Expansie met Jehovah’s zegen
EEN inwijdingsprogramma op de avond van 18 september 1995 beklemtoonde dat Jehovah God de expansie van zijn Getuigen op de plaats waar hun internationale hoofdbureau in Brooklyn (New York) is gevestigd, werkelijk zegent.
Ruim 6000 personen luisterden naar het inwijdingsprogramma. Zij kwamen niet alleen bijeen in Brooklyn, waar het programma werd gepresenteerd, maar ook op andere plaatsen, met inbegrip van de grote faciliteiten van Jehovah’s Getuigen vlak bij Patterson en Wallkill (New York) en op hun bijkantoor in de buurt van Toronto (Canada). De personen op de locaties buiten Brooklyn volgden het programma via telefoonverbindingen.
Een hartverwarmend programma
De Bethelieten, zoals de vrijwillige werkers worden genoemd, die naar het programma luisterden, vertegenwoordigden een groot deel van de wereldomvattende Bethelfamilie van meer dan 16.400 leden. Die leden dienen in ongeveer honderd landen, waar zij ten behoeve van de meer dan 78.600 gemeenten van Jehovah’s Getuigen in de wereld bijbelse lectuur drukken en daarvoor ondersteunende diensten verlenen.
De verwachtingen waren hooggespannen toen het inwijdingsprogramma om 18.30 uur begon met een lied, gevolgd door een gebed van Karl Klein. De programmavoorzitter, Lloyd Barry, heette allen hartelijk welkom, waarbij hij enkele korte opmerkingen over het belang van de gebeurtenis maakte. Albert Schroeder behandelde de Wachttoren-studie voor die week, en vervolgens sprak Daniel Sydlik over het thema „Onze heilige dienst op Bethel”. Deze eerste sprekers waren allen leden van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen.
De volgende twee programmaonderdelen — „In onze steeds grotere accommodatiebehoeften voorzien, 1974–1995” en „Hoogtepunten van de Bethelrenovatie en -bouw in Brooklyn” — belichtten hoogtepunten van de bouw of aankoop van de panden die werden ingewijd. De opmerkingen vestigden de aandacht op het onlangs voltooide woongebouw waarin nu ongeveer duizend Bethelieten zijn gehuisvest. Dit 115 meter hoge gebouw aan Sands Street 90 grenst aan het drukkerijcomplex.
Het programma had als hoogtepunt de inwijdingslezing door Milton Henschel, de president van het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap. Hij legde de nadruk op bijbelse precedenten voor het inwijden van gebouwen die in Jehovah’s dienst gebruikt zullen worden. Na een lied werd de vergadering besloten met een gebed door Carey Barber, eveneens een lid van het Besturende Lichaam. Maar wat waren enkele hoogtepunten van het programma?
De gebouwen ingewijd
George Couch, de Bethelopziener, legde uit dat er sinds de laatste inwijding van een Bethelwoongebouw in Brooklyn op 2 mei 1969 zeventien woongebouwen zijn bijgekomen.a Dit waren ofwel pas gebouwde woonhuizen of aangekochte en gerenoveerde panden. Deze inwijding betrof in feite deze zeventien woongebouwen, twee kleine panden — gekocht in de jaren ’40 maar tot Bethelwoongebouwen verbouwd — en ook de drukkerij- en kantoorfaciliteiten die sinds de inwijding van de bestuurskantoren van Jehovah’s Getuigen op 15 maart 1982 opgetrokken of aangekocht waren.b
Het grootste gebouw dat werd ingewijd is dat aan Furman Street 360. Het in 1928 gebouwde pand werd op 15 maart 1983 door Jehovah’s Getuigen aangekocht en totaal gerenoveerd. Het heeft een vloeroppervlakte van 93.000 vierkante meter, ofte wel ruim 9 hectare. Andere gebouwen die werden ingewijd, waren de drukkerij aan Pearl Street 175 en grote garages die de afgelopen jaren werden gebouwd.
Waarom er meer woonruimte nodig was
In 1969, de vorige keer dat er in Brooklyn een Bethelwoongebouw werd ingewijd, was er een hoogtepunt van 1.336.112 Getuigen die het goede nieuws van Gods koninkrijk wereldwijd predikten. Maar in 1995 waren 5.199.895 personen met dat werk bezig, meer dan drie en een half keer zoveel! Om dus gelijke tred te houden met de groeiende vraag naar bijbelse lectuur, is het aantal vaste leden van de Bethelfamilie in Brooklyn toegenomen van 1042 in 1969 tot meer dan 3360, die nu in 22 woongebouwen zijn ondergebracht!
George Couch besprak hoe er van 1974 tot 1995 in de behoefte aan extra ruimte werd voorzien. In het begin van de jaren ’70 werden verscheidene verdiepingen in het nabijgelegen Towers Hotel door Jehovah’s Getuigen gehuurd om er de groeiende Bethelfamilie te huisvesten. In december 1973 schreef Nathan Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, zowel aan het Bethelkantoor als aan de directie van Towers dat het Genootschap van plan was ’tegen 1 oktober 1974 uit het Towers Hotel te trekken’.
Broeder Couch zei dat hij stomverbaasd was, want de Bethelieten die in Towers woonden, konden nergens anders worden ondergebracht. De directie van Towers was eveneens verbijsterd, aangezien zij op het huurgeld van het Genootschap rekenden om uit de rode cijfers te blijven. Het eind van het liedje was dat de directie van Towers er bij Jehovah’s Getuigen op aandrong het hotel te kopen. „Al zolang wij in deze wijk zitten, zijn jullie aan het groeien,” zeiden zij, „en jullie hebben het gebouw nodig.”
„Het zit vol huurders”, luidde het antwoord van de vertegenwoordigers van het Genootschap. „Als wij het kopen, zouden wij er onze eigen mensen in willen hebben.”
„Wij zullen het pand wel voor jullie ontruimen”, beloofde de directie van Towers. Welnu, kort daarna kochten Jehovah’s Getuigen het Towersgebouw tegen een schappelijke prijs. „Waarom schreef broeder Knorr die brief?”, vroeg Couch aan de toehoorders, die aan zijn lippen hingen. „Waarschijnlijk wist hij het zelf niet eens, maar daardoor werd het Towers Hotel aan het Wachttorengenootschap verkocht.”
De spreker beschreef tevens hoe Jehovah’s Getuigen Columbia Heights 97 hadden gekocht, waar vroeger het beroemde Margaret Hotel had gestaan, aan de overkant van het oorspronkelijke Bethelhuis. De ligging is ideaal, want het kon gemakkelijk met het Bethelcomplex worden verbonden door een tunnel die onder de straat doorloopt. In februari 1980, toen men het pand aan het verbouwen was, brandde het af. Daarna verkocht de eigenaar, omdat hij er problemen mee had een nieuw gebouw op het terrein op te trekken, het perceel aan Jehovah’s Getuigen.
Broeder Couch merkte op: „Achter vrijwel elk van deze gebouwen schuilt een interessant verhaal dat op één ding wijst — dat Jehovah God de zichtbare organisatie leidde tot de aanschaf van dat betreffende pand.”
Het verhaal achter Sands Street 90
Het nieuwste en grootste woongebouw is Sands Street 90. Toen het pand in december 1986 door Jehovah’s Getuigen werd gekocht, was er een grote fabriek, met de ingang aan Jay Street 160, in ondergebracht.c De fabriek werd afgebroken en op 30 augustus 1990 werd aan de Bethelfamilie meegedeeld dat er een vergunning was verleend om een dertig verdiepingen tellend woongebouw op het terrein op te trekken.
In een interview dat werd afgenomen door Theodore Jaracz, een lid van het Besturende Lichaam, beschreef de drukkerijopziener van het Genootschap in Brooklyn, Max Larson, hoe de bouwvergunning voor het woongebouw aan Sands Street 90 werd verleend. Wat er destijds in 1965 heeft plaatsgevonden, legde broeder Larson uit, is van doorslaggevende betekenis geweest.
Het Genootschap wilde destijds een tien verdiepingen tellende drukkerij bouwen op een stuk grond naast zijn andere drukkerijen, maar het bestemmingsplan van dat gebied stond slechts een bouwwerk van twee verdiepingen toe. Een architect stemde erin toe de bouwtekeningen voor de nieuwe drukkerij te maken, maar hij zei: „Ik ga mezelf niet blameren door die tekeningen aan de raad te presenteren.” Hij was ervan overtuigd dat de bepalingen van het bestemmingsplan voor het gebied nooit door de Board of Standards and Appeals, de raad in kwestie, gewijzigd zouden worden. Toen de bouwtekeningen werden goedgekeurd, riep hij uit: „Hoe hebben jullie dat in vredesnaam voor elkaar gekregen!”
Het zat zo, vervolgde Larson: Toen het bestemmingsplan van het perceel ter wille van de bouw van onze tien verdiepingen tellende drukkerij werd gewijzigd, werd daarbij tevens de bestemming veranderd van de nabijgelegen percelen, met inbegrip van het terrein waarop het pand van Jay Street 160 stond. En verbazingwekkend genoeg mocht er volgens het herziene bestemmingsplan een hotel staan. Maar, aldus Larson, niemand nam er ooit notitie van — tenminste niet in de 25 jaar erna — totdat wij op zoek gingen naar een stuk grond voor de bouw van een nieuw Bethelhuis. Toen werd het bestemmingsplan herontdekt!
Broeder Larson legde uit wat er gebeurde: „Toen wij de bouwtekeningen voor ons woongebouw van dertig verdiepingen hadden gemaakt en daarmee naar de afdeling gingen die bouwvergunningen verstrekt, kregen wij te horen: ’Jullie kunnen daar geen woongebouw neerzetten. Dat is allemaal industrieterrein, en zij zullen het bestemmingsplan niet voor jullie wijzigen.’
’Dat hoeft ook niet’, zeiden wij tegen de beambten. ’Het is al bestemd voor een hotel.’ Toen zij het archief raadpleegden, konden zij het nauwelijks geloven! Kijk, zo zijn wij aan ons dertig verdiepingen tellende pand gekomen”, besloot Larson.
Duidelijke bewijzen van Jehovah’s zegen
Een bijbelpsalmist schreef: „Als Jehovah zelf het huis niet bouwt, is het tevergeefs dat de bouwers ervan er hard aan hebben gewerkt” (Psalm 127:1). Het is duidelijk dat de bouwactiviteit van Jehovah’s Getuigen ter bevordering van het wereldomvattende predikings- en onderwijzingswerk dat Jezus zijn volgelingen heeft opgedragen, Jehovah’s zegen geniet. — Mattheüs 24:14; 28:19, 20.
Degenen die het voorrecht hadden het programma op 18 september 1995 te horen, waren verrukt over de bewijzen van die zegen op de expansie van het internationale hoofdbureau van Jehovah’s volk. Jehovah’s dienstknechten kunnen erop vertrouwen dat hij hen zal blijven zegenen wanneer zij ermee voortgaan te doen wat hij gebiedt.
[Voetnoten]
[Illustratie op blz. 23]
Sands St. 90 • 1995
[Illustraties op blz. 24, 25]
Enkele andere woongebouwen die werden ingewijd
Columbia Hts. 97 • 1986
Bossert Hotel, Montague St. 98 • 1983
Orange St. 34 • 1945
Standish Hotel, Columbia Hts. 169 • 1981
Livingston St. 67 • 1989
Joralemon St. 108 • 1988
Towers Hotel, Willow St. 79-99 • 1975
[Illustraties op blz. 26]
Pearl St. 175 • 1983
Adams St. 69 • 1991
Furman St. 360 • 1983