Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w94 1/6 blz. 19-23
  • Zij gaven ons het voorbeeld

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Zij gaven ons het voorbeeld
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Bijbelse waarheden leren
  • Pionieren in Australië
  • Uitgenodigd voor een buitenlands veld
  • Huwelijk, verbodsbepalingen en oorlog
  • Het leven in de concentratiekampen
  • Vrijheid en een opmerkelijke hereniging
  • Terug in Australië
  • Een keus die ik nooit heb betreurd
    Ontwaakt! 1989
  • Ik ben dankbaar dat ik het heb overleefd
    Ontwaakt! 1992
  • ’Eerst het koninkrijk zoeken’
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Deel 3 — Getuigen tot de verst verwijderde streek der aarde
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
w94 1/6 blz. 19-23

Zij gaven ons het voorbeeld

ZOALS VERTELD DOOR CRAIG ZANKER

Acht jaar zijn mijn vrouw, Gayle, en ik nu pioniers, volle-tijdbedienaren van Jehovah’s Getuigen. De afgelopen zes jaar dienen wij te midden van de Aborigine-bevolking in het Australische binnenland. Wij volgen slechts het voortreffelijke voorbeeld dat mijn ouders en grootouders ons hebben gegeven.

LAAT ik u vooral iets over mijn grootouders vertellen. Wij hebben hen altijd liefkozend Opa en Oma genoemd. Mijn grootvader, Charles Harris, dient nog steeds ijverig in Melbourne, waar hij al bijna vijftig jaar woont.

Bijbelse waarheden leren

Opa is in een stadje op Tasmanië, Australiës eilandstaat, geboren. In 1924, toen hij veertien was, kocht zijn vader op een veiling een zeemanskist. Het bleek een echte schatkist te zijn, in geestelijk opzicht, want er zat een set boeken in die door de eerste president van het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap, Charles Taze Russell, waren geschreven.

Blijkbaar was Opa’s vader niet bijzonder geïnteresseerd in de boeken, maar Opa begon ze te lezen en besefte onmiddellijk dat ze belangrijke bijbelse waarheden bevatten. Dus ging hij op zoek naar de Internationale Bijbelonderzoekers, de vertegenwoordigers van de uitgevers van de boeken, die nu als Jehovah’s Getuigen bekendstaan. Hij wilde met hen spreken, zodat hij nog meer uitleg kon krijgen van de bijbelse waarheden die hij te weten kwam.

Na veel zoeken vond hij drie bejaarde vrouwen die er actief mee bezig waren anderen te onderwijzen. Het leven van de jonge Charles werd sterk door hen beïnvloed. Uiteindelijk, in 1930, droeg hij zich aan Jehovah God op en werd in water gedoopt. Hij nam ontslag als slager en reisde noordwaarts, naar Sydney, waar hij een toewijzing als volle-tijdevangelieprediker kreeg.

Pionieren in Australië

De volgende paar jaar bestond het predikingsgebied van Charles uit de buitenwijk Bondi van Sydney aan de kust alsook plattelandsgebieden in de staat New South Wales. Vervolgens kreeg hij Perth (Western Australia) als toewijzing, duizenden kilometers ver weg aan de andere kant van het continent. Zes maanden lang gaf hij getuigenis in het zakengebied van Perth, en daarna werd hij samen met twee andere pioniers naar de open vlakten van het noordwesten van Australië overgeplaatst.

De predikingstoewijzing van dit drietal — Arthur Willis, George Rollsten en Charles — was een gebied dat viermaal zo groot was als Italië! Er woonden weinig mensen, het land was kaal, en de hitte intens. Soms moesten zij tussen twee veefokkerijen zo’n 500 kilometer afleggen. Het voertuig dat zij gebruikten, was zelfs voor de begrippen van de jaren dertig aftands, maar zij hadden een sterk geloof en een heleboel vastberadenheid.

Kriskras over de smalle, onverharde wegen vol kuilen liepen kameelsporen, en hier en daar onttrok het fijne stof („bulldust” genoemd) gevaarlijke boomstronken aan het oog. Geen wonder dat de vering van de auto het vaak begaf. De achteras brak twee keer, en de banden gingen vele malen aan flarden. De pioniers maakten vaak een voering van gebruikte banden en bevestigden die met bouten uit het dak van de auto aan de binnenkant van de bestaande banden, zodat zij hun reis konden voortzetten.

Toen ik nog maar een jonge knaap was, vroeg ik Opa wat hen had aangemoedigd om onder zulke moeilijke omstandigheden door te gaan. Hij legde uit dat zij zich in hun isolement nauw met Jehovah verbonden voelden. Wat soms een lichamelijke beproeving was, zei hij, werd een geestelijke zegening.

Zonder een zweem van superioriteit of zelfrechtvaardigheid gaf Opa uiting aan zijn verbazing dat heel veel mensen zich al te zeer schijnen te bekommeren om het vergaren van materiële bezittingen. „Je kunt”, zo zei hij mij, „veel beter met zo weinig mogelijk bagage door het leven gaan. Als Jezus bereid was onder de blote hemel te slapen wanneer dat nodig was, dan moeten wij graag bereid zijn hetzelfde te doen als onze toewijzing dat vereist” (Mattheüs 8:19, 20). En dat hebben hij en zijn metgezellen inderdaad gedaan.

Uitgenodigd voor een buitenlands veld

In 1935 kreeg Opa een nieuwe predikingstoewijzing — getuigenis geven aan de bewoners van de eilanden in de Stille Zuidzee. Met een bemanning van nog zes anderen voer hij op de zestien meter lange zeilboot van het Wachttorengenootschap, de Lightbearer.

Op een keer toen zij op de Koraalzee ten noorden van Australië voeren, begaf de hulpmotor van de Lightbearer het. Er stond geen zuchtje wind, dus zij kwamen mijlenver van het vasteland stil te liggen. Hoewel het gevaar bestond dat zij op het Groot Barrièrerif schipbreuk zouden lijden, was Opa onder de indruk van de intense rust. „De zee was zo glad als een spiegel”, schreef hij in zijn dagboek. „Ik zal nooit vergeten hoe de zon elke avond op die rustige zee onderging. Het was zo’n prachtig gezicht dat het voor altijd in mijn herinnering is gegrift.”

Gelukkig ging het weer waaien voordat zij op het rif terechtkwamen, en zij voeren met volle zeilen veilig Port Moresby (Papoea Nieuw-Guinea) binnen, waar zij de motor lieten repareren. Van Port Moresby zeilden zij naar Thursday Island en toen naar Java, een groot eiland dat tot Indonesië behoort. Opa ging een diepe liefde koesteren voor dit land, dat wel beschreven is als „een parelsnoer dat dwars over de evenaar ligt”. Toentertijd was Indonesië een Nederlandse kolonie, dus Opa leerde zowel Nederlands als Indonesisch. Maar in de prediking bood hij lectuur in vijf talen aan: Nederlands, Indonesisch, Chinees, Engels en Arabisch.

Opa had veel succes in het verspreiden van lectuur. Op een keer werd Clem Deschamp, die het Wachttoren-depot in Batavia (nu Jakarta) beheerde, bij een Nederlandse ambtenaar ontboden die ons predikingswerk nauwgezet had gevolgd. „Hoeveel mensen hebt u daar op Oost-Java zitten?”, vroeg de ambtenaar.

„Eén maar”, antwoordde broeder Deschamp.

„Denkt u dat ik dat geloof?”, blafte de ambtenaar. „U moet wel een aardig leger van werkers daar hebben, te oordelen naar de hoeveelheid lectuur die overal verspreid wordt!”

Opa vindt dat een van de mooiste complimenten van zijn leven. Maar hij had het beslist verdiend, aangezien het voor hem niet ongewoon was tussen de 1500 en 3000 publikaties per maand te verspreiden.

Huwelijk, verbodsbepalingen en oorlog

In december 1938 trouwde Opa met een jonge Indonesische vrouw, Wilhelmina, die mijn grootmoeder werd. Oma was aardig, vriendelijk, ijverig en had een lieve stem. Ik kan het weten, want in mijn kindertijd was zij mijn beste vriendin.

Na hun trouwdag zetten Opa en Oma hun pioniersdienst samen voort. Tegen die tijd hadden de andere bemanningsleden van de Lightbearer zich naar andere delen van de wereld verspreid of waren naar huis teruggekeerd. Maar Opa had Indonesië tot zijn thuis gemaakt en was vastbesloten daar te blijven.

Toen de Tweede Wereldoorlog naderde, begon de Nederlandse regering, die het bewind voerde over Indonesië, onder druk van de geestelijken de activiteiten van Jehovah’s Getuigen beperkingen op te leggen en verklaarde ons werk uiteindelijk verboden. De prediking werd dus onder moeilijke omstandigheden verricht, waarbij alleen de bijbel werd gebruikt. In bijna elke stad die Opa en Oma aandeden, werden zij voor de gezagdragers gesleept en ondervraagd. Zij werden als misdadigers behandeld. Niet lang nadat ons werk verboden was verklaard, werd Oma’s zwager wegens zijn standpunt inzake christelijke neutraliteit gevangengezet. Hij stierf in een onder Nederlands beheer staande gevangenis.

Opa en Oma woonden in een vrachtwagen waarop een caravan was gebouwd. Met behulp van deze camper predikten zij op heel Java. In 1940, terwijl er een invasie van het Japanse leger dreigde, werden zij gezegend met een dochter, die mijn moeder werd. Zij noemden de baby Victory (Overwinning), naar de titel van de lezing die twee jaar voordien door de toenmalige president van het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap, J. F. Rutherford, was gehouden. Zij gingen zelfs in de periode rond de geboorte van de baby door met pionieren.

Begin 1942 bevonden Opa, Oma en Victory zich op een Nederlands vrachtschip dat van Borneo terugkeerde, toen er een luid kanongebulder vanaf een Japans oorlogsschip weerklonk. Alle lichten gingen uit en de mensen schreeuwden. Zo deed de oorlog zijn intrede in het leven van mijn familie. Hoewel zij veilig in de haven aankwamen, voerden de Japanners slechts enkele dagen later een invasie uit op Java en een Nederlandse ambtenaar onthulde de verblijfplaats van Opa en Oma aan de Japanse soldaten.

Toen de Japanners hen vonden, ontnamen zij hun al hun bezittingen, zelfs het speelgoed van de kleine Victory, en brachten hen naar twee verschillende concentratiekampen. Victory mocht bij Oma blijven, en Opa kreeg hen de volgende drie en een half jaar niet te zien.

Het leven in de concentratiekampen

Tijdens zijn internering werd Opa van de ene stad naar de andere overgeplaatst — van Surabaya naar Ngawi, naar Bandung en uiteindelijk naar Tjimahi. Deze voortdurende verhuizingen hadden ten doel elke poging tot een georganiseerd ontsnappingsplan te verijdelen. De gevangenen waren voornamelijk Nederlanders, met enkele Britten en een aantal Australiërs. In de kampen heeft Opa het kappersvak geleerd, iets wat hij nog steeds zo nu en dan beoefent. Het enige religieuze boek dat hij mocht houden, was de bijbel — zijn King James Version.

Ondertussen werden Oma en Victory eveneens van het ene kamp naar het andere overgebracht. De vrouwen in deze kampen kregen van de kampcommandant te horen dat zij buiten „welzijnswerk” moesten doen. Maar om de een of andere reden werd Oma nooit uitgekozen. Later hoorde zij dat de vrouwen naar buiten werden gebracht om als prostituées voor Japanse soldaten te werken.

Aangezien Japanse soldaten niet van kleine meisjes hielden, kleedde Oma Victory altijd als een jongen en hield haar haar kort. De naam Victory zorgde voor grote problemen toen de kampcommandant wilde weten wat de naam betekende — overwinning voor het Japanse keizerlijke leger of overwinning voor de Amerikanen?

„Overwinning voor Gods koninkrijk op alle aardse regeringen!”, antwoordde mijn grootmoeder vol trots.

Als straf voor haar weigering om „overwinning voor het Japanse keizerlijke leger” te zeggen, werden Oma en haar vijfjarige dochtertje gedwongen acht uur lang onder de verzengende tropische zon in de houding te staan. Schaduw, water, zitten of wat meer ontspannen staan was er niet bij. Maar met Jehovah’s hulp hebben zij deze afschuwelijke beproeving overleefd.

Een jaar na Oma’s internering zei de kampcommandant tegen haar dat haar man gestorven was! Zij legde verdrietig Opa’s foto op de bodem van haar gehavende koffer en ging ondanks haar verdriet verder.

Het leven in het gevangenenkamp was zwaar. Het dagelijkse rantsoen bestond uit een kopje tapioca als ontbijt, zo’n twee ons sagobrood als middagmaal en een kopje gekookte rijst in een waterige groentesoep als avondeten. Tengevolge van zulke magere rantsoenen waren velen ondervoed, en dagelijks stierven er mensen aan dysenterie.

Tijdens zijn internering leed Opa aan pellagra en hongeroedeem. Oma was eveneens bijna omgekomen, aangezien zij vaak haar voedsel aan Victory gaf om te voorkomen dat de kleine meid van honger zou sterven. Wreedheid en honger werden voortdurende metgezellen. Zij konden alleen overleven door dicht bij hun God, Jehovah, te blijven.

Ik kan mij heel goed een van de favoriete uitspraken van Opa herinneren: „Vrijheid is in harmonie zijn met de Goddelijke, Jehovah.” Opa beschouwde zichzelf dus als iemand die werkelijk vrij was, zelfs toen hij wrede gevangenzetting moest ondergaan. De liefde die hij en Oma voor Jehovah hadden, heeft hen beslist geholpen ’alle dingen te verduren’ (1 Korinthiërs 13:7). Die hechte band met God is iets wat Gayle en ik nu proberen te behouden.

Vrijheid en een opmerkelijke hereniging

Eindelijk kwam er in 1945 een eind aan de Tweede Wereldoorlog. Niet lang na de capitulatie van Japan werd Opa per trein getransporteerd. Onderweg van Jakarta naar Bandung werd de trein door Indonesische soldaten aangehouden. Hoewel er een eind was gekomen aan de vijandelijkheden met de Japanners, vochten de Indonesiërs om onafhankelijk van de Nederlanders te worden. Opa was zo verbouwereerd toen hij plotseling uit de trein werd gehaald dat hij vergat Engels te spreken en in plaats daarvan Nederlands begon te praten. Voor de Indonesiërs was Nederlands de taal van de vijand, en de vijand moest dood.

Gelukkig vonden de soldaten toen zij Opa fouilleerden zijn Australische rijbewijs, dat hij helemaal vergeten was. En de Indonesiërs waren niet in oorlog met Australië. Tot op de dag van vandaag beschouwt Opa het vinden van het rijbewijs waaruit bleek dat hij Australisch staatsburger was, als een goddelijke inmenging, want op diezelfde stopplaats hebben diezelfde troepen slechts een paar uur later twaalf Nederlanders gedood die per trein op doorreis waren.

Kort na dit voorval stonden Oma en Victory te wachten op vervoer vanuit de door oorlog verscheurde gebieden. Terwijl zij langs de kant van de weg zaten, kwam er een eindeloze rij vrachtwagens met soldaten en burgers voorbij. Plotseling kwam de rij schijnbaar zonder reden tot stilstand. Oma wierp toevallig een blik in de open achterbak van de dichtstbijzijnde vrachtwagen en daar zat tot haar grote verbazing een uitgemergelde man die zij onmiddellijk herkende. Het was haar man! Woorden schieten te kort om de emoties van hun hereniging te beschrijven.

Terug in Australië

Toen grootvader in 1946 met zijn gezin in Australië terugkwam, na elf jaar in Indonesië te hebben gewoond, viel het leven voor hen niet mee. Zij kwamen terug als oorlogsvluchtelingen — berooid, ondervoed en door veel plaatselijke bewoners met achterdocht bekeken. Oma en Victory waren het mikpunt van rassenvooroordeel tegenover Aziatische immigranten. Opa moest hard werken en maakte lange dagen om voor zijn gezin te zorgen en hun een onderkomen te verschaffen. Ondanks deze beproevingen volhardden zij en kwamen zij erdoorheen zonder dat hun geestelijke gezindheid eronder leed.

Nu, ruim 48 jaar later, woont Opa in Melbourne, waar hij nog steeds een aandeel heeft aan de van-huis-tot-huisbediening. Hij heeft gezien hoe Victory en haar kinderen de waarheid aanvaardden, hun leven aan Jehovah opdroegen en hoe ieder van hen de volle-tijddienst op zich nam.

Des Zanker, die mijn vader werd, en Victory werden begin jaren vijftig gedoopt, en Des werd in 1958 een lid van de Australische Bethelfamilie. Nadat hij en Victory, die als speciale pionierster diende, met elkaar waren getrouwd, hebben zij een tijdje gepionierd en werden daarna voor de reizende dienst uitgenodigd. Toen kwam ik, en zij moesten met het reizende werk stoppen om voor mij te zorgen. Maar 27 jaar later pioniert Vader nog steeds.

Begin 1990 is Oma vredig gestorven, in hetzelfde huis waar mijn moeder is opgegroeid. Ook ik ben in ditzelfde huis in Melbourne opgegroeid, en mijn jongere broer en zus eveneens. Het is werkelijk een zegen voor onze familie geweest om samen in één huis te wonen. Soms was het krap, maar ik kan mij niet heugen dat wij er ons ooit zorgen over maakten. Zelfs voor mijn vrouw, Gayle, was er een plaatsje tijdens de eerste vier jaar van ons huwelijk en zij vond het heerlijk daar te wonen. Toen wij uiteindelijk naar onze nieuwe toewijzing gingen, moest ik huilen. In dat huis had ik zo veel steun en liefde ontvangen.

Nu hebben Gayle en ik echter reden tot uitbundige vreugde, want wij kunnen doen wat mijn ouders en hun ouders vóór hen deden. Toen wij het huis uitgingen, hebben wij troost geput uit de reden van ons vertrek, namelijk Jehovah’s wil doen in de volle-tijddienst. Wij doen ons best het voortreffelijke voorbeeld van onze getrouwe voorouders te volgen, die dezelfde troost vonden toen zij in moeilijke toewijzingen werkten, bittere armoede leden en zelfs jarenlang in Japanse concentratiekampen vastzaten. — 2 Korinthiërs 1:3, 4.

Opa heeft altijd troost geput uit de geïnspireerde woorden van koning David tot Jehovah: „Uw liefderijke goedheid is beter dan het leven” (Psalm 63:3). Mijn grootvader heeft steeds de vurige wens gehad om zich voor eeuwig in die liefderijke goedheid te verheugen. Zijn hele familie heeft de wens om dit samen met hem te beleven.

[Illustratie op blz. 21]

Oma en Opa Harris

[Illustratie op blz. 23]

Craig Zanker (achteraan), met zijn vrouw, ouders, en jongere broer en zus

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen