Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w76 1/8 blz. 473-476
  • Wij stelden Gods dienst op de eerste plaats

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wij stelden Gods dienst op de eerste plaats
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • UITWERKING VAN VROEGE OMGANG
  • ACTIVITEIT GEDURENDE DE TWEEDE WERELDOORLOG
  • VERGADERINGEN GEDURENDE DE OORLOG
  • HUWELIJK EN EEN GEZIN
  • VERHUIZING NAAR NIEUW GEBIED
  • JEHOVAH’S RIJKE ZEGEN BESEFFEN
  • Jehovah’s weg is de beste levensweg
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Vastbesloten om Jehovah te dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1988
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1988
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
w76 1/8 blz. 473-476

Wij stelden Gods dienst op de eerste plaats

MIJN vader was een boer in west-Finland. Omstreeks 1911 nam hij wat lectuur van Bijbelonderzoekers, die beweerden dat 1914 een belangrijk jaar zou zijn en een wereldverandering zou inluiden. In 1912 abonneerde hij zich op De Wachttoren in het Fins en ontving de uitgave van 1 december 1912, de allereerste uitgave die in de Finse taal werd gepubliceerd.

Ik heb nog steeds de exemplaren van De Wachttoren van mijn vader, te beginnen met de allereerste uitgave in het Fins. Op grond van wat er in 1914 en daarna gebeurde, was het voor mijn vader duidelijk dat de profetieën in vervulling gingen. Vandaar dat hij een ijverige Bijbelonderzoeker werd, zoals Jehovah’s Getuigen destijds werden genoemd.

Ik ben op 7 september 1914 geboren, en mijn vroegste kindertijd is rijk aan herinneringen aan de predikingsactiviteiten van mijn vader. Hij nam actief aan het gemeenschapsleven deel en gebruikte al zijn invloed in de gemeenschap om het goede nieuws over Gods koninkrijk onder de bevolking te verbreiden. Zelfs zijn grijze paard, dat hij ’s zondags bereed om openbare lezingen te houden, was in de verre omtrek bekend.

UITWERKING VAN VROEGE OMGANG

Toen ik dertien jaar oud was, ging ik van huis weg om in een ander district naar school te gaan. Als gevolg hiervan werd het rechtstreekse contact met het onderricht van mijn vader verbroken en begon het wereldse onderwijs mijn denkwijze volledig te beïnvloeden. Hoewel ik de persoonlijkheid van mijn vader in mijn hart bijzonder waardeerde, gebruikte ik wat ik op school leerde om te trachten te bewijzen dat zijn op de bijbel gebaseerde geloofsovertuiging fout was.

In 1935 ging ik naar de Technische Hogeschool in Helsinki om mijn studie voort te zetten. Het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Finland bevindt zich in Helsinki, en er was destijds een kamer over. Aangezien mijn vader een Getuige was, mocht ik daar tijdelijk wonen terwijl ik de hogeschool bezocht.

Hoewel mijn studie en het studentenleven bijna al mijn tijd opslokten, oefende het voortdurende contact met de leden van de Bethelfamilie (zoals de groep werkers op het bijkantoor wordt genoemd) een grote invloed op mij uit. Hier kon ik uit de eerste hand zien welk een wonderbaarlijke invloed bijbelse waarheden op het leven van mensen kunnen hebben. De christelijke geest die op Bethel ten toon werd gespreid, begon geleidelijk aan mijn houding te vormen, en ten slotte, in september 1939, werd ik gedoopt als symbool van het feit dat ik mijn leven aan Jehovah God had opgedragen om hem te dienen. Van die tijd af is mijn leven vervuld geweest van Jehovah’s zegen en onverdiende goedheid.

ACTIVITEIT GEDURENDE DE TWEEDE WERELDOORLOG

In het najaar brak er oorlog uit tussen Finland en Rusland. Mijn geloof werd vele malen op de proef gesteld als ik uitlegde waarom ik als christen niet aan politieke aangelegenheden of oorlogshandelingen kon deelnemen. Ten slotte kreeg ik werk bij de technische afdeling van de staatsspoorwegen in Helsinki, een positie die met het oog op mijn opleiding tot civiel-ingenieur geschikt voor mij was.

De oorlogstoestand werd aangegrepen als een gelegenheid om de openbare prediking van Jehovah’s Getuigen bijna geheel stop te zetten. Onze christelijke organisatie werd krachtens een rechterlijk bevel ontbonden, onze tijdschriften werden verboden, onze lectuur werd verbeurd verklaard, de bijkantooropziener werd in voorlopige hechtenis genomen en veel Getuigen werden in de gevangenis geworpen. Dit alles overkwam Jehovah’s Getuigen omdat zij neutraal bleven en geen aandeel hadden aan de oorlog.

Getuigen die nog steeds vrij waren, bleven echter doen wat zij konden. Een klein groepje van ons nam bijvoorbeeld deel aan een speciaal werk ten behoeve van degenen die gevangen zaten. De groep werd „Gevolmachtigden van Jehovah’s Getuigen” genoemd, hoewel er soms ook andere namen aan werden gegeven. Waarin bestond het speciale werk van dit groepje Getuigen?

Welnu, gedurende de gehele oorlog dienden wij bij allerlei mensen, van hoog tot laag, petities in, zowel bij de president van de republiek als bij de individuele leden van het parlement. In deze petities werd verzocht de verbodsbepaling met betrekking tot Jehovah’s Getuigen op te heffen of hulp te bieden aan Getuigen die vervolgd werden. Tijdens de oorlog waren de resultaten meestal niet merkbaar, maar wij slaagden er klaarblijkelijk heel goed in een getuigenis te geven. De regeringsfunctionarissen die wij bezochten, respecteren ons nog altijd en bewonderen ons zelfs.

Om een voorbeeld te noemen: Tegen het eind van de oorlog werden drie Getuigen in Joegoslavië ter dood veroordeeld. Een comité van Getuigen ging naar Finlands minister van buitenlandse zaken om hierover te spreken, maar hij zei dat hij zich niet met de aangelegenheden van een ander land kon bemoeien. Daarna gingen wij naar de minister van defensie, die wij als gevolg van vroegere gesprekken met hem goed hadden leren kennen. Tot onze verbazing stemde hij erin toe te helpen, en hij schreef een persoonlijke brief aan president Tito ten behoeve van onze christelijke broeders. Het doodvonnis werd ingetrokken.

Enkele jaren geleden nodigde deze vroegere minister van defensie, die thans in Finland welbekend is als schrijver en universitair docent, mij uit om hem een bezoek te brengen. Hij kon zich nog heel goed herinneren dat hij president Tito een brief had geschreven ten behoeve van onze christelijke broeders. Hij legde mij uit dat ook al zou hij in zijn gehele leven geen enkele andere goede daad verricht hebben, hij op zijn minst in dit geval weet dat hij het leven van drie mannen heeft gered, en hij is er nog altijd heel erg blij om.

VERGADERINGEN GEDURENDE DE OORLOG

Gedurende de oorlog waren ook al onze christelijke vergaderingen verboden, maar toch werden ze geregeld gehouden. Wij hadden zelfs grote congressen. U zult u waarschijnlijk afvragen hoe wij dit deden.

De vergaderingen werden als particuliere bijeenkomsten gehouden. Er werd bijvoorbeeld een door mij ondertekende uitnodigingskaart gegeven aan iemand voor wie twee betrouwbare Getuigen instonden. Op deze manier ontvingen in een heel korte tijd alle Getuigen in het gebied van Helsinki zo’n uitnodiging voor een „particuliere bijeenkomst”. Deze vergaderingen werden geregeld in de kamers van een zekere studentenorganisatie gehouden. De grotere congressen werden op dezelfde wijze georganiseerd. Wij waren ervan overtuigd dat de regelingen Jehovah’s bescherming genoten, aangezien het nooit is voorgekomen dat een vergadering niet gehouden kon worden.

Af en toe hebben de aanwezigen op zo’n vergadering zelfs een brief naar regeringsfunctionarissen gezonden. Enkele dagen nadat een groep van 580 Getuigen zo’n brief had verzonden, ontving ik een bevel van de staatspolitie om mij te melden, omdat zij mij wilden ondervragen. De ondervrager had onze brief in zijn hand en hij eiste inlichtingen over het houden van vergaderingen. Hij zei dat zij zo goed ingelicht waren dat zij bijna alles wisten wat de mensen op straat tegen elkaar zeiden, en hij vroeg op gebiedende toon: „Hoe is het mogelijk dat jullie in het hartje van Helsinki een vergadering kunnen houden zonder dat wij hiervan af weten?” En deze vergadering was slechts enkele blokken van het hoofdbureau van politie gehouden!

HUWELIJK EN EEN GEZIN

In 1941, toen de oorlog nog steeds aan de gang was, trouwde ik met Kaisa Alastalo. Zij was net zo lang als ik een Getuige en had dienst verricht als een „pionierster” (iemand die minstens honderd uur per maand aan het predikingswerk besteedt). Na verloop van tijd breidde ons gezin zich uit totdat wij een dochter en vier zoons hadden. Nu stonden wij voor de uitdaging onze kinderen liefde voor Jehovah God en een verlangen om hem te dienen in te prenten.

Het eerste wat ik in hun geest wilde prenten was een diepe waardering voor Jehovah en zijn gemeente op aarde. Wij begonnen elke dag met een bespreking van een bijbeltekst en met gebed. En wij sloegen nooit een van de wekelijkse gemeentevergaderingen over, uitgezonderd in geval van ziekte. „Sentimentaliteit leidt tot verlies van leven”, was de slagzin van mijn vrouw als haar moederlijke sympathie voor onze kinderen datgene dreigde te overheersen wat in werkelijkheid om hun bestwil was. En wat werden wij gezegend!

Toen ons oudste kind, het meisje, dertien jaar oud was, vroeg zij onze toestemming om een pionierster te worden. Wij stemden erin toe, op voorwaarde dat noch haar schoolcijfers, noch haar gezondheid eronder zouden lijden. En deze hebben er niet onder geleden gedurende de twee jaar dat zij pionierde terwijl zij nog naar school ging. In 1957 ging zij van school af en werd een speciale pionierster ver van huis, in het midden van Finland. Later trouwde zij, en nu dient zij met haar man als een lid van de Finse Bethelfamilie.

VERHUIZING NAAR NIEUW GEBIED

Gedurende de jaren vijftig werden Jehovah’s Getuigen ertoe uitgenodigd naar plaatsen te verhuizen waar de behoefte aan Koninkrijkspredikers groter was. Wij bespraken de kwestie af en toe als gezin. Ik had echter een goede betrekking en wij hadden een prachtig huis in een mooie buitenwijk van Helsinki, een plaats die ideaal was voor het opvoeden van kinderen. Op zekere dag trok een advertentie in de krant, waarin om ingenieurs werd gevraagd die voor de staatsspoorwegen wilden werken, echter mijn aandacht. Ik had ervaring met de spoorwegen, en de vacante betrekkingen waren in steden waar slechts enkele Getuigen waren. Als wij er werkelijk serieus over dachten naar gebied te verhuizen waar de behoefte aan predikers groter was, was het nu de tijd om dit te doen.

Op een winterse dag in 1960 stopte er een grote verhuiswagen voor wat tien jaar lang ons huis was geweest, waarna al onze bezittingen erin werden geladen. Wij verhuisden naar Seinäjoki, ongeveer 400 kilometer ten noordwesten van Helsinki, waar een klein spoorwegknooppunt was. Destijds was er in deze stad van 20.000 inwoners een gemeente van twaalf Getuigen. Mijn maandelijkse salaris in mijn nieuwe betrekking was slechts iets meer dan een derde van wat ik daarvoor had verdiend, maar dit verminderde niet het geluk van het gezin. Het volgende jaar bouwden wij een huis, en op hetzelfde terrein hielpen wij de gemeente een kleine Koninkrijkszaal te bouwen.

De jongens pasten zich op de nieuwe school goed aan en de landelijke omgeving bleek gezonder te zijn dan Helsinki. Wij bleven onze jongens voortdurend voor ogen houden dat de pioniersdienst een waardevol doel was om naar te streven. En tranen van vreugde welden in mijn ogen op toen onze oudste zoon in 1961, bij het verlaten van de school, in de kleine tweedehands auto stapte die wij voor hem hadden gekocht en naar zijn pionierstoewijzing in noord-Finland ging. Na verloop van tijd volgde zijn jongere broer hem. Toen onze derde zoon aan de beurt was, spanden de anderen klaarblijkelijk een beetje tegen hem samen. „Wij willen niet aan dezelfde kant van de straat met je lopen als je niet gaat pionieren”, zeiden zij tegen hem.

De jongste van onze kinderen was heel ernstig ziek geweest toen hij een jaar oud was, en zijn ziekte werd in de loop der jaren erger. Nu hij twintig jaar oud is, moet hij het bed houden. Hij is ook geestelijk gehandicapt en kan niet praten. Wij hebben tot zijn negende jaar thuis voor hem gezorgd maar toen hij die leeftijd eenmaal had bereikt bleek het werk te zwaar te worden en slaagden wij erin hem in een modern naburig ziekenhuis te laten opnemen waar wij hem geregeld kunnen bezoeken. Toen onze andere jongens dus allemaal de deur uit waren om te pionieren, was in 1970 het moment aangebroken dat mijn vrouw kon gaan pionieren. Zij had zich dit reeds lang ten doel gesteld, en alle gezinsleden waarderen haar ijver voor Jehovah’s dienst.

JEHOVAH’S RIJKE ZEGEN BESEFFEN

Ik heb altijd het verlangen gehad mijn gezin te helpen zich in de volle-tijdpredikingsdienst te verheugen, en ik heb met het oog hierop veranderingen in mijn wereldse werk aangebracht. In 1967 nodigde de directeur-generaal van de spoorwegen mij uit naar Helsinki te komen om de leiding over een afdeling op mij te nemen en deel uit te maken van de raad van directeuren van de spoorwegen. Ik stemde hierin toe op twee voorwaarden:

In de eerste plaats dat ik aan het einde van de week vroeg genoeg kon weggaan om naar huis te reizen en op tijd thuis te zijn voor de gemeentevergaderingen. En in de tweede plaats dat ik, als ik de organisatorische hervormingen die ik noodzakelijk achtte had doorgevoerd, weer naar mijn vroegere betrekking in Seinäjoki kon terugkeren. Zes maanden later ontving ik echter de uitnodiging om waarnemend directeur-generaal te zijn. Ik nam deze promotie op dezelfde bovengenoemde voorwaarden aan.

Deze nieuwe positie schonk mij veel gelegenheden om getuigenis te geven aan mensen die anders misschien niet met de Koninkrijksboodschap bereikt konden worden. Ook werd de flat die ik in Helsinki huurde een toevluchtsoord voor mijn pionierende kinderen, die uit verschillende delen van het land naar Helsinki kwamen om mij op te zoeken of congressen bij te wonen. Terzelfder tijd kon ik nog steeds mijn gemeentelijke verantwoordelijkheden in Seinäjoki behartigen (hoewel hier heel wat gereis bij betrokken was), terwijl mijn vrouw volop tijd had om te pionieren.

Na enkele jaren zag ik echter in dat het tijd werd om naar Seinäjoki terug te keren en er weer voorgoed te gaan wonen. Ik herinnerde de directeur-generaal derhalve aan de overeenkomst die wij waren aangegaan, en hij kon zich deze nog heel goed herinneren. Hij had echter nooit geloofd dat ik zo’n belangrijke positie zou opgeven en weer naar mijn vroegere betrekking zou terugkeren. Toen ik dit in 1973 deed verwekte dit veel opschudding en gaf dit aanleiding tot artikelen in belangrijke Finse tijdschriften die Jehovah’s Getuigen gunstig gezind waren.

De gemeente hier in Seinäjoki is zo fantastisch gegroeid dat de Koninkrijkszaal die wij in 1961 op ons terrein bouwden, te klein werd. Vorig jaar begon onze gemeente van zestig Koninkrijksverkondigers derhalve in het voorjaar een nieuwe Koninkrijkszaal te bouwen op een groot stuk land dat wij van de stad hadden gehuurd. Tot grote verbazing van iedereen was deze grote, prachtige zaal tegen het begin van september, in minder dan zes maanden, voltooid!

De inwijding van de zaal was een bijzonder hartverwarmende gebeurtenis voor mij. Toen ik namelijk in de volle Koninkrijkszaal om mij heen keek, kon ik zien dat er acht leden van mijn gezin aanwezig waren: drie van onze kinderen met hun respectieve huwelijkspartners, en mijn vrouw en ik. Van ons gezin verrichten er zes dienst als pioniers, terwijl twee op Bethel zijn!

Als ik nu terugkijk, kan ik zeggen dat mijn vrouw en ik werkelijk een gelukkig en zinvol leven in de dienst van God hebben geleid, evenals dit van mijn vader gezegd kon worden en evenals onze kinderen zich hier thans in verheugen. En wij zien uit naar veel toekomstige zegeningen in Gods dienst. Als wij Jehovah’s uitnodiging om hem te dienen aanvaarden, vervult hij beslist zijn belofte, zoals door zijn profeet uit de oudheid werd opgetekend: „Stelt mij alstublieft in dit opzicht op de proef . . . of ik voor ulieden niet de sluizen van de hemel zal openen en werkelijk een zegen over u zal uitgieten totdat er geen gebrek meer is” (Mal. 3:10). — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen