Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w95 1/6 blz. 20-25
  • Wij kregen een parel van zeer grote waarde

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wij kregen een parel van zeer grote waarde
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een gedenkwaardige belevenis
  • Een nieuwe cultuur
  • Spaans leren en met het werk beginnen
  • Vroege beproevingen in Madrid
  • Schitterende ervaringen in Madrid
  • Vruchtbare bediening onder de militairen
  • Een ongewone bijbelstudie
  • Een verrassende uitnodiging
  • Genoodzaakt onze buitenlandse toewijzing te verlaten
  • Prediken te midden van drugs en geweld
  • Een moeilijke beslissing
  • „Aangezien wij deze bediening hebben . . ., geven wij de moed niet op”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Een leven vol verrassingen in Jehovah’s dienst
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • ’Gelukkig zijn allen die Jehovah blijven verwachten’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
  • Theocratisch nieuws
    Onze Koninkrijksdienst 1976
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
w95 1/6 blz. 20-25

Wij kregen een parel van zeer grote waarde

ZOALS VERTELD DOOR RICHARD GUNTHER

Het was september 1959. Wij waren op het Italiaanse passagiersschip Julio Caesar over de Atlantische Oceaan onderweg van New York naar Cádiz in Spanje. Het Wachttorengenootschap had mij, samen met mijn vrouw Rita en Paul en Evelyn Hundertmark, ook een zendelingenechtpaar, aan dat Iberische land toegewezen. Er stonden ons heel wat uitdagingen te wachten. Maar hoe kwam het dat wij voor een zendingsloopbaan hadden gekozen?

RITA en ik werden in 1950 in New Jersey (VS) als Jehovah’s Getuigen gedoopt. Niet lang daarna namen wij een besluit dat ons na verloop van tijd een parel van zeer grote waarde in de handen zou leggen. Wij zaten in een gemeente met voldoende broeders en zusters om het gebied te bewerken. Daarom voelden wij ons verplicht aan te bieden om ergens te gaan dienen waar een grotere behoefte aan predikers was. Op het internationale congres van Jehovah’s Getuigen in de stad New York, in de zomer van 1958, dienden wij een aanvraag voor de zendingsdienst in.

Kort daarop werden wij uitgenodigd voor de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, en binnen een jaar waren wij als zendelingen op weg naar Spanje. Door de drukte van alles wat er geregeld moest worden en onze allesoverheersende opwinding beseften wij op dat moment niet wat wij gekregen hadden. Jezus had gesproken over een parel van zeer grote waarde (Mattheüs 13:45, 46). Hoewel dit niet het punt was waar het in zijn gelijkenis om ging, was ons voorrecht om als zendelingen te dienen voor ons vergelijkbaar met zo’n parel. Nu wij terugkijken, weten wij dit kostbare geschenk van dienst in Jehovah’s organisatie vollediger naar waarde te schatten.

Een gedenkwaardige belevenis

In die tijd werd de Gileadcursus voor zendelingen gehouden in een prachtige landelijke omgeving in het gebied van de Finger Lakes in de staat New York. Daar brachten wij zes heerlijke maanden door, geheel en al ondergedompeld in bijbelstudie en echte christelijke omgang, afgezonderd van de beslommeringen en problemen van deze wereld. Onze medestudenten kwamen uit vele delen van de wereld, waaronder Australië, Bolivia, Griekenland, Groot-Brittannië en Nieuw-Zeeland. Maar al snel brak de graduatiedag aan. In augustus 1959 namen wij met tranen in de ogen afscheid toen wij naar onze respectieve zendingstoewijzingen afreisden. Een maand later zetten wij voet op Spaanse bodem.

Een nieuwe cultuur

Wij gingen aan land in de zuidelijke havenstad Algeciras, naast de reusachtige Rots van Gibraltar. Die avond namen wij vieren, Rita en ik en de Hundertmarks, de trein naar Madrid. Wij namen onze intrek in Hotel Mercador, om daar te wachten tot er contact met ons zou worden opgenomen door leden van het clandestiene bijkantoor van het Genootschap. Spanje stond onder het dictatoriale bewind van Generalissimo Francisco Franco. Dit betekende dat de enige wettelijk erkende religie in het land de Rooms-Katholieke Kerk was. Het was onwettig enige andere religie in het openbaar te beoefenen, en de van-huis-tot-huisprediking van Jehovah’s Getuigen was verboden. Zelfs religieuze bijeenkomsten waren verboden, zodat Jehovah’s Getuigen, in die tijd ongeveer 1200 in getal, verdeeld over dertig gemeenten in Spanje, niet zoals in andere landen in Koninkrijkszalen konden vergaderen. Wij moesten in het geheim in particuliere woningen bijeenkomen.

Spaans leren en met het werk beginnen

Onze eerste uitdaging was de taal te leren. De eerste maand besteedden wij elf uur per dag aan Spaans leren — elke ochtend vier uur les en vervolgens zeven uur zelfstudie. De tweede maand was wat de ochtenden betrof hetzelfde, maar de middagen werden besteed aan de van-huis-tot-huisprediking. Kunt u zich dat indenken? Terwijl wij nog steeds de taal niet machtig waren, en met slechts een uit het hoofd geleerde inleiding op een kaartje geschreven, gingen Rita en ik helemaal alleen van huis tot huis!

Ik weet nog dat ik in Vallecas, een arbeiderswijk van Madrid, op een deur klopte. Met mijn kaart in de hand, voor alle zekerheid, zei ik in het Spaans: „Goedemorgen. Wij zijn bezig met een christelijk werk. De bijbel zegt (dan lazen wij een schriftplaats). Wij zouden graag deze brochure bij u achterlaten.” Welnu, de dame keek alleen maar, en nam toen de brochure. Toen wij ons nabezoek brachten, nodigde zij ons binnen, en weer keek zij alleen maar, terwijl wij het woord voerden. Wij begonnen zo goed en zo kwaad als het ging een bijbelstudie met haar, en tijdens de studies zat zij alleen maar te luisteren en te kijken. Pas na een hele tijd vertelde zij ons dat zij niets had verstaan van wat wij bij ons eerste bezoek hadden gezegd, maar dat zij het woord Dios (God) had opgevangen, en dat dit voor haar genoeg was om te weten dat het om iets goeds ging. Na verloop van tijd had zij heel wat bijbelkennis in zich opgenomen, werd gedoopt en werd een van Jehovah’s Getuigen.

Spaans leren viel mij ontzettend moeilijk. Als ik in de stad onderweg was, leerde ik altijd werkwoordsvervoegingen uit het hoofd. Wat ik de ene week uit het hoofd leerde, was ik de volgende week weer vergeten! Het was heel ontmoedigend. Een aantal keren heb ik het bijltje er bijna bij neergelegd. Aangezien ik zo verschrikkelijk slecht Spaans sprak, moesten de Spaanse broeders heel veel geduld hebben daar ik de leiding onder hen had. Op een districtscongres gaf een broeder mij een met de hand geschreven mededeling die ik vanaf het podium moest voorlezen. Ik had wat moeite met zijn handschrift en kondigde aan: „Willen jullie morgen je muletas (krukken) meebrengen naar het stadion?” De bedoeling was: „Willen jullie morgen je maletas (bagage) meebrengen naar het stadion?” Natuurlijk schoot het publiek in de lach, en uiteraard voelde ik mij opgelaten.

Vroege beproevingen in Madrid

Die eerste paar jaar in Madrid waren emotioneel heel moeilijk voor Rita en mij. Wij misten onze vertrouwde omgeving en onze vrienden heel erg. Telkens als wij een brief uit de Verenigde Staten kregen, werden wij door heimwee overmand. Tijdens die vlagen van heimwee waren wij helemaal van streek, maar ze gingen voorbij. Tenslotte hadden wij huis en haard, familie en vrienden verlaten om er een parel van grotere waarde voor terug te krijgen. Wij moesten ons aanpassen.

Wij woonden in Madrid aanvankelijk in een heel armetierig kosthuis, of pension. Wij hadden een kamer en kregen drie maaltijden per dag. Het was een klein, donker kamertje, en de matrassen waren van stro. De maandhuur slokte onze bescheiden maandelijkse toelage op. Gewoonlijk lunchten wij tussen de middag daar, en de hospita liet ons avondeten altijd in de oven staan om het warm te houden, zodat wij ’s avonds laat iets te eten zouden hebben. Maar doordat wij de hele dag en avond buiten liepen, kregen wij altijd verschrikkelijke honger. Als onze toelage op was, spraken wij onze beperkte persoonlijke middelen aan om de allergoedkoopste chocoladereep te kopen die wij konden vinden. Deze situatie veranderde echter al snel toen de zoneopziener van het Genootschap op bezoek kwam. Hij zag onze benarde omstandigheden en zei dat wij een flatje mochten zoeken om als zendelingenhuis te gebruiken. Welnu, dat zou heel wat beter zijn dan staande in een ronde tobbe op de keukenvloer een bad te nemen. Nu zouden wij een douche hebben, een koelkast om eten in te bewaren, en een elektrische kookplaat waarop wij onze maaltijden konden klaarmaken. Wij waren heel dankbaar voor de consideratie die ons werd betoond.

Schitterende ervaringen in Madrid

De van-huis-tot-huisprediking werd heel omzichtig gedaan. De dagelijkse drukte in Madrid werkte in ons voordeel, want wij gingen daarin op zodat wij niet al te veel in de gaten liepen. Wij probeerden ons net zo te kleden en te gedragen als iedereen, zodat wij niet als buitenlanders in het oog zouden lopen. Onze methode om van deur tot deur te prediken hield in dat wij een flatgebouw binnengingen, ergens aanklopten, tot de huisbewoner spraken, en vervolgens het gebouw, de straat en het gebied verlieten. Er was altijd een mogelijkheid dat de huisbewoner de politie zou waarschuwen, en daarom was het niet verstandig in de buurt te blijven. Maar hoe omzichtig Paul en Evelyn Hundertmark deze methode ook toepasten, in 1960 werden zij opgepakt en het land uitgezet. Zij gingen naar het aangrenzende Portugal, waar zij verscheidene jaren hebben gediend, Paul als opziener van het ondergrondse bijkantoor. Op het ogenblik is hij stadsopziener van San Diego (Californië, VS).

Voor ons kwam er echter gelijkheid tot stand. Slechts enkele maanden later kregen zes aan Portugal toegewezen zendelingen bevel dat land te verlaten! Dit leidde tot een prettige ontwikkeling, want Eric en Hazel Beveridge, die ook in onze Gileadklas hadden gezeten, kregen nu opdracht uit Portugal te vertrekken en naar Spanje te gaan. Dus in februari 1962 waren wij weer in Hotel Mercador — ditmaal om Eric en Hazel bij hun aankomst te verwelkomen.

In die beginperiode in Madrid kregen Rita en ik persoonlijk te maken met religieuze huichelarij. Wij bestudeerden de bijbel met een echtpaar, Bernardo en Maria, dat in een krot woonde dat opgetrokken was uit alles wat Bernardo maar aan afgedankt bouwmateriaal had kunnen vinden. Wij studeerden ’s avonds laat met hen, en na de studie boden zij ons altijd brood, wijn en wat kaas of wat zij ook maar in huis hadden aan. Het viel mij op dat de kaas veel weg had van Amerikaanse kaas. Op een avond na de studie haalden zij het blik te voorschijn waar de kaas in zat. Er stond met grote letters in het Engels op: „Van het Amerikaanse volk aan het Spaanse volk — niet voor de verkoop.” Hoe kwam dit arme gezin aan die kaas? De regering had de Katholieke Kerk ingeschakeld om de kaas onder de armen te verdelen. Maar de priester verkocht de kaas!

Vruchtbare bediening onder de militairen

Al spoedig gebeurde er iets geweldigs, dat voor ons en voor vele anderen een rijke zegen zou blijken te zijn. Wij kregen bericht van het bijkantoor dat ons vroeg of wij een jonge man genaamd Walter Kiedaisch wilden bezoeken, die gelegerd was op de Amerikaanse luchtmachtbasis in Torrejón, een kilometer of wat buiten Madrid. Wij bezochten hem en zijn vrouw en begonnen een bijbelstudie met hen en met nog een luchtmacht-echtpaar daar.

Gedurende die tijd heb ik zo’n vijf bijbelstudies met personeel van de Amerikaanse luchtmacht geleid, allemaal in het Engels natuurlijk. Van hen zijn er later zeven gedoopt en na hun terugkeer naar de Verenigde Staten zijn vier van de mannen gemeenteouderlingen geworden.

Dit was een tijd waarin er maar heel weinig manieren waren om boeken, tijdschriften en bijbels het land in te krijgen, wegens het verbod op ons werk. Er werd echter toch enige lectuur het land in gebracht door toeristen en door onze Amerikaanse contactpersonen. Ik kreeg van het bijkantoor de toewijzing een geheim lectuurdepot te beheren. Het bevond zich in een opslagruimte achter in een kantoorboekhandel in Vallecas. De vrouw van de eigenaar was een van Jehovah’s Getuigen. Hoewel de eigenaar geen Getuige was, had hij respect voor ons werk, en hij vond het zelfs met groot gevaar voor zichzelf en zijn zaak goed dat ik deze opslagruimte gebruikte om lectuurzendingen voor steden in het hele land in te pakken. Aangezien deze ruimte er altijd uit moest zien als wat ze heette te zijn — een stoffig, met dozen volgestouwd rommelhok — moest ik een werkbank en boekenplanken bouwen die snel opgezet en bedrijfsklaar gemaakt konden worden en in enkele seconden weer konden worden verstopt. Aan het eind van de dag wachtte ik dan tot er niemand in de winkel was, om vervolgens haastig met mijn pakketten te vertrekken.

Het was een echt voorrecht een aandeel te hebben aan het uitdelen van geestelijk materiaal, zoals De Wachttoren en Ontwaakt! en andere lectuur, aan gemeenten in het hele land. Het waren opwindende tijden.

Rita smaakte de vreugde zestien huisbijbelstudies te leiden, van wie ongeveer de helft een gedoopte getuige van Jehovah is geworden. Dolores was een jonge getrouwde vrouw die wegens een hartkwaal de koude winters in bed doorbracht. In de lente kon zij opstaan en een beetje actief zijn. Dolores had een sterk geloof, en toen de tijd voor ons districtscongres in Toulouse (Frankrijk) aanbrak, wilde zij er dan ook dolgraag heen. Haar dokter had haar gewaarschuwd dat het vanwege haar hartkwaal onverstandig zou zijn. In een huisjurk, op pantoffels en zonder bagage ging zij naar het station om haar man, haar moeder en anderen uit te wuiven. Zij had tranen in haar ogen en kon het niet aanzien dat zij zonder haar vertrokken, dus stapte zij in de trein en daar ging zij, naar Frankrijk! Rita wist niet dat dit gebeurd was. Maar wat een verrassing toen zij daar op het congres Dolores zag, met een glimlach van oor tot oor!

Een ongewone bijbelstudie

Wij kunnen dit verslag van onze toewijzing in Madrid niet afsluiten zonder Don Benigno Franco, „el profesor”, te hebben vermeld. Een plaatselijke Getuige nam mij mee voor een bezoek aan een bejaarde heer die met zijn vrouw in een heel armoedig flatgebouw woonde. Ik begon een bijbelstudie met hem. Na ongeveer anderhalf jaar studie vroeg hij gedoopt te mogen worden om een van Jehovah’s Getuigen te zijn.

Deze bejaarde heer, Don Benigno Franco, was een neef van Francisco Franco, in die tijd de dictator van Spanje. Het schijnt dat Don Benigno altijd al een vrijheidlievend mens was geweest. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog had hij aan de kant van de Republiek gestaan en was hij een tegenstander geweest van zijn neef — de generaal die de oorlog won en een katholieke dictatuur vestigde. Vanaf 1939 was Don Benigno het recht om te werken ontzegd, en hij moest van een heel schamel inkomen leven. Zo werd dus de neef van Generalissimo Francisco Franco, caudillo van Spanje, een van Jehovah’s Getuigen.

Een verrassende uitnodiging

In 1965 nodigde het Spaanse bijkantoor ons uit om in de kringdienst te gaan in Barcelona. Dit betekende afscheid nemen van alle liefhebbende broeders en zusters in Madrid die ons heel dierbaar waren geworden. Nu zou er niet alleen een nieuwe ervaring, maar voor mij ook een beproeving beginnen. Het was een beangstigende ervaring, want ik heb altijd aan mijn kunnen getwijfeld. Ik besef heel goed dat het Jehovah is geweest die mij in staat heeft gesteld in deze tak van dienst doeltreffend te zijn.

Iedere week een gemeente bezoeken, betekende bij de broeders en zusters thuis logeren. Wij moesten uit koffers leven en verhuisden vrijwel elke twee weken naar een ander adres. Vooral voor een vrouw is dat moeilijk. Maar weldra nodigden José en Roser Escudé, die in Barcelona woonden, ons uit om dagen achtereen bij hen te logeren. Dit was heel liefdevol van hen, want het betekende dat wij een vast plekje zouden hebben om onze spullen te bewaren en een vast adres om zondagsavonds thuis te komen.

De volgende vier jaar brachten Rita en ik door in het kringwerk in de provincie Catalonië aan de Middellandse-Zeekust. Al onze bijbelvergaderingen werden in het geheim in particuliere huizen gehouden, en ook onze van-huis-tot-huisprediking werd met beleid gedaan, zodat wij geen aandacht zouden trekken. Soms kwamen wij op zondag met een hele gemeente bij elkaar voor een „picknick” in het bos, voornamelijk wanneer wij een kringvergadering hielden.

Wij zullen altijd bewondering hebben voor de vele toegewijde geestelijke broeders die hun baan en hun vrijheid riskeerden door hun krachtsinspanningen om de gemeenten verenigd en actief te houden. Velen van hen namen de leiding in het uitbreiden van het werk naar de plaatsen buiten de grote stad. Dit vormde de grondslag voor de grote toename in Spanje nadat in 1970 het verbod werd opgeheven en religieuze vrijheid werd verleend.

Genoodzaakt onze buitenlandse toewijzing te verlaten

Wat tijdens de tien jaar dat wij de bijzondere zegen genoten Jehovah in Spanje te dienen, onze vreugde enigszins temperde, was de situatie waarin onze ouders verkeerden. Bij een aantal gelegenheden moesten wij bijna onze toewijzing verlaten om thuis voor mijn vader en moeder te gaan zorgen. Maar dank zij liefdevolle broeders en zusters in gemeenten in de buurt van mijn ouders, konden wij in Spanje blijven dienen. Ja, het voorrecht van die jaren dienst in het zendingswerk was ten dele te danken aan anderen, die samen met ons de belangen van Gods koninkrijk op de eerste plaats stelden.

Uiteindelijk gingen wij in december 1968 naar huis om voor mijn moeder te zorgen. Diezelfde maand overleed mijn vader, en mijn moeder bleef nu alleen achter. Daar wij de handen nog steeds betrekkelijk vrij hadden om volle-tijddienst te doen, kregen wij een toewijzing voor de kringdienst, maar ditmaal in de Verenigde Staten. De volgende twintig jaar bedienden wij Spaanse kringen. Hoewel wij onze zendingsparel van zeer grote waarde kwijt waren, kregen wij een andere in onze handen gelegd.

Prediken te midden van drugs en geweld

Nu dienden wij zij aan zij met vele broeders en zusters die in door misdaad vergeven grotestadsgebieden woonden. Ja, de allereerste week in de kringdienst in Brooklyn (New York, VS) werd Rita van haar handtas beroofd.

Op een keer waren Rita en ik met een groepje in een andere wijk van de stad New York van huis tot huis aan het prediken. Toen wij een hoek omsloegen, zagen wij wat mensen op een rijtje voor een gat in de muur van een verlaten gebouw staan. Toen wij enkele passen de straat ingelopen waren, zagen wij op het trottoir een jonge knaap naar ons staan kijken. Op de hoek aan de overkant stond er ook een op de uitkijk naar politieauto’s. Wij waren pardoes in een drugstransactie verzeild geraakt! De eerste uitkijkpost schrok, maar toen zag hij De Wachttoren en was opgelucht. Ik had tenslotte wel van de politie kunnen zijn! Vervolgens riep hij in het Spaans: „¡Los Atalayas! ¡Los Atalayas!” (De Wachttorens! De Wachttorens!) Zij wisten wie wij waren door ons te vereenzelvigen met het tijdschrift, en alles was in orde. Terwijl ik vlak langs hem heen liep, zei ik: „¿Buenos dias, como está?” (Goedemorgen, hoe gaat het met u?) Bij wijze van antwoord vroeg hij mij om voor hem te bidden!

Een moeilijke beslissing

In 1990 werd het duidelijk dat ik dagelijks bij mijn moeder zou moeten zijn. Wij hadden ons uiterste best gedaan om in de reizende dienst te blijven, maar nu moesten wij zo verstandig zijn in te zien dat het niet mogelijk was aan beide verplichtingen te voldoen. Wij wilden beslist de zekerheid hebben dat Moeder liefdevol verzorgd werd. Maar weer moesten wij afstand doen van een parel van zeer grote waarde, van iets wat heel kostbaar voor ons was. Alle letterlijke juwelen in de wereld en alles wat ze voor iemand kunnen doen, stellen heel weinig voor in vergelijking met de juwelen van dienst als zendeling of reizende opziener in Jehovah’s organisatie.

Rita en ik zijn nu in de zestig. Wij zijn heel tevreden en genieten ervan in een plaatselijke Spaanssprekende gemeente te dienen. Als wij terugkijken op onze jaren in Jehovah’s dienst, danken wij hem omdat hij ons enkele parels van zeer grote waarde heeft toevertrouwd.

[Illustratie op blz. 23]

Met Rita en Paul en Evelyn Hundertmark (rechts) voor de stierenvechtersarena in Madrid

[Illustratie op blz. 24]

Een gemeente bedienen tijdens een „picknick” in het bos

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen