Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w98 1/12 blz. 27-31
  • Van keizeraanbidding tot de ware aanbidding

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Van keizeraanbidding tot de ware aanbidding
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vroege religieuze invloeden
  • De oorlogsjaren
  • Er ontstaat nieuwe hoop
  • De vreugde van de pioniersdienst
  • Voorproefje van de nieuwe wereld
  • Mijn waardering voor mijn toewijzingen
  • Veel redenen tot verheuging
  • Jehovah trekt eenvoudige mensen tot de waarheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2003
  • Mijn vader werd ’met een atoombom uit de gevangenis gebombardeerd’
    Ontwaakt! 1994
  • Jehovah verlaat zijn dienstknechten niet
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1988
  • „Natuurlijk kun je het, Kayoko. Ik kon het toch ook!”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
w98 1/12 blz. 27-31

Van keizeraanbidding tot de ware aanbidding

ZOALS VERTELD DOOR ISAMU SUGIURA

Hoewel het in 1945 duidelijk was dat Japan de Tweede Wereldoorlog aan het verliezen was, waren wij ervan overtuigd dat de kamikaze („wind der goden”) op zou steken die de vijand zou verslaan. De aanduiding kamikaze verwijst naar de stormen die in 1274 en 1281 twee keer een groot deel van de invallende Mongoolse oorlogsvloot voor de Japanse kust vernielden waardoor zij gedwongen werden zich terug te trekken.

TOEN keizer Hirohito daarom op 15 augustus 1945 de natie meedeelde dat Japan zich had overgegeven aan de Geallieerden, werd de hoop van zo’n honderd miljoen aan hem toegewijde mensen de bodem ingeslagen. Ik was toen een schooljongen en ook mijn hoop lag in duigen. ’Als de keizer niet de levende God is, wie dan wel?’, vroeg ik me af. ’In wie moet ik mijn vertrouwen stellen?’

In werkelijkheid echter opende de nederlaag van Japan in de Tweede Wereldoorlog de weg voor mij en duizenden andere Japanners om de ware God, Jehovah, te leren kennen. Voordat ik vertel over de veranderingen die ik moest aanbrengen, zal ik u kennis laten maken met mijn religieuze opvoeding.

Vroege religieuze invloeden

Ik ben op 16 juni 1932 als jongste van vier jongens geboren in de stad Nagoya. Vader werkte als landmeter bij de stad. Moeder was een vrome aanhangster van Tenrikyo, een sjintô-sekte, en mijn oudste broer had een religieuze opleiding voor Tenrikyo-leraar gevolgd. Vooral Moeder en ik hadden een hechte band en zij nam me mee naar de vergaderplaats voor aanbidding.

Zij leerden mij mijn hoofd te buigen en te bidden. De Tenrikyo-religie onderwees geloof in een schepper met de naam Tenri O no Mikoto alsook in tien mindere goden. Haar leden deden aan gebedsgenezing en legden de nadruk op het dienen van anderen en het verbreiden van hun geloofsovertuigingen.

Als jongen was ik erg nieuwsgierig. Ik verwonderde mij over de maan en de talloze sterren aan de nachtelijke hemel en vroeg me af tot hoever de ruimte achter de hemel zich uitstrekte. Ik vond het fascinerend de groei van aubergines en komkommers te zien die ik op een klein stukje grond achter ons huis had geplant. Het observeren van de natuur versterkte mijn geloof in God.

De oorlogsjaren

Mijn lagere-schooltijd van 1939 tot 1945 viel samen met de periode van de Tweede Wereldoorlog. In onze schoolopleiding werd de nadruk gelegd op de keizeraanbidding, een belangrijk onderdeel van sjintô. Wij kregen les in shushin, hetgeen inhield dat ons morele beginselen werden bijgebracht die een ondertoon hadden van nationalisme en militarisme. Vlaggegroetceremonies, het zingen van het volkslied, het bestuderen van de keizerlijke onderwijsverordeningen, en het bewijzen van eer aan een foto van de keizer hoorden allemaal bij onze schoolroutine.

Ook gingen wij naar het plaatselijke sjintô-heiligdom om God te verzoeken het keizerlijke leger de overwinning te schenken. Twee van mijn broers dienden in het leger. Vanwege mijn nationalistisch-religieuze indoctrinatie verheugde ik mij over het nieuws van de successen die door het Japanse leger werden behaald.

Nagoya was een centrum voor de Japanse vliegtuigindustrie en was dus een belangrijk doelwit voor grootscheepse aanvallen van de Amerikaanse luchtmacht. Overdag vlogen er formaties B-29 Superfortress-bommenwerpers over de stad die vanaf een hoogte van zo’n negen kilometer grote hoeveelheden bommen wierpen op de industrieterreinen. ’s Nachts lokaliseerden de zoeklichten de bommenwerpers op een hoogte van slechts 1300 meter. Herhaalde luchtaanvallen met brandbommen veroorzaakten felle branden in de woonwijken. Tijdens de laatste negen maanden van de oorlog werd alleen al Nagoya getroffen door 54 luchtaanvallen die veel lijden en meer dan 7700 doden tot gevolg hadden.

Inmiddels werden tien kuststeden bestookt vanaf oorlogsschepen en hadden de mensen het over een mogelijke landing van de Amerikaanse troepen bij Tokio. Vrouwen en kleine jongens werden opgeleid om met bamboesperen te vechten om hun land te beschermen. Ons motto was „Ichioku Sougyokusai”, wat „Liever 100 miljoen doden dan overgave” betekende.

Op 7 augustus 1945 berichtte een krantekop: „Nieuw type bom op Hiroshima gevallen”. Twee dagen later viel er nog zo’n bom, ditmaal op Nagasaki. Dit waren atoombommen en later werd ons verteld dat ze bij elkaar een tol van meer dan 300.000 mensenlevens hadden geëist. Op 15 augustus hoorden we toen na afloop van een trainingsmars met houten geweren de toespraak van de keizer waarin hij de capitulatie van Japan aankondigde. Wij waren ervan overtuigd geweest dat wij zouden winnen, maar nu waren wij totaal ontredderd!

Er ontstaat nieuwe hoop

Toen de bezetting van de Amerikaanse troepen een aanvang nam, accepteerden wij geleidelijk het feit dat de Verenigde Staten de oorlog hadden gewonnen. In Japan werd de democratie ingevoerd alsmede een nieuwe grondwet die vrijheid van aanbidding garandeerde. De levensomstandigheden waren zwaar, voedsel was schaars, en in 1946 stierf mijn vader aan ondervoeding.

Intussen begon men op de school die ik bezocht Engelse les te geven en het NHK-radiostation startte een programma voor Engelse conversatie. Vijf jaar lang luisterde ik dagelijks met het lesboek erbij naar dit populaire programma. Zo kwam het dat ik ervan ging dromen ooit naar de Verenigde Staten te gaan. Omdat ik teleurgesteld was in de sjintô- en boeddhistische religies begon ik te denken dat de waarheid over God misschien in westerse religies gevonden zou kunnen worden.

Begin april 1951 ontmoette ik Grace Gregory, een zendelinge van het Wachttorengenootschap. Zij stond voor het treinstation van Nagoya en bood een Engels exemplaar van De Wachttoren en een Japanse brochure over een bijbels onderwerp aan. De bescheidenheid die zij toonde door zulk werk te doen, maakte indruk op mij. Ik nam beide publikaties en aanvaardde graag haar aanbod van een bijbelstudie. Ik beloofde een aantal dagen later naar haar huis te komen voor bijbelstudie.

Toen ik plaatsnam in de trein en in De Wachttoren begon te lezen, trok het eerste woord in het inleidende artikel, „Jehovah”, mijn aandacht. Ik had die naam nog nooit gezien. Ik verwachtte niet dat het in het kleine Engels-Japanse woordenboek zou staan dat ik bij me had, maar het stond er wel in! „Jehovah . . ., de God van de bijbel.” Nu begon ik dingen te weten te komen over de God van het christendom!

Bij dat eerste bezoek aan het zendelingenhuis hoorde ik dat er een paar weken later een bijbelse toespraak zou worden gehouden door Nathan H. Knorr, de toenmalige president van de Watchtower Bible and Tract Society. Hij bezocht Japan samen met zijn secretaris, Milton Henschel, en zou naar Nagoya komen. Hoewel mijn bijbelkennis beperkt was, genoot ik erg van de lezing en de omgang met de zendelingen en andere aanwezigen.

In zo’n twee maanden tijd leerde ik door de studie met Grace de fundamentele waarheden over Jehovah, Jezus Christus, het loskoopoffer, Satan de Duivel, Armageddon en de Paradijsaarde. Het goede nieuws van het Koninkrijk was precies de soort boodschap waarnaar ik had gezocht. Toen ik begon met de studie, ging ik ook meteen de gemeentevergaderingen bezoeken. Ik hield van de vriendelijke sfeer op deze bijeenkomsten waar de zendelingen ongedwongen met de Japanners omgingen en met ons op de tatami (geweven stromatten) zaten.

In oktober 1951 werd in Japan de eerste kringvergadering gehouden, in de Nakanoshima-stadsgehoorzaal in de stad Osaka. In heel Japan waren nog geen 300 Getuigen; toch woonden zo’n 300 personen de vergadering bij, met inbegrip van bijna 50 zendelingen. Ik had zelfs een klein aandeel aan het programma. Wat ik zag en hoorde maakte zo’n indruk op mij dat ik me in mijn hart voornam Jehovah mijn gehele leven te dienen. De volgende dag werd ik in het lauwe water van een nabijgelegen openbaar badhuis gedoopt.

De vreugde van de pioniersdienst

Ik wilde pionier worden, zoals volle-tijddienaren van Jehovah’s Getuigen worden genoemd, maar ik vond ook dat ik de verplichting had mijn familie financieel te ondersteunen. Toen ik al mijn moed bijeen had geraapt om mijn baas van mijn wens op de hoogte te brengen, was ik verbaasd hem te horen zeggen: „Ik zal hier graag mijn medewerking aan geven als dat je gelukkig zou maken.” Het was voor mij mogelijk om slechts twee dagen per week te werken en ik was ook nog in staat bij te dragen aan mijn moeders huishoudgeld. Ik voelde me echt als een vogel die uit een kooi was vrijgelaten.

Toen de omstandigheden steeds beter werden, begon ik op 1 augustus 1954 te pionieren, in een gebied achter het station van Nagoya, een paar minuten lopen van de plek waar ik Grace voor het eerst had ontmoet. Na een aantal maanden kreeg ik een toewijzing om te dienen als speciale pionier in Beppu, een stad op het westelijke eiland Kyushu. Tsutomu Miura werd toegewezen als mijn partner.a Er was op dat moment nog geen enkele gemeente van Jehovah’s Getuigen op het eiland, maar nu zijn er honderden, verdeeld over 22 kringen!

Voorproefje van de nieuwe wereld

Toen broeder Knorr Japan in april 1956 weer bezocht, vroeg hij mij een aantal paragrafen voor te lezen uit een Engelse Wachttoren. Hij zei niet waarom, maar een paar maanden later kreeg ik een brief waarin ik werd uitgenodigd de 29ste klas van de zendelingenschool Gilead te bezoeken. Dus begon ik in november dat jaar aan een opwindende reis naar de Verenigde Staten die een oude droom in vervulling deed gaan. Een paar maanden met de grote Bethelfamilie in Brooklyn samenwerken en samenwonen, versterkte mijn geloof in Jehovah’s zichtbare organisatie.

In februari 1957 reed broeder Knorr met drie van ons, studenten, naar de campus van de Gileadschool in South Lansing, in de staat New York. Tijdens de volgende vijf maanden op de Gileadschool, waarin ik in Jehovah’s Woord werd onderwezen en met medestudenten in een prachtige omgeving woonde, kreeg ik een voorproefje van de Paradijsaarde. Tien van de 103 studenten, met inbegrip van mij, werden toegewezen aan Japan.

Mijn waardering voor mijn toewijzingen

Toen ik in oktober 1957 in Japan terugkwam, waren er ongeveer 860 Getuigen. Ik werd als kringopziener aan de reizende dienst toegewezen, maar eerst kreeg ik voor dat werk een paar dagen opleiding van Adrian Thompson in Nagoya. Mijn kring besloeg een gebied van Shimizu, vlak bij de Fujiyama, tot aan het eiland Shikoku met inbegrip van grote steden als Kyoto, Osaka, Kobe en Hiroshima.

In 1961 kreeg ik de toewijzing om als districtsopziener te dienen. Dit betekende dat ik van het besneeuwde noordelijke eiland Hokkaido naar het subtropische eiland Okinawa reisde en zelfs nog verder naar de Ishigaki-eilanden bij Taiwan, een afstand van ongeveer 3000 kilometer.

In 1963 werd ik vervolgens uitgenodigd voor een tien-maandencursus van de Gileadschool op Bethel in Brooklyn. Tijdens de cursus beklemtoonde broeder Knorr de belangrijkheid van het hebben van een juiste houding ten opzichte van werktoewijzingen. Hij zei dat toiletten schoonmaken net zo’n belangrijke toewijzing was als werken op kantoor. Als de toiletten niet schoon waren, zei hij, zou dat van invloed zijn op de hele Bethelfamilie en hun werk. Later, in Japan, bestond een deel van mijn werk op Bethel uit het schoonmaken van toiletten en herinnerde ik me die raad.

Na mijn terugkeer in Japan werd ik opnieuw aan het reizende werk toegewezen. Een paar jaar later, in 1966, trouwde ik met Junko Iwasaki, een speciale pionierster die in de stad Matsue diende. Lloyd Barry, destijds de bijkantooropziener van Japan, hield een hartverwarmende huwelijkslezing. Daarna vergezelde Junko mij in het reizende werk.

In 1968 veranderde onze toewijzing toen ik werd uitgenodigd naar het bijkantoor in Tokio te komen om vertaalwerk te doen. Vanwege het gebrek aan kamers pendelde ik vanuit de wijk Sumida in Tokio heen en weer en Junko diende als speciale pionier in de plaatselijke gemeente. Inmiddels waren er grotere bijkantoorfaciliteiten nodig. In 1970 werd daarom in Numazu, niet ver van de Fujiyama, een stuk grond gekocht waar een drukkerij van drie verdiepingen en een woongebouw werden gebouwd. Voordat met de bouw werd begonnen, werden verscheidene huizen op het terrein gebruikt voor de Koninkrijksbedieningsschool, die voorziet in opleiding voor gemeenteopzieners. Ik had het voorrecht op deze school les te geven en Junko zorgde voor de maaltijden voor de studenten. Het was opwindend om daar honderden christelijke mannen een speciale opleiding voor de bediening te zien krijgen.

Op een middag ontving ik een dringend telegram. Moeder was in het ziekenhuis opgenomen en men verwachtte dat zij niet lang meer zou leven. Ik nam de kogeltrein naar Nagoya en haastte me naar het ziekenhuis. Zij was buiten kennis maar ik bleef die nacht bij haar bed zitten. Moeder overleed vroeg in de ochtend. Toen ik terugreed naar Numazu kon ik mijn tranen niet bedwingen toen ik terugdacht aan de moeilijke tijden die zij in haar leven had doorgemaakt en de genegenheid die zij voor mij had gehad. Indien het Jehovah’s wil is, zal ik haar in de opstanding terugzien.

Al gauw werden de faciliteiten in Numazu te klein voor de Bethelfamilie. Dus werd in de stad Ebina zeven hectare grond gekocht en in 1978 werd met de bouw van een nieuw bijkantoorcomplex begonnen. Nu is alle beschikbare ruimte op dit terrein bebouwd met drukkerij- en woongebouwen alsmede een congreshal met meer dan 2800 zitplaatsen. De laatste toevoeging, die bestaat uit twee woongebouwen van dertien verdiepingen en een parkeergarage annex utiliteitsgebouw van vijf verdiepingen werd eerder dit jaar voltooid. Onze Bethelfamilie telt nu ongeveer 530 leden maar in de vergrote faciliteiten zullen wij zo’n 900 personen kunnen huisvesten.

Veel redenen tot verheuging

Het is opwindend geweest om de bijbelse profetie dat de „geringe tot een machtige natie” zal worden, in vervulling te zien gaan (Jesaja 60:22). Ik herinner me dat een van mijn broers mij in 1951 vroeg: „Hoeveel Getuigen zijn er in Japan?”

„Ongeveer 260”, antwoordde ik.

„Is dat alles?”, vroeg hij op kleinerende toon.

Ik weet nog dat ik dacht: ’De tijd zal leren hoeveel personen Jehovah in dit sjintoïstisch-boeddhistische land tot zijn aanbidding zal trekken.’ En Jehovah heeft het antwoord gegeven! Tegenwoordig zijn er geen niet-toegewezen predikingsgebieden meer in Japan en het aantal ware aanbidders is aangegroeid tot meer dan 222.000 in 3800 gemeenten!

De afgelopen 44 jaar van mijn leven in de volle-tijddienst — waarvan 32 met mijn lieve vrouw — zijn bijzonder gelukkig geweest. Vijfentwintig jaar hiervan heb ik op de Vertaalafdeling op Bethel gediend. In september 1979 werd ik ook uitgenodigd om een lid van het bijkantoorcomité van Jehovah’s Getuigen in Japan te worden.

Het is een voorrecht en een zegen geweest om een klein aandeel te hebben gehad aan het helpen van oprechte, vredelievende mensen om Jehovah te gaan aanbidden. Velen hebben zich net als ik veranderd van iemand die de keizer vereerde tot iemand die de enige ware God, Jehovah, aanbidt. Het is mijn oprechte wens om nog velen meer te helpen Jehovah’s zegevierende zijde te kiezen en eeuwig leven in de vredige nieuwe wereld te verwerven. — Openbaring 22:17.

[Voetnoot]

a Zijn vader was een getrouwe Getuige die toen hij in 1945 in de gevangenis zat, de atoombomexplosie boven Hiroshima heeft overleefd. Zie de Ontwaakt! van 8 oktober 1994, blz. 11-15.

[Illustratie op blz. 29]

In het onderwijs op school stond de keizeraanbidding centraal

[Verantwoording]

The Mainichi Newspapers

[Illustratie op blz. 29]

In New York met broeder Franz

[Illustratie op blz. 29]

Met mijn vrouw, Junko

[Illustratie op blz. 31]

Op de Vertaalafdeling

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen