. 1: sg blz. 24 §1 tot blz. 28 §20
No. 2: ms blz. 152, 153. „Gods volk wordt geoordeeld naar hun gedrag, niet alleen naar wat zij geloven.”
No. 3: ms blz. 153. „Ons gedrag, goed of slecht, wordt door ons denken aangezet.”
No. 4: ms blz. 154-156. „Waak tegen egotisme, minachting, strijdlust, twistgierigheid.”
No. 5: ms blz. 154, 155. „Christenen dienen niet toe te geven aan boze vermoedens, onbeheerste toorn, onredelijkheid.”
29 april. Bijbellezen: Amos 1 tot 4
No. 1: sg blz. 29 §1 tot blz. 32 §15
No. 2: ms blz. 157, 158. „Klagen, schimpend gepraat, snoeven niet aangenaam bij God.”
No. 3: ms blz. 156-158. „Vermijd brasserijen, losbandig gedrag, ontuchtig gescherts, schreeuwen tegen anderen.”
No. 4: ms blz. 159-161. „Wees eerbaar, bescheiden, nederig, tevreden.”
No. 5: ms blz. 159-161. „Christenen dienen matig te zijn, ernstig gezind, onderdanig, belangstellend voor anderen.”
6 mei. Bijbellezen: Amos 5 tot 9
No. 1: sg blz. 33 §1 tot blz. 38 §17
No. 2: ms blz. 174, 175. „Zijn de joden niet een speciaal door God uitverkoren volk?”
No. 3: ms blz. 176-178. „Hoe wordt iemand een lid van de gemeente Gods?”
No. 4: ms blz. 177-179. „Als ik naar mijn kerk ga en mijn verplichtingen nakom, zou ik dan ook niet naar de hemel gaan?”
No. 5: ms blz. 506-508. „Overtreding moet aan God beleden worden voordat vergeving geschiedt.”
13 mei. Schriftelijk overzicht. Lees Hosea 8 tot 14, Joël en Amos uit
Toespraakjes: so 49D en 49E.
20 mei. Bijbellezen: Obadja tot Jona 4
No. 1: si blz. 331 §1 tot blz. 334 §12
No. 2: ms blz. 180, 181. „Mijn geweten is zuiver; is dat niet genoeg? Wat moet ik nog meer doen?”
No. 3: ms blz. 181. „Het is beter zich iets te ontzeggen dan een zwakkere broeder aanstoot te geven.”
No. 4: ms blz. 371, 372. „De verstandige heeft waardering voor raad van hen die Gods geest bezitten.”
No. 5: ms blz. 372-375. „Raad die op verstandige wijze gegeven wordt, kan een broeder redden.”
27 mei. Bijbellezen: Micha 1 tot 4
No. 1: si blz. 334 §13 tot blz. 337 §27
No. 2: ms blz. 441, 442. „Het karakter en de belangrijkheid van verbonden in oude tijden.”
No. 3: ms blz. 435, 436. „Gods verbond met Abraham tot zegen van de gehele mensheid.”
No. 4: ms blz. 437-439. „Gods Wetsverbond met Israël nog van belang voor ons, hoewel het afgeschaft is.”
No. 5: ms blz. 439-441. „Doel en functie van het nieuwe verbond.”
3 juni. Bijbellezen: Micha 5 tot 7
No. 1: si blz. 337 §1 tot blz. 340 §15
No. 2: ms blz. 396, 397. „Jehovah is de Schepper, zijn eniggeboren Zoon zijn meesterwerker.”
No. 3: ms blz. 397-399. „Hoe de aarde toebereid werd voor bewoning door de mens.”
No. 4: ms blz. 401, 402. „Moeten dieren beschermen en verzorgen, maar niet aanbidden of vereren.”
No. 5: ms blz. 402, 403. „Afgoden van mensen maken, ondermijnt ware aanbidding.”
10 juni. Bijbellezen: Nahum 1 tot 3
No. 1: si blz. 340 §16 tot blz. 342 §25
No. 2: ms blz. 95, 96. „Oorzaak van de dood.”
No. 3: ms blz. 96-98. „Toestand der doden.”
No. 4: ms blz. 98-100. „Bevrijding van de dood.”
No. 5: ms blz. 273-276. „De waarheid over Jezus’ ’kruis’.”
17 juni. Schriftelijk overzicht. Lees Obadja, Jona, Micha en Nahum uit
Toespraakjes: so 49F en 50A.
24 juni. Bijbellezen: Habakuk 1 tot 3
No. 1: sg blz. 39 §1 tot blz. 43 §18
No. 2: ms blz. 61, 62. „Een rijpe christen dient te weten hoe verstandige beslissingen te nemen.”
No. 3: ms blz. 59, 60. „Keuze van ontspanning een persoonlijke zaak, maar men dient zich hierbij te laten leiden door bijbelse beginselen.”
No. 4: ms blz. 332-334. „Vereisten die aan opdracht voorafgaan.”
No. 5: ms blz. 334, 335. „Wat komt er na de opdracht?”
1 juli. Bijbellezen: Zefanja 1 tot Haggaï 2
No. 1: sg blz. 44 §1 tot blz. 48 §20
No. 2: ms blz. 110, 111. „Waar is de Duivel vandaan gekomen? Is hij een bestaand persoon?”
No. 3: ms blz. 111-113. „Is de Duivel werkelijk verantwoordelijk voor de ellende van de mensheid?”
No. 4: ms blz. 113, 114. „Waarom is het de Duivel toegestaan tot nu toe in leven te blijven?”
No. 5: ms blz. 115, 116. „Wie zijn de demonen en welke invloed oefenen zij uit op de mensheid?”
8 juli. Bijbellezen: Zacharia 1 tot 5
No. 1: sg blz. 49 §1 tot blz. 53 §18
No. 2: ms blz. 409, 410. „Waarom dient er streng onderricht gegeven te worden en hoe dient het te worden ontvangen?”
No. 3: ms blz. 411. „Ouders die van hun kinderen houden, onderrichten hen streng.”
No. 4: ms blz. 428, 429, 431. „Waarom moeten zondaars uit de gemeenschap worden gesloten? Hebben zij niet meer dan ooit hulp nodig?”
No. 5: ms blz. 429, 430. „Juiste procedure die bij uitsluiting gevolgd moet worden.”
15 juli. Bijbellezen: Zacharia 6 tot 10
No. 1: sg blz. 54 §1 tot blz. 58 §16
No. 2: ms blz. 12, 13. „Zal de letterlijke aarde door vuur vernietigd worden?”
No. 3: ms blz. 13, 14. „Wat is het ’einde van de wereld’ waarover de bijbel spreekt?”
No. 4: ms blz. 14, 15. „Hoe Gods regering ten aanzien van de aarde werkzaam zal zijn.”
No. 5: ms blz. 15-17. „Toestanden die onder Christus’ regering op aarde zullen heersen.”
22 juli. Schriftelijk overzicht. Lees Habakuk, Zefanja, Haggaï en Zacharia 1 tot 10 uit
Toespraakjes: so 50B en 50C.
29 juli. Bijbellezen: Zacharia 11 tot 14
No. 1: si blz. 343, 344 §10 (Geef samenvatting en verbind alleen sleutelteksten.)
No. 2: ms blz. 9, 10. „Iedereen heeft aanmoediging nodig en dient deze ook te geven.”
No. 3: ms blz. 11, 12. „Bijbel is een bron van aanmoediging.”
No. 4: ms blz. 450, 451. „Onder alle omstandigheden is volharding noodzakelijk om getrouwheid te bewijzen.”
No. 5: ms blz. 451-453. „Hulpmiddelen om te volharden benutten.”
5 aug. Bijbellezen: Maleachi 1 tot 4
No. 1: si blz. 345, 346 §11 (Geef samenvatting en verbind alleen sleutelteksten.)
No. 2: ms blz. 124, 125. „Evolutie ontkent het bestaan van God als Schepper van alle dingen.”
No. 3: ms blz. 125-127. „Al het bewijsmateriaal wijst op rechtstreekse schepping van afzonderlijke soorten.”
No. 4: ms blz. 127-129. „Geen bewijs ondersteunt overgangsvormen van leven of het evolueren van de mens.”
No. 5: ms blz. 129-131. „Waarom men in evolutie gelooft, ondanks het gebrek aan bewijsmateriaal.”
12 aug. Bijbellezen: Psalm 1 tot 10
No. 1: si blz. 346, 347 (§12 tot Ps. 22:22 [23]. Geef samenvatting en verbind alleen sleutelteksten.)
No. 2: ms blz. 169-172. „Waarachtig geloof is niet slechts lichtgelovigheid; het heeft een sterk fundament.”
No. 3: ms blz. 172-174. „Het bezitten van geloof werpt grote zegeningen af.”
No. 4: ms blz. 456, 457. „Juiste vrees voor God is anders dan andere soorten van vrees.”
No. 5: ms blz. 457-459. „Kennis van en liefde voor God schenkt vrijheid van vrees die beperkingen oplegt.”
19 aug. Bijbellezen: Psalm 11 tot 20
No. 1: si blz. 347-349 (§12 vanaf Ps. 24:1. Geef samenvatting en verbind alleen sleutelteksten.)
No. 2: ms blz. 448. „Jehovah, de Verschaffer van voedsel, legt beperkingen op naar hij het nodig oordeelt.”
No. 3: ms blz. 449, 450. „De keuze van voedsel is persoonlijk, maar liefde spoort aan tot consideratie voor het geloof van een ander.”
No. 4: ms blz. 466, 467. „Alle schepselen moeten onderworpenheid erkennen vanwege het feit dat ze geschapen zijn.”
No. 5: ms blz. 467-469. „Zij die geen dienstknechten van God zijn, maken zich slaven van anderen.”
26 aug. Schriftelijk overzicht. Lees Zacharia 11 tot 14, Maleachi en Psalm 1 tot 20 uit
Toespraakjes: so 51A en 51B
2 sept. Bijbellezen: Psalm 21 tot 30
No. 1: sg blz. 58 §1 tot blz. 63 §18
No. 2: ms blz. 461. „Ieder die een vriend van de wereld is, maakt zich tot Gods vijand.”
No. 3: ms blz. 461-463. „Christenen zijn geen deel van deze wereld.”
No. 4: ms blz. 463, 465. „Christenen spreken niet of handelen niet zoals mensen in de wereld.”
No. 5: ms blz. 465, 466. „Christenen doen goed in ruil voor kwade dat deze wereld beoefent.”
9 sept. Bijbellezen: Psalm 31 tot 36
No. 1: sg blz. 64 §1 tot blz. 69 §22
No. 2: ms blz. 472, 473. „Liefde voor God betekent vreugde in de dienst.”
No. 3: ms blz. 474. „Vriendelijkheid en lankmoedigheid dragen bij tot vreedzame verhoudingen.”
No. 4: ms blz. 475, 476. „Ons geloof is afhankelijk van de werking van Gods geest.”
No. 5: ms blz. 477, 478. „Hoe Jehovah’s geest aan te kweken om vrucht ervan ten toon te spreiden.”
16 sept. Bijbellezen: Psalm 37 tot 43
No. 1: sg blz. 69 §1 tot blz. 73 §13
No. 2: ms blz. 140, 141. „Diensttoewijzingen in Gods organisatie zijn gaven Gods die naar waarde geschat moeten worden.”
No. 3: ms blz. 141, 142. „Gods gaven aan ons werpen onschatbare zegeningen af.”
No. 4: ms blz. 142-144. „Wonderbaarlijke gaven van de geest werden aan de eerste gemeente geschonken.”
No. 5: ms blz. 165, 166. „Gehenna, de werkelijkheid en het symbool.”
23 sept. Bijbellezen: Psalm 44 tot 51
No. 1: sg blz. 73 §1 tot blz. 78 §17
No. 2: ms blz. 187, 188. „God leeft! Hoe wij dat weten.”
No. 3: ms blz. 188, 189. „Bestaan van andere goden doet niets aan Jehovah’s oppermacht af.”
No. 4: ms blz. 182-185. „Wonderbaarlijke gezondmaking was niet afhankelijk van het geloof van degene die gezond gemaakt werd.”
No. 5: ms blz. 185-187. „Wonderbaarlijke gezondmaking niet de grootste gave; geestelijke gezondmaking voortreffelijker.”
30 sept. Schriftelijk overzicht. Lees Psalm 21 tot 51 uit
Toespraakjes: so 51C en 52A
7 okt. Bijbellezen: Psalm 52 tot 62
No. 1: si blz. 7 §1 tot blz. 9 §18
No. 2: ms blz. 198-200. „Gij moet Jehovah liefhebben met uw gehele hart.”
No. 3: ms blz. 198-200. „Het verwerven van een goed hart betekent leven.”
No. 4: ms blz. 210, 211. „Ik dacht dat alle goede mensen naar de hemel gingen.”
No. 5: ms blz. 209, 210. „Hoop op hemels leven alleen voor een ’kleine kudde’.”
14 okt. Bijbellezen: Psalm 63 tot 71
No. 1: si blz. 9 §19 tot blz. 12 §33
No. 2: ms blz. 202, 203. „Onnauwkeurige bijbelvertalingen dragen bij tot leerstellige verwarring.”
No. 3: ms blz. 202. „Toestand van de doden maakt pijniging in hellevuur onmogelijk.”
No. 4: ms blz. 204. „Niemand blijft voor altijd in de hel.”
No. 5: ms blz. 205-207. „Wat illustreert de gelijkenis van de rijke man en Lazarus?”
21 okt. Bijbellezen: Psalm 72 tot 78
No. 1: si blz. 12. „De geïnspireerde schrijvers van de bijbel.”
No. 2: ms blz. 132, 137-140. „Feestdagen zijn geen onderdeel van de ’weg der waarheid’.”
No. 3: ms blz. 133-135. „Is Kerstmis dan niet leuk voor onze kinderen?”
No. 4: ms blz. 135-137. „De Grote Vasten en Pasen dragen de kenmerken van heidense invloed.”
No. 5: ms blz. 123, 124. „Het christelijke standpunt t.a.v. eretitels.”
28 okt. Bijbellezen: Psalm 79 tot 88
No. 1: si blz. 349 §1 tot blz. 352 §16
No. 2: ms blz. 17-19. „De onredelijkheid van afgodenaanbidding.”
No. 3: ms blz. 19, 20. „Mijn beelden zijn slechts ’hulpmiddelen voor devotie’.”
No. 4: ms blz. 21, 22. „Gods hedendaagse dienstknechten waken voor alle vormen van afgoderij.”
No. 5: ms blz. 308-310. „Gods gunst rust slechts op hen die nederig van geest zijn.”
4 nov. Schriftelijk overzicht. Lees Psalm 52 tot 88 uit
Toespraakjes: so 52B en 53A
11 nov. Bijbellezen: Psalm 89 tot 96
No. 1: sg blz. 78 §1 tot blz. 84 §24
No. 2: ms blz. 323, 324. „Wie van Gods schepselen verwerven onsterfelijkheid?”
No. 3: ms blz. 222, 223. „Was Jezus Christus geen incarnatie van God?”
No. 4: ms blz. 224-226. „De Hebreeuwse Geschriften illustreren de dwaasheid van intergeloof.”
No. 5: ms blz. 227-231. „Jehovah’s getuigen volgen Christus’ voorbeeld en vermijden strikt intergeloof.”
18 nov. Bijbellezen: Psalm 97 tot 105
No. 1: sg blz. 84 §1 tot blz. 90 §15
No. 2: ms blz. 233, 234. „Jehovah’s eigenschappen sporen zijn aanbidders tot liefde aan.”
No. 3: ms blz. 231. „Waarom staan jullie erop God met de naam Jehovah aan te duiden?”
No. 4: ms blz. 232-234. „Wat de bijbel ons over Jehovah leert.”
No. 5: ms blz. 235-237. „Jehovah’s liefdevolle en rechtvaardige vereisten voor de mensheid.”
25 nov. Bijbellezen: Psalm 106 tot 109
No. 1: sg blz. 90 §1 tot blz. 95 §18
No. 2: ms blz. 237, 238. „Jehovah’s getuigen — hun naam en oorsprong.”
No. 3: ms blz. 240-242. „Waarom zijn jullie kerkdiensten zo anders dan die van andere religies?”
No. 4: ms blz. 238-242. „De plaats van de bijbel in het leven van Jehovah’s getuigen.”
No. 5: ms blz. 238-240. „Van welke God bent u, wat uw gedrag betreft, een getuige?”
2 dec. Bijbellezen: Psalm 110 tot 118
No. 1: sg blz. 96 §1 tot blz. 99 §10
No. 2: ms blz. 242-244. „De theocratische structuur van Jehovah’s organisatie.”
No. 3: ms blz. 244-247. „De velddienst — een voornaam kenmerk van de ware aanbidding thans.”
No. 4: ms blz. 247. „Vertegenwoordigers van het Koninkrijk moeten moreel rein zijn.”
No. 5: ms blz. 247-249. „Wat gehoorzaamheid aan Christus’ gebod om afgescheiden van de wereld te zijn, voor Jehovah’s getuigen heeft betekend.”
9 dec. Schriftelijk overzicht. Lees Psalm 89 tot 118 uit
Toespraakjes: so 54A en 54B
16 dec. Bijbellezen: Psalm 119 tot 122
No. 1: si blz. 13 §1 tot blz. 14 §9
No. 2: ms blz. 249, 250. „Leert de Schrift dat Jezus Christus God de Almachtige is?”
No. 3: ms blz. 250-253. „Hoe weet u dat Jezus de Messías is?”
No. 4: ms blz. 253, 254. „Wat de dood van Christus voor de mensheid mogelijk heeft gemaakt.”
No. 5: ms blz. 254, 255. „Welk standpunt hebt u t.a.v. de Zoon van God ingenomen?”
23 dec. Bijbellezen: Psalm 123 tot 139
No. 1: si blz. 14 §10 tot blz. 16 §22
No. 2: ms blz. 324, 325. „Hebt u het recht een ander te oordelen?”
No. 3: ms blz. 459, 460. „Ik heb helemaal geen vreugde meer in het leven.”
No. 4: ms blz. 325-327. „Uw activiteiten thans zijn van eeuwig belang.”
No. 5: ms blz. 327, 328. „God heeft een dag vastgesteld waarop hij de bewoonde aarde zal oordelen.”
30 dec. Bijbellezen: Psalm 140 tot 150
No. 1: si blz. 16 §23 tot blz. 17 §32
No. 2: ms blz. 375-378. „Hoe kan enig mens rechtvaardig verklaard worden?”
No. 3: ms blz. 195, 196. „Kan iemand die geen goedheid bezit, een christen zijn?”
No. 4: ms blz. 196-198. „Mis niet het doel van Gods onverdiende goedheid.”
No. 5: ms blz. 375-378. „De ’kleine kudde’ rechtvaardig verklaard, vergeleken met positie van de ’andere schapen’.”