Jehovah handelt loyaal
ZOALS VERTELD DOOR PETER PALLISER
Het was december 1985. Met groeiende opwinding begonnen wij aan onze afdaling naar de internationale luchthaven in Nairobi (Kenia). Toen wij later de stad binnenreden, kwamen de herinneringen weer boven, opgeroepen door vertrouwde beelden en geluiden.
WIJ kwamen naar Kenia om het „Rechtschapenheidbewaarders”-districtscongres van Jehovah’s Getuigen bij te wonen. Twaalf jaar eerder hadden mijn vrouw en ik Kenia noodgedwongen verlaten omdat ons predikingswerk verboden werd. Wij hadden daar op Bethel gewoond, zoals de bijkantoren van Jehovah’s Getuigen genoemd worden. Wat een plezierige verrassing wachtte ons toen wij daar opnieuw een bezoek brachten!
Op Bethel was een van degenen die hielp het middagmaal te bereiden een jonge Getuige die wij al vanaf haar tweede jaar gekend hadden. Minstens zes leden van de Bethelfamilie hadden wij als kinderen gekend. Wat een vreugde was het te zien hoe zij nu als jonge volwassenen samen met hun familie allemaal nog actief in de bediening waren! Onze God, Jehovah, had voor hen gezorgd, in overeenstemming met de bijbelse belofte: „Jegens iemand die loyaal is, zult gij loyaal handelen” (2 Samuël 22:26). Wat een tegenstelling proefde ik tussen mijn eigen jonge jaren en het voldoening schenkende leven dat deze jonge mensen leidden!
Jonge jaren zonder doel
Ik ben op 14 augustus 1918 in Scarborough (Engeland) geboren. Twee jaar later vertrokken mijn moeder en stiefzuster naar Canada, met het gevolg dat ik de volgende drie jaar bij mijn vader, zijn moeder en zijn zuster heb gewoond. Toen ik vijf was, werd ik door mijn moeder ontvoerd en meegenomen naar Montreal (Canada). Vier jaar later stuurde zij mij terug naar Engeland, waar ik bij mijn vader in huis kwam en naar school ging.
Mijn moeder en stiefzuster schreven mij ongeveer iedere zes maanden. Zij besloten hun brieven altijd met de wens dat ik een goed burger zou zijn, loyaal aan koning en vaderland. Mijn antwoorden zullen hen wel teleurgesteld hebben, want ik schreef dat ik geloofde dat nationalisme en oorlog verkeerd waren. Maar omdat ik geen duidelijke leiding kreeg, doolde ik in mijn tienerjaren maar zo’n beetje stuurloos rond.
Toen werd ik, in juli 1939, zes weken voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, voor militaire dienst in het Britse leger opgeroepen. Ik was pas twintig. Al spoedig werd mijn regiment naar Noord-Frankrijk gestuurd. Als Duitse vliegtuigen ons aanvielen, richtten wij jonge kerels onze geweren en schoten op hen. Het was een angstig bestaan. Wij trokken terug voor de oprukkende Duitse troepen en ik behoorde tot degenen die in de eerste week van juni 1940 in Duinkerke geëvacueerd werden. Ik denk nog steeds met afgrijzen terug aan het gezicht van een heel bataljon doden die verspreid over het strand lagen. Ik overleefde die nachtmerrie en kwam aan boord van een klein vrachtschip in Harwich, in het oosten van Engeland, aan.
Het jaar daarop, in maart 1941, werd ik naar India gestuurd. Daar kreeg ik een opleiding als instrumentmaker. Na een tijdlang in het ziekenhuis te hebben gelegen als gevolg van een infectie werd ik naar een legereenheid in Delhi, de hoofdstad van India, overgeplaatst. Ver van huis en nog steeds niet in orde begon ik over de toekomst na te denken. In het bijzonder vroeg ik mij af wat er met ons gebeurt als wij sterven.
Een nieuwe loyaliteit betrachten
In Delhi was een mede-Engelsman, Bert Gale, mijn kamergenoot. Op een dag zei hij dat „religie van de Duivel was”, een opmerking die mijn belangstelling wekte. Zijn vrouw was een van Jehovah’s Getuigen geworden en van tijd tot tijd stuurde zij hem bijbelse publikaties. Een daarvan, de brochure Hoop, interesseerde mij hevig. De bespreking daarin over de opstandingshoop gaf mij een echt gevoel van kalmte.
Ergens in het begin van 1943 sprak Bert met een Anglo-Indiase burger, Teddy Grubert, die bij ons op de militaire basis werkte. Tot onze verbazing vernamen wij dat Teddy een Getuige was. Hoewel in 1941 de publikaties van Jehovah’s Getuigen verboden waren verklaard, nam hij ons mee naar de vergaderingen die door de Getuigen in Delhi werden gehouden. In die kleine gemeente vond ik voor het eerst van mijn leven echte, hartelijke kameraadschap. Basil Tsatos, een oudere christelijke broeder uit Griekenland, nam mij onder zijn hoede en beantwoordde mijn vragen. Hij gaf duidelijke bijbelse antwoorden op vragen over de reden waarom wij oud worden en sterven, de opstanding en Gods beloofde nieuwe wereld van rechtvaardigheid. — Handelingen 24:15; Romeinen 5:12; 2 Petrus 3:13; Openbaring 21:3, 4.
In het bijzonder de brochure Vrede — Is hij van blijvenden duur? die in 1942 was uitgegeven, wekte mijn belangstelling. Daarin werd de Volkenbond geïdentificeerd als het ’scharlakengekleurde wilde beest’ (Openbaring 17:3). De brochure haalde Openbaring hoofdstuk 17 vers 11 aan en merkte vervolgens op: „Nu kan gezegd worden, dat de bond ’was, en niet is’.” Verderop werd gezegd: „De vereeniging der natiën zal terugkeeren.” Dat is precies wat er in 1945, meer dan drie jaar later, gebeurde toen de organisatie der Verenigde Naties werd opgericht!
In de periode dat de lectuur van de Getuigen verboden was, kon ik mijn nieuwgevonden vrienden helpen. Als er een doos met brochures Vrede — Is hij van blijvenden duur? arriveerde, gaf de gemeente die aan mij om te bewaren. Wie zou op het idee komen in het legerkamp naar verboden lectuur te zoeken? Telkens als ik naar de vergaderingen ging, nam ik een paar brochures mee om de broeders van voorraad voorzien te houden. Ik verstopte zelfs hun persoonlijke bijbelse lectuur als zij een huiszoeking vreesden. Ten slotte werd op 11 december 1944 het verbod opgeheven.
Tijdens de kerstvieringen van 1943 die voor ons detachement werden georganiseerd, werd mijn loyaliteit aan christelijke leringen op de proef gesteld. Ik weigerde eraan mee te doen, omdat ik geleerd had dat Jezus niet in de decemberkou geboren was en dat de vroege christenen geen Kerstmis vierden. — Vergelijk Lukas 2:8-12.
Toen van 27 tot 31 december 1944 in Jubbulpore (Jabalpur) het „Verenigde Aanbidders”-congres werd gehouden, bevond ik mij onder de ongeveer 150 aanwezigen. Veel congresafgevaardigden kwamen per trein uit Delhi, een reis van meer dan 600 kilometer. Nooit zal ik de geweldige sfeer van dat openluchtcongres vergeten, waar ik Jehovah’s organisatie in actie zag.
De congresafgevaardigden werden ondergebracht in slaapzalen in scholen, waar wij Koninkrijksliederen zongen en van fijne christelijke omgang genoten. Tijdens dat congres nam ik voor het eerst deel aan de openbare prediking, een werk dat mij sedertdien altijd na aan het hart heeft gelegen.
Volle-tijddienst in Engeland
In 1946 keerde ik naar Engeland terug en verbond mij al spoedig met de gemeente Wolverton. Hoewel wij maar ongeveer tien Koninkrijksverkondigers hadden, maakten zij dat ik mij thuis voelde, en ik had hetzelfde gevoel van voldoening dat ik onder mijn broeders in India had gekend. Vera Clifton viel in de gemeente op als een oprechte, hartelijke persoonlijkheid. Toen ik vernam dat zij net als ik het verlangen had om pionier te worden, zoals volle-tijddienaren worden genoemd, zijn wij op 24 mei 1947 getrouwd. Ik knapte een caravan op en het jaar daarna kregen wij onze eerste pionierstoewijzing, de plattelandsstad Huntingdon.
In die dagen vertrokken wij vroeg in de ochtend per fiets naar het plattelandsgebied. Onze volle dag in de prediking werd alleen onderbroken voor een korte middagpauze om ons brood op te eten. Hoe krachtig de tegenwind of hoe hevig de regen waardoor wij naar huis fietsten ook was, wij vonden geluk en voldoening in het werk van de Heer.
In de loop van de tijd groeide ons verlangen om onze bediening uit te breiden en het „goede nieuws” met mensen in andere landen te delen (Mattheüs 24:14). Daarom dienden wij een aanvraag in voor de zendelingenschool Gilead in South Lansing (New York, VS). Uiteindelijk werden wij toegelaten tot de 26ste klas van Gilead, die in februari 1956 afstudeerde.
Een verruimde bediening in Afrika
Onze zendingstoewijzing was Noord-Rhodesië (nu Zambia) in Afrika. Kort na onze aankomst kregen wij een oproep om op Bethel in dat land te dienen. Tot mijn werk op Bethel behoorde het verzorgen van de correspondentie met Oost-Afrika. In 1956 telde Kenia — een van deze Oostafrikaanse landen — slechts vier Getuigen, terwijl er in Noord-Rhodesië ruim 24.000 waren. Vera en ik begonnen erover na te denken hoe fijn het zou zijn om te dienen waar de behoefte groter was.
Toen kreeg ik onverwacht weer een uitnodiging voor de Gileadschool, deze keer voor een cursus van tien maanden voor opzieners. Ik liet Vera achter in Noord-Rhodesië en reisde naar de stad New York, waar de Gileadschool destijds gevestigd was. Toen de cursus in november 1962 afgelopen was, werd ik aan Kenia toegewezen om daar een bijkantoor te vestigen. Kenia had inmiddels meer dan honderd Getuigen.
Op mijn terugreis naar Noord-Rhodesië om mij met Vera te herenigen, zou ik een kort oponthoud hebben in Nairobi (Kenia). Maar bij aankomst daar werd ik opgewacht door Bill Nisbet, een afgestudeerde van de 25ste klas van Gilead, met het nieuws dat er een gelegenheid was om onmiddellijk officiële toestemming te krijgen om Kenia binnen te komen. Wij gingen naar de immigratieautoriteiten en binnen enkele minuten had ik een werkvergunning voor vijf jaar in handen. Ik ben dus nooit in Noord-Rhodesië teruggekomen; in plaats daarvan voegde Vera zich in Nairobi bij mij.
Na een geïmproviseerde cursus Swahili sloten wij ons in de bediening aan bij de kleine gemeente Nairobi. Als wij ons toespraakje in het Swahili hadden afgestoken, riep de huisbewoner soms uit: „Ik versta geen Engels!” Desondanks hielden wij vol en geleidelijk overwonnen wij de taalbarrière.
Tot ons gebied behoorden enorme wooncomplexen met bijbelse namen zoals Jeruzalem en Jericho. Er werd snel belangstelling gevonden en uit deze gebieden zijn veel nieuwe Koninkrijksverkondigers gekomen. Wat een opmerkelijke uitwerking had de bijbelse waarheid op deze mensen! Gevoelens van stamsuperioriteit verdwenen terwijl loyaliteit aan het Koninkrijk Jehovah’s volk tot een eenheid smeedde. Er vonden zelfs huwelijken plaats tussen leden van verschillende stammen, iets wat onder niet-Getuigen heel ongewoon was.
Nieuwe Koninkrijksverkondigers namen de waarheid geestdriftig aan. Samson bijvoorbeeld verlangde zo vurig dat de bijbelse waarheid zou doordringen in het gebied waar hij woonde, dat hij voortdurend vroeg of daar pioniers heen gestuurd konden worden. Hij bouwde zelfs een uitbreiding aan zijn huis in het gebied van Ukambani om onderdak voor hen te verschaffen. Weldra werd daar een nieuwe gemeente van Koninkrijksverkondigers opgericht.
Verscheidene keren heb ik onze broeders in het Oostafrikaanse land Ethiopië bezocht. Zij besteedden gemiddeld meer dan twintig uur per maand aan de bediening, ondanks gevangenzettingen, afranselingen en voortdurende controle. Eens hebben twee bussen vol Ethiopische broeders en zusters een week lang gereisd en zijn gevaarlijke bergpassen overgestoken om een districtscongres in Kenia bij te wonen. Hun vindingrijkheid in het bedenken van methoden om Koninkrijkslectuur in hun land beschikbaar te hebben, was opmerkelijk. Wij in Kenia hielpen hen graag bevoorraad te blijven.
In 1973 werd ons werk in Kenia officieel verboden en werden de zendelingen gedwongen te vertrekken. Tegen die tijd hadden wij meer dan 1200 Getuigen in Kenia, en velen van hen waren op het vliegveld om ons een onvergetelijk afscheid te bereiden. Hun aanwezigheid bracht een medereiziger ertoe te vragen of wij soms beroemdheden waren. Vera en ik keerden naar Engeland terug en kregen daar een toewijzing, maar ons hart verlangde naar Afrika.
Terug naar Afrika
En zo kregen wij enkele maanden later onze nieuwe toewijzing voor Bethel in Accra, de hoofdstad van het Westafrikaanse land Ghana. Hier bracht een van mijn toewijzingen mij oog in oog met de ontberingen waarmee onze broeders daar te maken hadden. Terwijl ik voor de aankoop van voedsel en andere benodigdheden voor de Bethelfamilie zorgde, verbaasde ik mij over de exorbitant hoge prijs van levensmiddelen. Vaak waren de noodzakelijke dingen gewoon niet te koop. Benzinegebrek en onderdelenschaarste zorgden voor nog meer problemen.
Ik leerde hoe belangrijk geduld is, iets wat onze Ghanese broeders hadden ontwikkeld. Het was zo aanmoedigend te zien hoe opgewekt zij bleven terwijl zij de verleiding weerstonden om door middel van omkoperij aan de noodzakelijke levensbehoeften te komen. Het gevolg was dat Jehovah’s dienstknechten in Ghana bekend kwamen te staan om hun eerlijkheid en bij veel overheidsfunctionarissen een goede naam kregen.
Maar ondanks materiële tekorten nam de geestelijke voorspoed toe. In het hele land waren onze bijbelse publikaties in vrijwel ieder huis te vinden. En wij zagen het aantal Koninkrijksverkondigers in Ghana groeien van 17.156 in 1973, toen wij er aankwamen, tot meer dan 23.000 in 1981. In dat jaar werden wij, doordat zich bij mij huidkanker openbaarde, die ongetwijfeld verergerd werd door jarenlange blootstelling aan de zon in India en Afrika, gedwongen Ghana te verlaten en naar Engeland terug te keren voor geregelde behandeling.
Nieuwe omstandigheden in Engeland
Voor mij betekende onze terugkeer een flinke aanpassing in mijn bediening. Ik was zo gewend vrijuit te praten met mensen die God en de bijbel respecteerden. Maar in Londen tref ik zo’n houding zelden aan. Ik heb bewondering voor het doorzettingsvermogen van de broeders in Groot-Brittannië. Dit heeft mij doordrongen van de noodzaak meer empathie te ontwikkelen voor de mensen die geestelijk „gestroopt en heen en weer gedreven” zijn. — Mattheüs 9:36.
Na onze terugkeer uit Afrika hebben Vera en ik samen op Bethel in Londen gediend tot aan haar dood op 73-jarige leeftijd, in september 1991. Het is niet gemakkelijk geweest zo’n trouwe metgezellin te verliezen, die zo lang zij aan zij met mij in de bediening heeft gewerkt. Ik mis haar verschrikkelijk. Maar ik ben blij met de fijne steun die ik van onze zo’n 250 leden tellende Bethelfamilie ontvang.
Ik acht het werkelijk een voorrecht de opmars van Jehovah’s organisatie te beleven en te zien dat zovelen de volle-tijddienst tot hun levenswijze maken. Ik kan u verzekeren dat er geen betere levenswijze is dan deze, want „Jehovah . . . zal zijn loyalen niet verlaten”. — Psalm 37:28.
[Illustratie op blz. 23]
Van 1947 tot 1955 pionierden wij in Engeland
[Illustratie op blz. 23]
Voor het eerst in de bediening tijdens een congres in India
[Illustratie op blz. 23]
Toen wij zendelingen in Noord-Rhodesië waren
[Illustratie op blz. 23]
In 1985 met vrienden die wij twaalf jaar niet gezien hadden