Verleent u anderen waardigheid wanneer u raad geeft?
HOE goed en hoe heilzaam is het wanneer men met waardigheid raad ontvangt! „Vriendelijke, attente, zorgzame raad leidt tot goede verstandhoudingen”, zegt Edward. „Wanneer je voelt dat de raadgever je eert en respecteert door de bereidheid te tonen om jouw kant van het verhaal aan te horen, is het veel gemakkelijker de raad te aanvaarden”, beweert Warren. „Wanneer een raadgever mij met respect bejegent, voel ik mij vrij hem te benaderen en hem om raad te vragen”, merkt Norman op.
Het natuurlijke recht van de mens op waardigheid
Hartelijke, vriendelijke en liefdevolle raad is inderdaad welkom. Anderen raad te geven zoals u zelf raad wilt ontvangen, is heilzaam (Mattheüs 7:12). Een goede raadgever neemt er de tijd voor om te luisteren en probeert de persoon die raad ontvangt te begrijpen — zijn denken, zijn standpunt en zijn gevoelens — in plaats van kritiek uit te oefenen en te veroordelen. — Spreuken 18:13.
Raadgevers in deze tijd, met inbegrip van christelijke ouderlingen, moeten erop bedacht zijn anderen waardigheid te verlenen wanneer zij raad geven. Waarom? Om de eenvoudige reden dat de algemene tendens in de maatschappij is, anderen op een onwaardige wijze te bejegenen. Dit werkt aanstekelijk. Heel vaak zijn degenen van wie u een waardige behandeling verwacht, juist degenen die daarin te kort schieten, of het nu artsen, juristen, geestelijke leiders of anderen zijn. Ter illustratie: Ontslag op het werk is zowel voor de werkgever als voor de werknemer een traumatische ervaring die veel spanning met zich brengt. Iemands gevoel van eigenwaarde krijgt een geduchte knauw, vooral als degene die ontslagen wordt, niet met waardigheid wordt behandeld. Leidinggevende personen moeten in deze aangelegenheid leren hoe zij de „harde boodschap zodanig [kunnen overbrengen] dat die duidelijk, bondig en professioneel overkomt en de betrokkene zijn waardigheid behoudt”, bericht The Vancouver Sun. Ja, alle mensen verdienen een waardige behandeling.
De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties verklaart: „Alle leden van de mensengemeenschap worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn met verstand en een geweten begiftigd en dienen elkaar in een geest van broederschap te bejegenen.” Aangezien de waardigheid van de mens wordt aangetast, is het zeer terecht dat deze eigenschap in het Handvest van de Verenigde Naties en het voorwoord van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens wordt erkend. Zij bevestigen hun „vertrouwen in de grondrechten van de mens, in de waardigheid en waarde van de menselijke persoon”.
Jehovah schiep de mens met inherente waardigheid
Jehovah is een God van waardigheid. Zijn geïnspireerde Woord verklaart terecht: „Waardigheid en pracht zijn voor zijn aangezicht”, en: „[Zijn] waardigheid wordt verhaald boven de hemelen.” — 1 Kronieken 16:27; Psalm 8:1.
Als een waardige God en de Universele Soeverein verleent hij waardigheid aan heel zijn schepping, in de hemel en op aarde. In het oog springend onder degenen die zo geëerd worden, is zijn verheerlijkte en regerende Zoon, de Koning, Christus Jezus. „Waardigheid en pracht legt gij op hem”, schreef David profetisch. — Psalm 21:5; Daniël 7:14.
Helaas is dit grondrecht van de mens door de hele geschiedenis heen maar al te vaak met voeten getreden. Een machtige engel, die door zijn daden Satan de Duivel werd, betwistte de rechtmatigheid en de rechtvaardigheid van Gods soevereiniteit, alsook of deze hem wel toekwam. Hierdoor gaf hij van minachting jegens Jehovah blijk en onteerde Zijn waardige naam, terwijl hij Zijn recht om te regeren betwistte. Hij matigde zich buitensporige waardigheid aan. Net als de Duivel hebben machtige menselijke heersers, zoals Nebukadnezar uit bijbelse tijden, zich op hun ’macht en hun majesteit’ beroemd. Zij hebben Jehovah’s waardigheid aangetast en onredelijke waardigheid aan zichzelf toegekend (Daniël 4:30). Satans onderdrukkende heerschappij, die de mensenwereld is opgedrongen, heeft de waardigheid van de mens aangetast en doet dat nog steeds.
Bent u ooit gekrenkt in uw waardigheid? Bent u, wanneer u raad kreeg, ertoe gebracht uzelf overmatig schuldig, beschaamd, te schande gemaakt of vernederd te voelen? „Ik had niet het gevoel dat ik met bezorgdheid, mededogen en waardigheid werd behandeld. Ik werd ertoe gebracht mij waardeloos te voelen”, beweert André, en voegt eraan toe: „Dit leidde tot gevoelens van frustratie en angst, ja, zelfs tot neerslachtigheid.” „Het is moeilijk raad te aanvaarden van iemand van wie je aanvoelt dat hij niet je beste belangen op het oog heeft”, zegt Laura.
Daarom worden christelijke opzieners vermaand de kudde van God met respect en eer te behandelen (1 Petrus 5:2, 3). Indien er zich situaties voordoen waarbij het noodzakelijk en heilzaam is anderen raad te geven, hoe kunt u zichzelf dan beschermen tegen de denkwijze en het gedrag van wereldse mensen die zonder aarzelen de waardigheid van anderen aantasten? Wat kan u helpen medechristenen hun waardigheid te doen behouden, alsook uw eigen waardigheid te behouden? — Spreuken 27:6; Galaten 6:1.
Beginselen waardoor de waardigheid wordt behouden
Gods Woord gaat niet stilzwijgend aan dit onderwerp voorbij. Een bekwaam raadgever zal een onvoorwaardelijk vertrouwen stellen in de raad uit Gods Woord, in plaats van naar de wijsheid van deze wereld op te zien. De Heilige Schrift bevat waardevolle raad. Door die op te volgen, wordt zowel de raadgever als degene die raad ontvangt, waardigheid verleend. Paulus zei de christelijke opziener Timotheüs dan ook hoe hij te werk moest gaan: „Kritiseer een oudere man niet streng. Integendeel, spreek hem met aandrang toe als een vader, jongere mannen als broeders, oudere vrouwen als moeders, jongere vrouwen als zusters met alle eerbaarheid” (1 Timotheüs 5:1, 2). Hoeveel verdriet, gekwetste gevoelens en schaamte kunnen vermeden worden door aan deze maatstaven vast te houden!
Merk op dat de sleutel tot het geven van succesvolle raad is, een juist respect te tonen voor de andere persoon en zijn recht om op een waardige, zorgzame wijze behandeld te worden. Christelijke ouderlingen, met inbegrip van reizende opzieners, dienen hun best te doen om deze raad op te volgen door te trachten erachter te komen waarom iemand die correctie nodig heeft, op een bepaalde wijze denkt en handelt. Zij zullen zijn gezichtspunt willen horen en dienen elke moeite te doen om degene die geholpen wordt niet beschaamd te maken, te vernederen of te schande te maken.
Indien u een ouderling bent, laat uw broeder dan weten dat u zich om hem bekommert en hem met zijn problemen wilt helpen. Zo gaat een goede arts te werk wanneer u op het spreekuur komt om u lichamelijk te laten onderzoeken. De gedachte dat u zich in een niet-aanlokkelijke, steriele kamer moet ontkleden, kan maken dat u zich beschaamd en vernederd voelt. Wat hebt u een waardering voor een arts die blijk geeft van fijngevoeligheid voor uw eigenwaarde en u waardigheid verleent door u een laken om te slaan terwijl hij het noodzakelijke onderzoek verricht om de oorzaak van uw ziekte vast te stellen! Evenzo is een christelijke raadgever die gepast respect toont voor de persoon in kwestie vriendelijk en vastberaden, maar verleent hem toch waardigheid (Openbaring 2:13, 14, 19, 20). In het tegenovergestelde geval is raad die hardvochtig, koud en gevoelloos is, als een figuurlijke ontkleding waardoor u zich beschaamd, te schande gemaakt en u van uw waardigheid beroofd voelt.
Opzieners van de theocratische bedieningsschool zien er vooral nauwlettend op toe dat zij met waardigheid raad geven. Wanneer zij de bejaarden raad geven, weerspiegelen zij dezelfde liefde die zij jegens hun vleselijke ouders zouden tonen. Zij zijn attent, vriendelijk en hartelijk. Zo’n fijngevoeligheid is noodzakelijk. Ze schept een sfeer die bevorderlijk is voor het op juiste wijze geven en ontvangen van raad.
Ouderlingen, houd in gedachte dat praktische raad verheffend, aanmoedigend, opbouwend en positief is. In Efeziërs 4:29 staat: „Laat geen verdorven woord uit uw mond voortkomen, maar elk woord dat goed is tot opbouw waar het nodig is, opdat daardoor iets meegedeeld mag worden wat gunstig is voor de hoorders.”
Er bestaat geen reden om hardvochtige woorden en uitdrukkingen of een harde manier van redeneren te gebruiken. Respect voor de ander en de wens om hem zijn gevoelens van eigenwaarde en achting te doen behouden, maken veeleer dat u aangelegenheden op een positieve, opbouwende wijze brengt. Leid eventuele opmerkingen in met oprechte, ongeveinsde lof voor zijn goede punten of hoedanigheden, in plaats van zienswijzen te beklemtonen waardoor hij zich gefrustreerd en waardeloos voelt. Indien u als ouderling dient, gebruik dan uw ’autoriteit om op te bouwen en niet om af te breken’. — 2 Korinthiërs 10:8.
Ja, de uitwerking van eventuele raad die christelijke opzieners geven, dient gericht te zijn op het verschaffen van de nodige aanmoediging, waardoor iets wordt meegedeeld wat gunstig is. De raad dient niet ontmoedigend te zijn of ’vrees aan te jagen’ (2 Korinthiërs 10:9). Zelfs iemand die zich aan ernstig kwaaddoen schuldig heeft gemaakt, moet een mate van zelfrespect en waardigheid worden verleend. Raad moet in evenwicht worden gebracht met vriendelijke doch vastberaden woorden van terechtwijzing teneinde hem tot berouw te brengen. — Psalm 44:15; 1 Korinthiërs 15:34.
Het is veelbetekenend dat deze zelfde beginselen in Gods aan Israël gegeven wet opgenomen waren. De Wet stond toe dat er raad en zelfs lijfstraffen werden gegeven, terwijl ze er terzelfder tijd op toezag dat het recht dat de betrokkene had op een mate van persoonlijke waardigheid, werd beschermd. Het aantal slagen dat een overtreder mocht worden toegediend, moest „overeenkomstig zijn goddeloze daad” zijn, maar wel binnen bepaalde grenzen. Er stond een limiet op het aantal slagen dat mocht worden toegediend, opdat de kwaaddoener ’in feite niet te schande werd gemaakt’. — Deuteronomium 25:2, 3.
Zich bekommeren om de gevoelens van berouwvolle kwaaddoeners was ook een kenmerkende eigenschap van Jezus. Jesaja profeteerde over hem: „Een geknakt riet zal hij niet breken; en wat een kwijnende vlaspit betreft, hij zal ze niet uitblussen. In waarachtigheid zal hij gerechtigheid voortbrengen.” — Jesaja 42:3; Mattheüs 12:17, 20; Lukas 7:37, 38, 44-50.
Jezus’ woorden in de Bergrede beklemtonen verder de noodzaak van empathie: „Alle dingen dan die gij wilt dat de mensen voor u doen, moet ook gij insgelijks voor hen doen” (Mattheüs 7:12). Zo belangrijk is dit beginsel ter bevordering van goede verstandhoudingen, dat het gewoonlijk de Gulden Regel wordt genoemd. Hoe kan dit beginsel u als christelijke ouderling helpen anderen met vriendelijkheid en waardigheid te bejegenen wanneer u raad geeft?
Vergeet niet dat ook u fouten maakt. Zoals Jakobus opmerkte, ’struikelen allen vele malen’ (Jakobus 3:2). Door dit in gedachte te houden, zult u geholpen worden uw opmerkingen te temperen en uw gevoelens in bedwang te houden wanneer u met anderen over hun tekortkomingen moet spreken. Neem hun gevoeligheden in aanmerking. Dit zal u helpen niet overmatig kritisch te zijn door de aandacht op kleinere fouten of gebreken te vestigen. Jezus beklemtoonde dit toen hij zei: „Houdt op met oordelen, opdat gij niet wordt geoordeeld; want met het oordeel waarmee gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met de maat waarmee gij meet, zal men u meten.” — Mattheüs 7:1, 2.
Verleen anderen waardigheid — Weersta de Duivel
Satans tactieken zijn erop gericht u van uw waardigheid te beroven, gevoelens van schande, waardeloosheid en wanhoop te kweken. Merk op hoe hij een menselijk werktuig gebruikte om negatieve gevoelens in de getrouwe Job op te roepen. De huichelachtige Elifaz beweerde: „In zijn dienstknechten heeft hij [Jehovah] geen geloof, en zijn boden [heilige engelen] legt hij gebreken ten laste. Hoeveel te meer dan hun die in lemen huizen wonen [zondige mensen], wier fundament in het stof is! Men drukt hen vlugger plat dan een mot” (Job 4:18, 19). Volgens hem was Job voor God dus niet meer waard dan een mot. Ja, de door Elifaz en zijn metgezellen gegeven raad, die verre van opbouwend was, zou Job zelfs van de herinnering aan betere tijden hebben beroofd. In hun ogen was alles wat Job in het verleden had ervaren en gedaan — zijn getrouwheid, de opleiding van zijn gezin, zijn band met God en zijn gaven van barmhartigheid — niets waard.
Zo zijn ook in deze tijd berouwvolle zondaars bijzonder vatbaar voor zulke gevoelens, en het gevaar bestaat dat zij ’door overmatige bedroefdheid worden verzwolgen’. Ouderlingen, ’bevestig uw liefde’ jegens hen wanneer u deze personen raad geeft door hen een mate van waardigheid te laten behouden (2 Korinthiërs 2:7, 8). „Zonder waardigheid te worden behandeld, maakt het moeilijk raad te aanvaarden”, geeft William toe. Het is uitermate belangrijk hun geloof te versterken dat zij in Gods ogen waardevol zijn. Maak hun indachtig dat Jehovah „niet onrechtvaardig [is], zodat hij [hun] werk en de liefde die [zij] voor zijn naam [hebben] getoond” in de jaren dat zij getrouwe dienst hebben verricht, zou vergeten. — Hebreeën 6:10.
Welke factoren nog meer kunnen u helpen anderen waardigheid te verlenen wanneer u raad geeft? Erken dat alle mensen een natuurlijk recht op waardigheid bezitten, aangezien zij naar Gods beeld zijn gemaakt. Zij worden door Jehovah God en Jezus Christus waardevol geacht; dat er zowel in de losprijs als in de opstanding is voorzien, getuigt hiervan. Jehovah verleent christenen nog meer waardigheid door hen „aan een bediening toe te wijzen” en hen te gebruiken om een goddeloos geslacht te smeken vrede met God te sluiten. — 1 Timotheüs 1:12.
Ouderlingen, houd in gedachte dat verreweg de meesten van uw christelijke broeders en zusters toekomstige leden zijn van het fundament van de nieuwe mensenmaatschappij op de gereinigde aarde. Als zulke waardevolle en kostbare personen verdienen zij het te worden geëerd. Wanneer u raad geeft, roep u dan te binnen hoe zowel Jehovah als Jezus consideratie jegens hen toont en blijf doen wat u kunt om uw broeders en zusters te helpen een gevoel van waardigheid en eigenwaarde te behouden, in weerwil van Satans pogingen om het tegendeel te bewerkstelligen. — 2 Petrus 3:13; vergelijk 1 Petrus 3:7.
[Kader op blz. 29]
Raad waardoor waardigheid wordt verleend
(1) Spreek eerlijke en oprechte prijzende woorden (Openbaring 2:2, 3).
(2) Wees een goede luisteraar. Geef duidelijk en vriendelijk aan wat het probleem is en waarom de raad wordt gegeven (2 Samuël 12:1-14; Spreuken 18:13; Openbaring 2:4).
(3) Baseer uw raad op de Schrift. Wees positief, redelijk en aanmoedigend, en betoon empathie. Zorg dat de betrokken persoon zijn waardigheid en eigenwaarde behoudt (2 Timotheüs 3:16; Titus 3:2; Openbaring 2:5, 6).
(4) Verzeker de betrokken persoon ervan dat het zegeningen met zich brengt wanneer de raad wordt aanvaard en toegepast (Hebreeën 12:7, 11; Openbaring 2:7).
[Illustratie op blz. 26]
Christelijke ouderlingen moeten anderen waardigheid verlenen wanneer zij raad geven