Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w94 1/7 blz. 14-17
  • Wat is er met autoriteit gebeurd?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat is er met autoriteit gebeurd?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Gezagscrisis
  • ’s Mensen speurtocht naar rechtmatige autoriteit
  • „Twee machten”, „twee zwaarden”
  • De mythe van de volkssoevereiniteit
  • De mythe van de staatssoevereiniteit
  • Menselijke krachtsinspanningen falen
  • Hoe beziet u autoriteit?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Hoe uw kijk op autoriteit van invloed is op uw leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • De christelijke kijk op autoriteit
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • De groei der pauselijke autoriteit
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
w94 1/7 blz. 14-17

Wat is er met autoriteit gebeurd?

NADENKENDE personen zien de noodzaak van autoriteit in. Zonder enige gezagsstructuur zou de menselijke samenleving al snel een chaos worden. Daarom staat in een klassiek Frans handboek over constitutioneel recht: „In elke groep mensen treft men twee categorieën aan: zij die bevelen en zij die gehoorzamen, zij die opdracht geven en zij die eraan gehoor geven, de leiders en de leden, de regeerders en de geregeerden. . . . Het bestaan van autoriteit is in elke menselijke gemeenschap waar te nemen.”a

Maar de opvattingen over autoriteit zijn sinds de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder sinds de jaren zestig veranderd. In verband met die periode spreekt de Franse Encyclopædia Universalis over een „hiërarchie- en gezagscrisis”. Zo’n crisis is geen verrassing voor bijbelstudenten. De apostel Paulus voorzei: „Onthoud het volgende goed: wanneer de laatste dagen van deze wereld aanbreken, komen er zware tijden. De mensen zullen egoïstisch zijn en op geld belust, verwaand en hoogmoedig, anderen beledigen en hun ouders de gehoorzaamheid weigeren . . . onvermurwbaar zijn, . . . zichzelf niet beheersen en wreed en onmenselijk zijn tegenover anderen; . . . opgeblazen, meer gehecht aan genot dan aan God.” — 2 Timotheüs 3:1-4, Groot Nieuws Bijbel.

Gezagscrisis

Deze profetie geeft een goede beschrijving van onze tijd. Op alle terreinen worden vraagtekens gezet bij autoriteit — in het gezin, op school, op de universiteit, binnen bedrijven en bij de plaatselijke en de nationale overheid. De seksuele revolutie, hard-core rap-muziek, studentendemonstraties, wilde stakingen, burgerlijke ongehoorzaamheid en terroristische acties vormen er allemaal een teken van dat respect voor autoriteit afneemt.

Op een door het Franse Instituut voor Politieke Wetenschappen en het Parijse dagblad Le Monde in Parijs georganiseerd symposium zei professor Yves Mény: „Autoriteit kan alleen maar bestaan als ze ondersteuning vindt in legitimiteit.” Een van de oorzaken van de huidige gezagscrisis is dat velen twijfelen aan de legitimiteit of rechtmatigheid van degenen die aan de macht zijn. Dat wil zeggen, zij trekken hun recht om gezag uit te oefenen in twijfel. Uit een enquête bleek dat in het begin van de jaren tachtig in de Verenigde Staten 9 procent van de bevolking, in Australië 10 procent, in Engeland 24 procent, in Frankrijk 26 procent, en in India 41 procent hun regering als onrechtmatig beschouwde.

’s Mensen speurtocht naar rechtmatige autoriteit

Volgens de bijbel stond de mens oorspronkelijk onder de rechtstreekse autoriteit van God (Genesis 1:27, 28; 2:16, 17). Maar al heel vroeg maakten de mensen aanspraak op morele onafhankelijkheid van hun Schepper (Genesis 3:1-6). Nu zij theocratie, of godsregering, hadden verworpen, moesten zij andere gezagspatronen vinden (Prediker 8:9). Sommigen handhaafden hun gezag door middel van geweld. Voor hen gold het recht van de sterkste. Het was voldoende dat zij sterk genoeg waren om anderen hun wil op te leggen. De meesten hadden er echter behoefte aan hun recht om te heersen te legitimeren.

Sedert de vroegste tijden deden veel regeerders dit door te beweren dat zij een god waren of dat zij macht van de goden hadden ontvangen. Dit is het mythische denkbeeld van het „heilig koningschap”, waarop vroege regeerders van Mesopotamië en de farao’s van het oude Egypte aanspraak maakten.

Alexander de Grote, de hellenistische koningen die hem opvolgden en vele Romeinse keizers beweerden eveneens dat zij goden waren en eisten zelfs dat zij werden aanbeden. Dergelijke regimes stonden bekend als „regeerdersculten”, en hun doel was het gezag van de regeerder over een mengeling van overwonnen volken te consolideren. Weigering om de regeerder te aanbidden werd veroordeeld als een handeling tegen de staat. In The Legacy of Rome schreef professor Ernest Barker: „De vergoddelijking van de [Romeinse] keizer en de trouw die hem op grond van zijn goddelijkheid wordt geschonken, vormen blijkbaar het fundament, of op z’n minst het cement, van het keizerrijk.”

Dit bleef zo, zelfs nadat het „christendom” door keizer Constantijn (die van 306 tot 337 G.T. regeerde) werd gelegaliseerd en later door keizer Theodosius I (die van 379 tot 395 G.T. regeerde) tot de staatsreligie van het Romeinse Rijk werd gemaakt. Sommige „christelijke” keizers werden tot ver in de vijfde eeuw G.T. als goden aanbeden.

„Twee machten”, „twee zwaarden”

Toen het pausdom machtiger werd, kregen de problemen tussen Kerk en Staat een ernstig karakter. Daarom voerde paus Gelasius I aan het einde van de vijfde eeuw G.T. het beginsel van de „twee machten” in: het heilig gezag van de pausen naast de macht van de koningen — waarbij de koningen ondergeschikt waren aan de pausen. Dit beginsel ontwikkelde zich later tot de leer van de „twee zwaarden”: „De pausen hanteerden zelf het geestelijke zwaard en delegeerden het tijdelijke zwaard aan wereldlijke regeerders, maar laatstgenoemden moesten niettemin het tijdelijke zwaard volgens pauselijke richtlijnen gebruiken” (The New Encyclopædia Britannica). Op grond van deze leer maakte de Katholieke Kerk gedurende de middeleeuwen aanspraak op het recht om keizers en koningen te kronen met het doel hun gezag te legitimeren, waardoor de oude mythe van het „heilig koningschap” in stand werd gehouden.

Dit mag echter niet verward worden met het zogenoemde goddelijk recht van koningen, een latere ontwikkeling die ten doel had politieke regeerders te bevrijden van onderworpenheid aan het pausdom. De theorie van het goddelijk recht houdt in dat koningen hun autoriteit om te regeren rechtstreeks van God ontvangen en niet via de paus van Rome. De New Catholic Encyclopedia zegt: „In een tijd dat de paus een universeel geestelijk en zelfs wereldlijk gezag over de staatshoofden uitoefende, gaf het denkbeeld van het goddelijk recht de koningen van nationale staten de kans om aan te tonen dat hun gezag net zo goddelijk was als dat van de paus.”b

De mythe van de volkssoevereiniteit

Naarmate de tijd verstreek, werden er andere bronnen van autoriteit aangedragen. Een ervan was de soevereiniteit van het volk. Velen geloven dat dit denkbeeld zijn oorsprong vond in Griekenland. Maar de democratie van het oude Griekenland gold slechts in een paar stadstaten en zelfs in deze staten mochten alleen mannelijke burgers stemmen. Vrouwen, slaven en inwonende vreemdelingen — geschat op de helft tot vier vijfde van de bevolking — werden daarvan buitengesloten. Dat is nauwelijks volkssoevereiniteit te noemen!

Wie propageerde het denkbeeld van de volkssoevereiniteit? Verbazingwekkend genoeg werd het in de middeleeuwen door rooms-katholieke theologen geïntroduceerd. In de dertiende eeuw was Thomas van Aquino van mening dat soevereiniteit, hoewel ze van God afkomstig is, bij het volk berust. Dit denkbeeld bleek aan te spreken. De New Catholic Encyclopedia zegt: „Dit denkbeeld dat het volk de bron van autoriteit was, werd door de overgrote meerderheid van de katholieke theologen van de zeventiende eeuw aangehangen.”

Waarom zouden theologen van een kerk waarin de mensen helemaal geen stem in het kapittel hadden bij het kiezen van de paus, een bisschop of een priester, het denkbeeld van de volkssoevereiniteit propageren? Omdat sommige Europese koningen steeds rustelozer werden onder het pauselijk gezag. De theorie van de volkssoevereiniteit gaf de paus de macht om als het nodig leek een keizer of een monarch af te zetten. De historici Will en Ariel Durant schreven: „Tot de voorstanders van de volkssoevereiniteit behoorden vele jezuïeten, die in dit denkbeeld een middel zagen om het koninklijk gezag ten opzichte van het pauselijk gezag te verzwakken. Indien, zo redeneerde kardinaal Bellarminus, het gezag van de koningen afgeleid is van, en derhalve onderworpen is aan het volk, dan is het zeker ondergeschikt aan het gezag van de pausen . . . Luis de Molina, een Spaanse jezuïet, concludeerde dat het volk, als de bron van wereldlijk gezag, met recht — maar via een ordelijke procedure — een onrechtvaardige koning mag afzetten.”

De „ordelijke procedure” zou, natuurlijk, door de paus worden gedirigeerd. Ter bevestiging hiervan doet de Franse katholieke Histoire Universelle de l’Eglise Catholique een aanhaling uit de Biographie universelle, waarin staat: „Bellarminus . . . onderwijst als algemene katholieke leer dat vorsten hun macht ontlenen aan de keuze van het volk, en dat het volk dit recht alleen onder het gezag van de paus kan uitoefenen.” (Wij cursiveren.) De volkssoevereiniteit werd aldus een instrument dat de paus kon gebruiken om invloed uit te oefenen op het kiezen van regeerders en hen, zo nodig, te laten afzetten. In recentere tijden kreeg de katholieke hiërarchie daardoor de mogelijkheid katholieke kiezers in representatieve (vertegenwoordigende) democratieën te beïnvloeden.

In moderne democratieën is de legitimiteit van de regering gebaseerd op wat „instemming van de geregeerden” wordt genoemd. In het gunstigste geval is dit echter de „instemming van de meerderheid”, en wegens de apathie van de kiezer en door politieke zwendel vormt deze „meerderheid” in werkelijkheid vaak slechts een minderheid van de bevolking. In deze tijd betekent de „instemming van de geregeerden” vaak weinig meer dan „berusting, of gelatenheid, van de geregeerden”.

De mythe van de staatssoevereiniteit

De door de vroege pausen gepropageerde mythe van het heilig koningschap had een averechtse uitwerking op het pausdom toen ze in het goddelijk recht van koningen werd veranderd. De theorie van de volkssoevereiniteit had net zo’n uitwerking op de Katholieke Kerk. Gedurende de zeventiende en de achttiende eeuw lieten wereldlijke filosofen, zoals Thomas Hobbes en John Locke in Engeland en Jean-Jacques Rousseau in Frankrijk, hun gedachten gaan over het denkbeeld van de volkssoevereiniteit. Zij werkten versies uit van de theorie van een „sociaal contract” tussen regeerders en geregeerden. Hun beginselen waren niet gebaseerd op theologie maar op de „natuurwet”, en het begrip vond zijn climax in ideeën die de Katholieke Kerk en het pausdom in ernstige mate schade berokkenden.

Kort na de dood van Rousseau brak de Franse Revolutie uit. Deze revolutie deed bepaalde ideeën van legitimiteit teniet, maar creëerde een nieuw denkbeeld, de staatssoevereiniteit. The New Encyclopædia Britannica geeft als commentaar: „De Fransen verwierpen het goddelijk recht van koningen, de overheersende invloed van de adel en de privileges van de Rooms-Katholieke Kerk.” Maar, zegt de Britannica, „de Revolutie had de nieuwe uitvinding, de nationale staat, tot rijpheid gebracht”. De revolutionairen hadden deze nieuwe „uitvinding” nodig. Waarom?

Omdat onder het systeem dat Rousseau had voorgestaan, alle burgers evenveel te zeggen zouden hebben bij het kiezen van regeerders. Hierdoor zou een op algemeen kiesrecht gebaseerde democratie zijn ontstaan — iets wat de leiders van de Franse Revolutie niet graag wilden. Professor Duverger legt uit: „Het was juist om deze uitkomst, die als onwenselijk werd beschouwd, te vermijden dat van 1789 tot 1791 de bourgeoisie van de Constituante de theorie van de staatssoevereiniteit bedacht. Zij vereenzelvigden het volk met de ’Staat’, die zij beschouwden als iets wat werkelijk en op zichzelf bestaat, afgescheiden van de bestanddelen ervan. Alleen de Staat, via haar vertegenwoordigers, is gerechtigd soevereiniteit uit te oefenen . . . Ook al is de leer van de staatssoevereiniteit in een democratisch jasje gestoken, ze is eigenlijk helemaal niet democratisch omdat ze gebruikt kan worden om praktisch elke regeringsvorm, autocratie in het bijzonder, te rechtvaardigen.” (Schrijver cursiveert.)

Menselijke krachtsinspanningen falen

Het aanvaarden van de nationale staat als een rechtmatige bron van autoriteit leidde tot nationalisme. The New Encyclopædia Britannica zegt: „Men denkt vaak dat nationalisme heel oud is; soms wordt het ten onrechte als een permanente factor in politiek gedrag beschouwd. In feite kunnen de Amerikaanse en de Franse Revolutie als de eerste krachtige uitingen ervan worden bezien.” Sinds die revoluties heeft het nationalisme snel terrein gewonnen in de Amerika’s, in Europa, in Afrika en in Azië. Wrede oorlogen zijn geautoriseerd in de naam van het nationalisme.

De Britse historicus Arnold Toynbee schreef: „De geest van nationalisme is een zuurmakend gistingsproces van de nieuwe wijn der democratie in de oude flessen van het primitieve stamverband. . . . Dit vreemde compromis tussen democratie en primitief stamverband is in de praktijk van de politiek van onze moderne westerse wereld veel krachtiger geweest dan democratie zelf.” Het nationalisme heeft geen vredige wereld voortgebracht. Toynbee zei: „De godsdienstoorlogen zijn na een zeer kort respijt gevolgd door de nationalistische oorlogen; en het is duidelijk dat in onze moderne westerse wereld de geest van religieus fanatisme en de geest van nationaal fanatisme een en dezelfde kwade passie vormen.”

Met behulp van de mythen van het „heilig koningschap”, het „goddelijk recht van koningen”, „volkssoevereiniteit” en „staatssoevereiniteit” hebben regeerders geprobeerd hun autoriteit over medemensen te legitimeren. Maar na het bericht van menselijke regeerders te hebben beschouwd, kan een christen alleen maar instemmen met wat Salomo onder woorden bracht: ’De ene mens heeft over de andere mens geheerst tot diens nadeel.’ — Prediker 8:9.

In plaats van de politieke staat aanbidding te schenken, aanbidden christenen God en erkennen hem als de rechtmatige bron van alle autoriteit. Zij zijn het eens met de psalmist David, die zei: „Aan u, Jahweh, behoort de grootheid, de macht, de luister, lengte van dagen en heerlijkheid; alles in de hemel en op aarde behoort u toe. Aan u behoort de soevereiniteit, Jahweh; u bent verheven, hoog boven alles” (1 Kronieken 29:11, The New Jerusalem Bible). Maar uit eerbied voor God tonen zij gepast respect voor autoriteit op zowel wereldlijk als geestelijk gebied. Hoe en waarom zij dit vreugdevol kunnen doen, zal in de volgende twee artikelen worden beschouwd.

[Voetnoten]

a Droit constitutionnel et institutions politiques, door Maurice Duverger.

b The Catholic Encyclopedia zegt: „Dit ’goddelijk recht van koningen’ (dat sterk verschilt van de leer dat alle autoriteit, of het nu om een koning of om een republiek gaat, van God afkomstig is) is nooit door de Katholieke Kerk gesanctioneerd. Tijdens de Reformatie nam het een vorm aan die het katholicisme buitengewoon vijandig gezind was, doordat monarchen zoals Hendrik VIII en Jacobus I van Engeland aanspraak maakten op het volledige geestelijke en burgerlijke gezag.”

[Illustratie op blz. 15]

De Katholieke Kerk maakte aanspraak op de autoriteit om keizers en koningen te kronen

[Verantwoording]

De wijding van Karel de Grote: Bibliothèque Nationale, Parijs

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen