Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w94 1/4 blz. 20-24
  • Een rijk en lonend leven in Jehovah’s dienst

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een rijk en lonend leven in Jehovah’s dienst
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een avond die mijn leven veranderde
  • De beginjaren van onze bediening
  • Een verandering die ons geloof op de proef stelde
  • Menigmaal op het nippertje ontsnapt
  • Helpen bij een rechtszitting
  • De oorlog eindigt — Onze dienst gaat door
  • Jehovah’s weg is de beste levensweg
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Wij stelden Gods dienst op de eerste plaats
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Vastbesloten om Jehovah te dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
  • Dienen onder Jehovah’s liefdevolle hand
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
w94 1/4 blz. 20-24

Een rijk en lonend leven in Jehovah’s dienst

ZOALS VERTELD DOOR LEO KALLIO

Het was het jaar 1914, en een prachtige nazomerdag liep ten einde in onze voorstad van Turku, een stad in Finland. Plotseling werd de rust wreed verstoord door het nieuws dat er een grote oorlog was uitgebroken. Al gauw stroomden de straten vol met mensen die over de betekenis van de gebeurtenissen nadachten. De ernstige gezichten van de volwassenen maakten dat wij, kinderen, ons afvroegen wat er zou gebeuren. Ik was negen jaar, en ik herinner mij dat het vredige kinderspel in oorlogsspelletjes veranderde.

HOEWEL Finland niet deelnam aan de Eerste Wereldoorlog (1914–1918), werd het land in 1918 door een burgeroorlog geteisterd. Familieleden en vroegere vrienden namen vanwege uiteenlopende politieke opvattingen de wapens tegen elkaar op. Ons gezin van zeven personen heeft deze haat ervaren. Mijn vader, die onomwonden zijn mening uitte, werd gearresteerd en tot zeven jaar gevangenisstraf veroordeeld. Later werd hij vrijgelaten, maar tegen die tijd was zijn gezondheid verwoest.

Ons gezin werd in die afschuwelijke periode door honger en ziekte gekweld. Drie van mijn jongere zussen kwamen om. Mijn vaders broer, die in de stad Tampere woonde, hoorde van onze ellende en nodigde mijn vader en moeder en ons, de twee overgebleven kinderen, uit om bij hem onze intrek te nemen.

Jaren later, terwijl wij nog steeds in Tampere woonden, maakte ik kennis met een charmant meisje dat Sylvi heette. Zij had ongeveer dezelfde achtergrond als ik. Haar vader was in de burgeroorlog omgekomen, en daarna nam een goede vriend van haar familie, Kaarlo (Kalle) Vesanto, uit de stad Pori, haar, haar zus en haar moeder in huis. Hij hielp Sylvi’s moeder aan een baan en zorgde ervoor dat de meisjes naar school gingen. Na verloop van tijd verhuisde Sylvi naar Tampere om werk te zoeken, en daar hebben wij elkaar ontmoet.

Een avond die mijn leven veranderde

In 1928 werd Sylvi mijn verloofde, en op een dag reisden wij naar Pori om Kalle Vesanto en zijn gezin te bezoeken. Geen andere gebeurtenis heeft mijn leven zo beslissend beïnvloed. Kalle was eigenaar en pikeur van dravers geweest, maar had dat opgegeven. Hij en zijn vrouw waren ijverige verkondigers van het goede nieuws van Gods koninkrijk geworden. Het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1990 beschrijft hoe hij mannen huurde om de woorden „Miljoenen nu levende mensen zullen nimmer sterven” op een buitenmuur van zijn twee verdiepingen hoge huis te schilderen. De tekst was groot genoeg om vanuit snel passerende treinen gemakkelijk gelezen te kunnen worden.

Die avond praatten Kalle en ik tot in de kleine uurtjes. „Waarom? Waarom? Waarom?”, vroeg ik, en Kalle legde uit. Ik leerde letterlijk in één nacht fundamentele bijbelse waarheden. Ik schreef de schriftplaatsen op die allerlei leringen verklaarden. Later, toen ik thuis was, nam ik een notitieboekje en schreef al die schriftplaatsen helemaal uit. Omdat ik nog niet goed thuis was in de bijbel, gebruikte ik dit notitieboekje om aan allen op het bouwterrein waar ik werkte getuigenis te geven. Terwijl ik de leringen van de valse religie aan de kaak stelde, bemerkte ik vaak dat ik de volgende woorden van Kalle herhaalde: „Jullie zijn echt beetgenomen, jongens!”

Kalle gaf mij het adres van een huisje in Tampere waar zo’n dertig Bijbelonderzoekers hun vergaderingen hielden. Daar hurkte ik in een hoekje vlak bij de deur neer naast broeder Andersson, de eigenaar van het huisje. Ik kwam niet zo geregeld, maar gebed bleek een hulp te zijn. Toen ik eens ernstige moeilijkheden op het werk had, bad ik: „Alstublieft God, als u mij helpt over deze moeilijkheden heen te komen, dan beloof ik dat ik elke vergadering zal bijwonen.” De situatie werd echter alleen maar erger. Toen besefte ik dat ik aan mijn dienst voor Jehovah voorwaarden verbond, dus veranderde ik mijn gebed in: „Wat er ook gebeurt, ik beloof dat ik elke vergadering zal bijwonen.” Daarop namen de problemen af, en ik werd een geregelde bezoeker van de vergaderingen. — 1 Johannes 5:14.

De beginjaren van onze bediening

In 1929 trouwden Sylvi en ik, en in 1934 symboliseerden wij beiden onze opdracht aan Jehovah door middel van de waterdoop. In die dagen hield onze bediening in dat wij met een grammofoon en platen naar de huizen van de mensen gingen en vriendelijk vroegen of wij misschien kosteloos een bijbellezing mochten laten horen. De mensen nodigden ons vaak dadelijk binnen, en nadat zij naar de opgenomen lezing hadden geluisterd, namen zij deel aan een gesprek en aanvaardden wat van onze lectuur.

Met toestemming van de autoriteiten speelden wij deze zelfde bijbellezingen via versterkers in de parken af. En in de voorsteden bevestigden wij de luidspreker gewoonlijk aan een dak of boven op een schoorsteen. Andere keren speelden wij de lezingen aan de oever van een meer af waar stadsmensen samenstroomden. Wij namen gewoon de versterkers in een boot mee en roeiden langzaam langs de oever. Op zondagen ondernamen wij, toegerust met onze kostbare versterkers en een flinke hoeveelheid lectuur, per bus een veldtocht op het platteland.

Een verandering die ons geloof op de proef stelde

In 1938 ging ik als pionier in de volle-tijddienst, maar ik bleef ook als metselaar werken. De volgende lente kreeg ik een uitnodiging van het bijkantoor van het Genootschap om reizende bedienaar, nu kringopziener genoemd, te worden. Het was geen gemakkelijke beslissing om die uitnodiging aan te nemen omdat ik het fijn vond met onze gemeente in Tampere samen te werken. Bovendien hadden wij een eigen huis; wij hadden een zesjarige zoon, Arto, die spoedig naar school zou gaan; en Sylvi vond haar werk als winkelbediende leuk. Maar nadat wij met elkaar hadden overlegd, nam ik dit extra voorrecht van Koninkrijksdienst aan. — Mattheüs 6:33.

Toen begon er een andere moeilijke periode. Er brak oorlog uit op 30 november 1939, toen sovjettroepen Finland binnenmarcheerden. De oorlog, de Winteroorlog genoemd, duurde tot maart 1940, toen Finland akkoord moest gaan met een vredesverdrag. Het leek wel of zelfs de natuur oorlog voerde, want dat was verreweg de koudste winter die ik mij kan herinneren. Ik fietste van de ene naar de andere gemeente terwijl de thermometer tot meer dan dertig graden Celsius onder nul daalde!

In 1940 werd het werk van Jehovah’s Getuigen in Finland verboden. Daarna werden vele jonge Finse Getuigen in de gevangenis geworpen en gedwongen daar onder onmenselijke omstandigheden te blijven. Gelukkig kon ik tijdens de hele Tweede Wereldoorlog, van 1939 tot 1945, de gemeenten blijven bedienen. Dit betekende vaak dat ik maanden achtereen niet bij Sylvi en Arto was. Daarbij kwam nog de voortdurende dreiging gearresteerd te worden wegens het verrichten van een illegaal werk.

Ik moet er wel vreemd hebben uitgezien, rijdend op een fiets die beladen was met een koffer, een tas vol lectuur en een grammofoon met platen. Eén reden waarom ik de grammofoonplaten bij mij had, was dat ik, wanneer ik gearresteerd zou worden, kon bewijzen dat ik geen verkenningsparachutist was die voor de Russen spioneerde. Ik kon namelijk aanvoeren dat als ik een parachutist was geweest, de platen tijdens de sprong zouden zijn gebroken.

Toch werd ik toen ik eens een wijk bezocht die voor een spion was gewaarschuwd, door een Getuigen-gezin als zodanig beschouwd. Ik klopte op een donkere winteravond op hun deur, en zij waren te bang om open te doen. Dus bracht ik die nacht in een schuur door, begraven onder het hooi om te proberen warm te blijven. De volgende ochtend werd de zaak opgehelderd, en ik moet zeggen dat de leden van het huisgezin mij gedurende de rest van mijn bezoek buitengewone gastvrijheid hebben betoond!

In de oorlogsjaren bedienden alleen broeder Johannes Koskinen en ik de gemeenten in Midden- en Noord-Finland. Ieder van ons had de verantwoordelijkheid voor grote gebieden die zich over een lengte van wel 600 kilometer uitstrekten. Wij moesten zo veel gemeenten bezoeken dat wij maar twee of drie dagen in elke gemeente konden blijven. Treinen reden zelden op tijd en er waren weinig bussen, die bovendien zo vol zaten dat het een wonder was dat wij steeds onze bestemming bereikten.

Menigmaal op het nippertje ontsnapt

Op een keer, in het begin van de Winteroorlog, ging ik naar het bijkantoor in Helsinki en haalde vier zware dozen met verboden lectuur op om ze in de trein mee te nemen en bij de gemeenten af te leveren. Terwijl ik op het station Riihimäki stond, ging het luchtalarm. Soldaten in de trein deden hun sneeuwpakken aan en passagiers kregen te horen dat zij de trein onmiddellijk moesten verlaten en naar een leeg veld tegenover het station moesten gaan.

Ik vroeg de soldaten mijn dozen te dragen en vertelde hun dat ze belangrijk waren. Vier soldaten pakten ieder een doos op en wij renden zo’n 200 meter over het met sneeuw bedekte veld. Wij wierpen ons op de grond en iemand schreeuwde naar mij: „Hé burger, verroer je niet! Als de bommenwerpers ook maar de geringste beweging zien, zijn wij het doelwit.” Ik was nieuwsgierig genoeg om mijn gezicht voorzichtig te draaien zodat ik in de lucht kon kijken, waar ik 28 vliegtuigen telde!

Plotseling schudde de grond van ontploffende bommen. Hoewel het station was gespaard, was de trein waarmee wij waren aangekomen, getroffen. Wat vormden de vernielde trein en de verbogen rails een afschuwelijk gezicht! De volgende ochtend kon ik mijn reis met de dozen vervolgen, en de soldaten namen een andere trein. Een van hen werd na de oorlog een Getuige, en hij vertelde mij dat de soldaten het later over die vreemde burger met zijn dozen hadden gehad.

Enige tijd later werd broeder Koskinen, die op weg was naar de kleine gemeente in Rovaniemi in Noord-Finland, gearresteerd voordat hij uit de trein stapte. Hij werd naar de gevangenis gebracht, waar hij vreselijk werd mishandeld. Toen ik diezelfde gemeente moest bedienen, sprak ik af om op het kleine station van Koivu uit te stappen. Daar had zuster Helmi Pallari ervoor gezorgd dat ik de rest van de weg in een melkwagen kon afleggen. Mijn bezoek aan de gemeente Rovaniemi was een succes. Maar bij mijn vertrek raakte ik in moeilijkheden.

Onderweg naar het station liepen mijn metgezel en ik twee militairen tegen het lijf die de papieren van alle voorbijgangers controleerden. „Kijk niet naar hen. Kijk recht voor je uit”, zei ik. Wij liepen tussen hen door alsof zij niet bestonden. Toen achtervolgden zij ons. Op het station kon ik hen uiteindelijk in de menigte ontlopen en in een rijdende trein springen. Er was in het reizende werk van die dagen geen gebrek aan opwinding!

Op een keer werd ik gearresteerd en voor de Indelingsraad gebracht. Het was de bedoeling mij naar het front te sturen. Maar de telefoon ging en de legerofficier die op het punt stond mij te ondervragen, nam op. Ik kon de stem aan de andere kant horen schreeuwen: „Waarom blijven jullie in vredesnaam deze zieke, waardeloze mannen sturen? Het enige wat wij kunnen doen, is hen terugsturen. Wij hebben mannen nodig die kunnen werken!” Gelukkig had ik een medische verklaring bij mij waarin stond dat ik een gezondheidsprobleem had. Toen ik die liet zien, mocht ik gaan en zette mijn werk in de gemeenten dus ononderbroken voort!

Helpen bij een rechtszitting

De oorlogshysterie woedde voort, en mijn vriend Ahti Laeste werd gearresteerd. Zijn vrouw belde mij op. In hun huis vond ik tussen zijn papieren een document van de plaatselijke politie waarin stond dat Ahti toestemming had om opgenomen toespraken in openbare parken van de stad af te spelen. Wij arriveerden met het document bij de rechtbank. Nadat de tenlastelegging was voorgelezen, overhandigde ik broeder Laeste het document. De rechter liet een soldaat een grammofoon en verscheidene van de opgenomen bijbellezingen binnenbrengen zodat de rechtbank ze kon beluisteren. Nadat de rechter alle lezingen had beluisterd, zei hij dat hij niets onwelvoeglijks kon ontdekken in hetgeen er was gezegd.

Vervolgens werden Ahti, zijn vrouw en ik de gang op gestuurd om op de uitspraak van de rechtbank te wachten. Daar stonden wij dan, vol spanning. Eindelijk hoorden wij een stem zeggen: „Verdachte, u kunt binnenkomen.” Broeder Laeste werd vrijgesproken! Ons hart was werkelijk vervuld van dankbaarheid jegens Jehovah toen wij ons werk voortzetten, broeder en zuster Laeste in de plaatselijke gemeente en ik in de reizende dienst.

De oorlog eindigt — Onze dienst gaat door

Het verbod op ons predikingswerk werd opgeheven toen de oorlog eindigde, en de broeders werden uit de gevangenis vrijgelaten. Gedurende de vele jaren van mijn dienst ben ik altijd diep onder de indruk geweest van de rol die christelijke zusters in het Koninkrijkswerk en het ondersteunen van hun man spelen. Ik ben vooral dankbaar voor Sylvi’s offers en ondersteuning. Daardoor kon ik 33 jaar ononderbroken in de reizende dienst blijven en daarna als speciale pionier dienen.

Zowel Sylvi als ik moedigde Arto aan om wanneer hij van school kwam te gaan pionieren, Engels te leren en de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in de Verenigde Staten te bezoeken. In 1953 studeerde hij van Gilead af. Daarna trouwde hij met Eeva, en samen zijn zij in verschillende takken van de volle-tijddienst werkzaam geweest, met inbegrip van het kringwerk, de Betheldienst en de speciale pioniersdienst. In 1988 zijn zij naar Tampere verhuisd, waar wij wonen, om voor Sylvi en mij te helpen zorgen terwijl zij als speciale pioniers blijven dienen.

Sylvi en ik kunnen terugkijken op een rijk en gezegend leven met heel wat herinneringen die ons aanmoedigen, hoewel onze krachten nu sterk zijn afgenomen. Het is buitengewoon lonend om te denken aan de groei die wij hebben gezien. Toen ik in 1939 de gemeenten begon te bezoeken, waren er in Finland 865 Koninkrijksverkondigers, maar nu zijn er meer dan 18.000!

Toen ik in 1938 met de volle-tijdbediening begon, had ik er geen idee van dat ik er 55 jaar later nog steeds een aandeel aan zou hebben. Ondanks onze gevorderde leeftijd gaan wij in Jehovah’s kracht door en zien wij uit naar onze beloofde beloning. Wij stellen vertrouwen in de woorden van de psalmist: „Jehovah is goed; zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd, en zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.” — Psalm 100:5.

[Illustratie op blz. 21]

Leo en Sylvi Kallio symboliseerden in 1934 hun opdracht aan Jehovah

[Illustratie op blz. 23]

Een recente foto van Leo en Sylvi toen zij al bijna 60 jaar opgedragen dienst verrichtten

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen