Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w93 1/4 blz. 19-23
  • Opgroeien met Jehovah’s organisatie in Zuid-Afrika

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Opgroeien met Jehovah’s organisatie in Zuid-Afrika
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een christelijke erfenis
  • Een succesvolle onderneming
  • Waarom ik vroeg van school afging
  • Betheldienst en Gileadschool
  • Mijn verdere dienst
  • Een pijnlijke les
  • Nog meer zegeningen
  • Leven onder de apartheid
  • Uitbreiding van Bethel
  • De ’beden van mijn hart’ ontvangen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Een gelukkig leven in Jehovah’s dienst
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2021
  • Hoe gebruik jij jouw leven?
    Koninkrijksdienst 1974
  • Vastbesloten ’standvastig en onwrikbaar’ te zijn
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
w93 1/4 blz. 19-23

Opgroeien met Jehovah’s organisatie in Zuid-Afrika

Zoals verteld door Frans Muller

TOEN mijn broer David en ik de avondtrein naderden die wij gewoonlijk vanuit het centraalstation van Kaapstad namen, waren wij verbaasd het bordje „Alleen blanken” te zien. De Nasionale Party had in 1948 de verkiezingen gewonnen en had de apartheidspolitiek ingevoerd.

Natuurlijk werd rassenscheiding al lang in Zuid-Afrika toegepast, zoals in de meeste Afrikaanse landen in het koloniale tijdperk. Maar nu werd ze door de wet afgedwongen, en wij mochten niet meer met Zuidafrikanen die een donkerder huidkleur hadden, in één wagon reizen. Vijfenveertig jaar later zou de apartheid geleidelijk opgeheven worden.

Tijdens de gehele periode van bij de wet geregelde apartheid, waardoor het ons moeilijk werd gemaakt onze bediening voort te zetten zoals wij dat graag hadden gewild, heb ik als volle-tijddienaar van Jehovah’s Getuigen gediend. Nu kan ik op 65-jarige leeftijd terugkijken op de geweldige groei van Jehovah’s organisatie in Zuidelijk Afrika, en ik ben dankbaar voor het voorrecht ermee opgegroeid te zijn.

Een christelijke erfenis

Toen mijn vader jong was, moest hij mijn grootvader ’s morgens vroeg altijd uit de bijbel voorlezen. Na verloop van tijd ontwikkelde Vader een diepe liefde voor Gods Woord. Toen ik in 1928 geboren werd, was mijn vader lid van de kerkeraad van de Nederduitse Gereformeerde Kerk in Potgietersrus. Dat jaar gaf mijn oom hem een exemplaar van het boek De Harp Gods.

Vader zei echter tegen Moeder dat zij het boek moest verbranden omdat het van een sekte was. Maar zij bewaarde het, en toen Vader het op een dag eens oppakte, viel het open bij het onderkopje „Pijnigt God den mensch?” Hoewel hij ervan overtuigd was dat de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen toentertijd werden genoemd, het bij het verkeerde eind hadden, won zijn nieuwsgierigheid het en begon hij erin te lezen. Hij kon het boek maar niet wegleggen. Toen hij in de vroege ochtenduren zijn bed instapte, zei hij: „Ma, ik ben bang dat zij de waarheid hebben.”

De volgende dag fietste Vader 50 kilometer om meer boeken te halen bij de Bijbelonderzoeker die het dichtst bij woonde. Hij las geregeld tot diep in de nacht. Hij probeerde zelfs de dominee van de Nederduitse Gereformeerde Kerk te overtuigen van de bijbelse waarheden die hij leerde, in de hoop dat de kerk haar leer zou aanpassen. Zijn pogingen waren tevergeefs, dus trok hij zich uit de kerk terug en ging ijverig prediken. De bijbelse waarheid werd zijn lust en zijn leven en het allerbelangrijkste bij ons thuis. In zo’n sfeer groeide ik op.

Later werd Vader pionier, of volle-tijdbedienaar. Hij legde in een oude T-Ford grote afstanden af om te prediken. Na enkele jaren werd hij door de behoeften van ons groeiende gezin gedwongen met pionieren te stoppen, maar hij bleef heel actief in het predikingswerk. Op sommige zondagen legden wij wel 90 kilometer af om met hem in Pietersburg te prediken.

Een succesvolle onderneming

Vader opende uiteindelijk een klein warenhuis. Al gauw werd het tweemaal zo groot, en er werd een filiaal geopend. Enkele rijke boeren werden compagnons van Vader en na verloop van tijd beheerden zij samen een groothandel en een keten van zes warenhuizen, verspreid over een groot gebied.

Een paar van mijn oudere broers gingen ook in het bedrijf werken en hadden nu het vooruitzicht rijk te worden. Maar onze geestelijke gezindheid begon eronder te lijden. Wij werden aantrekkelijker gezelschap voor wereldse vrienden en buren, die ons op hun feestjes uitnodigden. Omdat mijn vader het gevaar ervan inzag, riep hij het gezin bijeen voor een bespreking en besloot de zaak te verkopen en naar Pretoria te verhuizen opdat wij meer in Jehovah’s dienst konden doen. Hij behield slechts één winkel, en hij had mensen in dienst die daar zorg voor droegen.

Mijn broers Koos en David gingen pionieren en volgden zo het voorbeeld van mijn oudere zus Lina. In één maand in 1942 besteedde ons gezin van tien personen in totaal 1000 uur aan het predikingswerk. Dat jaar symboliseerde ik door middel van de waterdoop dat ik mijn leven aan Jehovah had opgedragen.

Waarom ik vroeg van school afging

In 1944, terwijl de Tweede Wereldoorlog op zijn hevigst woedde, vroeg Gert Nel, een reizende opziener van Jehovah’s Getuigen, mij of ik plannen had om mij bij de pioniersgelederen aan te sluiten. „Ja,” antwoordde ik, „over twee jaar, wanneer ik de middelbare school heb afgemaakt.”

Blijk gevend van de opvatting die veel getuigen van Jehovah destijds bezaten, waarschuwde hij: „Pas op dat Armageddon je niet in de schoolbanken overvalt.” Aangezien ik niet wilde dat dat zou gebeuren, ging ik van school af en begon op 1 januari 1945 met het pionierswerk.

Mijn eerste toewijzing was Vereeniging, dicht bij Johannesburg, en mijn partners waren Piet Wentzel en Danie Otto. Ik predikte vaak meer dan 200 uur per maand. Na verloop van tijd werd Piet aan de stad Pretoria toegewezen, en Danie moest met pionieren stoppen om zijn bejaarde vader op de boerderij te helpen. Zo bleef ik als enige Getuige over om voor 23 huisbijbelstudies in Vereeniging zorg te dragen.

Kort daarna ontving ik een brief van het bijkantoor waarin stond dat ik Pretoria als toewijzing kreeg. Hoewel ik toen niet begreep waarom ik werd overgeplaatst, besefte ik later dat het niet verstandig zou zijn geweest om een onervaren zeventienjarige alleen achter te laten. Ik had nog altijd veel opleiding nodig en ik zou misschien ontmoedigd zijn geraakt.

Nadat ik in Pretoria had gediend en de nodige ervaring had opgedaan, kreeg ik een uitnodiging voor de speciale pioniersdienst. Piet Wentzel en ik troffen vervolgens regelingen om jongeren die naar Pretoria kwamen om te pionieren, een praktische opleiding in de bediening te geven. Tegen die tijd was Piet in dat gebied als reizende opziener aangesteld. Later trouwde hij met mijn zus Lina, en nu dienen zij samen op het Zuidafrikaanse bijkantoor.

Een van degenen die in Pretoria kwamen pionieren, was Martie Vos, een aantrekkelijke jonge vrouw die in een Getuigen-gezin was opgegroeid. Wij voelden ons tot elkaar aangetrokken, maar wij waren nog tieners, te jong om te trouwen. Toen wij echter ieder een andere toewijzing kregen, hielden wij per brief contact met elkaar.

Betheldienst en Gileadschool

In 1948 werd ik uitgenodigd om op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Kaapstad te dienen. Destijds was daar geen enkele huisvesting voor ons, zeventien Bethelieten, die in drie gehuurde kantoren en een kleine drukkerij daar dichtbij werkten. Sommigen van ons werden bij gezinnen ondergebracht en anderen woonden in pensions.

Elke werkdag kwamen de zeventien leden van de Bethelfamilie in de kleedruimte van de kleine drukkerij bijeen voor de ochtendaanbidding. Velen van ons moesten voor hun eigen lunch zorgen. En dan reisden wij na een hele dag werken naar onze woonruimte in verschillende delen van Kaapstad. Het was op een van deze ritten dat mijn broer David en ik, zoals reeds verteld, werden verrast door het bord „Alleen blanken”.

Toen ik voor het eerst op het bijkantoor in Kaapstad kwam, besefte ik dat ik nog veel moest leren en daarom vroeg ik broeder Phillips, onze bijkantooropziener: „Wat moet ik doen om mijn achterstand in te halen?”

„Frans,” antwoordde hij, „maak je daar maar geen zorgen over. Probeer gewoon bij te blijven!” Ik heb mij daar altijd voor ingespannen en ik heb geleerd dat, wanneer je gelijke tred houdt met wat Jehovah’s organisatie aan geestelijk voedsel en leiding verschaft, je met de organisatie mee zult groeien.

In 1950 werd ik uitgenodigd voor de zestiende klas van de zendelingenopleiding, de Wachttoren-Bijbelschool Gilead. De school was toentertijd gevestigd in South Lansing (New York), ongeveer 400 kilometer ten noorden van Brooklyn (New York). Terwijl ik tijdelijk op het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn werkte, kon ik het hart van Jehovah’s zichtbare organisatie van heel dichtbij waarnemen. De onverdeelde toewijding van degenen die daar de leiding namen, vervulde mij met diepe waardering voor Jehovah’s organisatie.

Mijn verdere dienst

Toen ik weer in Zuid-Afrika terug was, werd ik als reizende opziener aangesteld in het noorden van Transvaal, waar ik was opgegroeid. Na zes jaar met elkaar gecorrespondeerd te hebben, trouwden Martie en ik in december 1952, en zij vergezelde mij in het reizende werk. De waardering die onze christelijke broeders voor onze bezoeken hadden, was hartverwarmend.

Toen wij bijvoorbeeld in een gemeente in een boerengemeenschap dienden, logeerden wij bij een gezin dat zich ervoor verontschuldigde dat er geen melk voor de thee of koffie was. Later kwamen wij te weten dat zij hun enige melkkoe hadden verkocht opdat zij genoeg geld zouden hebben voor benzine om ons mee te nemen naar verafgelegen gedeelten van hun gebied en daar aan de boeren getuigenis te geven. Wat hielden wij van zulke broeders!

Soms voelde ik mij onbekwaam voor het kringwerk, vooral wanneer ik met problemen te maken had waarbij mensen betrokken waren die ouder waren dan ik. Eens voelde ik mij emotioneel zo uitgeput dat ik tegen Martie zei dat zij er niet van moest opkijken als wij wegens mijn gebrek aan ervaring weer zouden moeten gaan pionieren. Zij verzekerde mij dat zij in elke tak van dienst graag zou dienen zolang wij maar in de volle-tijddienst konden blijven.

Stel u eens voor hoe verrast wij waren toen wij in de volgende gemeente aankwamen en tussen onze post een brief vonden met een toewijzing om in het districtswerk te dienen! Bijna twee jaar lang hebben wij door heel Zuid-Afrika en Namibië, dat toen nog Zuidwest-Afrika heette, gereisd. Maar door het apartheidssysteem was ons werk vaak moeilijk. Dikwijls werd ons de toegang tot zwarte woonwijken ontzegd en soms kregen wij geen toestemming voor grote vergaderingen.

In 1960 bijvoorbeeld kregen wij toestemming om een districtscongres in Soweto te houden. De zwarte broeders uit verafgelegen gemeenten hadden al trein- en buskaartjes gekocht, maar de regering kwam onze plannen te weten en trok de toestemming in. Tactvol benaderden wij een welwillende overheidsfunctionaris in een stad 20 kilometer aan de andere kant van Johannesburg. Hij voorzag ons vriendelijk van zelfs nog betere faciliteiten, en wij hielden een schitterend congres met ruim 12.000 aanwezigen!

Wat is de situatie in de afgelopen jaren veranderd! Nu de apartheid geleidelijk wordt opgeheven, kunnen wij overal in de gebieden van zwarten, blanken, kleurlingen of Indiërs in vrijheid bijeenkomen. Iedereen, van welk ras dan ook, kan bij elkaar zitten en van elkaars omgang genieten. Alleen taalverschillen bepalen waar iemand wil gaan zitten.

Een pijnlijke les

In 1947 beging mijn vader een grote fout. Zijn winkel, 200 kilometer van waar hij en Moeder woonden, bracht door oneerlijk beleid geen winst meer op, dus verhuisde hij er in zijn eentje naar toe om het bedrijf zelf te runnen. Doordat hij lange tijd van Moeder gescheiden leefde, zwichtte hij voor verleiding. Als gevolg daarvan werd hij uitgesloten.

Dit doordrong mij er op een pijnlijke, persoonlijke manier van dat ijver voor de bijbelse waarheid niet genoeg is. Iedereen moet zich aan bijbelse beginselen houden (1 Korinthiërs 7:5). Na vele jaren werd Vader hersteld als lid van de christelijke gemeente en hij heeft getrouw tot aan zijn dood in 1970 gediend. Mijn lieve moeder bleef getrouw totdat zij in 1991 stierf.

Nog meer zegeningen

In 1958 woonden Martie en ik het grootste congres bij dat ooit door Jehovah’s Getuigen is gehouden, in het Yankee Stadion en de Polo Grounds in New York. Wij liepen gewoon over van vreugde omdat wij deel uitmaakten van Jehovah’s geweldige organisatie. Het was voor ons een onvergetelijke ervaring om ons zondagmiddag onder die grote menigte van ruim 253.000 aanwezigen te bevinden. Hier beleefden wij de verwezenlijking van ’de grote schare uit alle natiën’, in vrede bijeenvergaderd (Openbaring 7:9, 10). Martie bleef in New York achter om de Gileadschool te bezoeken en ik keerde terug naar het districtswerk in Zuid-Afrika.

In 1959, toen Martie de 32ste klas van de Gileadschool had bezocht en weer terug was, werden wij uitgenodigd om op het Zuidafrikaanse bijkantoor te dienen, dat zich destijds bij Elandsfontein, ten oosten van Johannesburg bevond. In de loop der jaren heb ik de organisatie in heel veel opzichten zien groeien, vooral op het gebied van liefde en empathie. Ik heb geleerd dat Jehovah zijn organisatie door bemiddeling van Jezus Christus leidt en dat hij gebruik maakt van degenen die zich beschikbaar stellen.

In 1962 ging ik opnieuw naar Brooklyn om een tien maanden durende bijkantooropleiding te volgen. Dit kwam goed van pas toen ik in 1967 als bijkantooropziener van Zuid-Afrika werd aangesteld. In 1976 werden bijkantoorcomités gevormd, zodat de verantwoordelijkheid voor het nemen van belangrijke beslissingen in Zuid-Afrika nu op de schouders van vijf ervaren christelijke ouderlingen rust.

Leven onder de apartheid

De apartheidswetten waren van invloed op het functioneren van ons bijkantoor. Toen in 1952 het Bethelhuis in Elandsfontein werd gebouwd, vereiste de wet dat er aan de achterkant een apart gebouw zou komen voor de huisvesting van de zwarte en gekleurde broeders. De wet schreef ook voor dat zij gescheiden van de blanken in zogenoemde Afrikaanse woongedeelten moesten eten. Later werd het zo geregeld dat zij in de Bethelkeuken konden eten. Dit was de regeling met betrekking tot de maaltijden toen wij in 1959 op Bethel kwamen. Alles in mij verzette zich tegen deze scheiding op grond van ras.

Mettertijd werd de vergunning om onze zwarte broeders in het pand achter het hoofdgebouw van het Bethelhuis te huisvesten, door de regering ingetrokken. Deze broeders moesten in een zwarte woonwijk gaan wonen, ongeveer 20 kilometer van Bethel vandaan. Sommigen woonden in huurwoningen en anderen in een vrijgezellenpension. Deze onaangename situatie duurde vele jaren voort.

Uitbreiding van Bethel

Ondertussen was het Bethelhuis in Elandsfontein aan uitbreiding toe. Na drie uitbreidingen hadden wij de grenzen van ons stuk grond bereikt. Het Besturende Lichaam gaf ons de opdracht naar een ander stuk grond uit te kijken, ergens waar de plaatselijke autoriteiten ons hopelijk zouden toestaan een Bethelcomplex te bouwen waarin ook onze zwarte broeders konden wonen. Elke ochtend bad de Bethelfamilie dat Jehovah op de een of andere manier de weg hiervoor zou openen.

Wat was het een vreugdevolle dag toen wij eindelijk een geschikt stuk land aan de rand van Krugersdorp ten westen van Johannesburg vonden! Er moest echter weer een apart gebouw voor onze zwarte broeders komen. Wij gehoorzaamden, maar mochten er niet meer dan twintig zwarte mensen huisvesten. Gelukkig begon de situatie in het midden van de jaren tachtig te veranderen. De regering werd wat soepeler ten aanzien van haar strenge apartheidswetten, en er werden meer niet-blanke broeders — zwarten, kleurlingen en Indiërs — opgeroepen om met ons op Bethel te dienen.

Nu hebben wij een gelukkige, verenigde Bethelfamilie waarin iedereen, ongeacht zijn ras of huidkleur, kan wonen in welk gebouw hij maar wil. Ook werden wij na een jarenlange strijd eindelijk wettelijk erkend als religieuze organisatie. Er is een plaatselijke wettelijke corporatie opgericht die als „Jehovah’s Witnesses of South Africa” geregistreerd staat. Nu hebben wij onze eigen mensen voor het voltrekken van huwelijken, en in zwarte woongebieden schieten de Koninkrijkszalen als paddestoelen uit de grond.

Wat is Jehovah’s organisatie vooruitgegaan sinds de beginjaren, toen ik op het bijkantoor in Kaapstad diende! Van een kleine familie van zeventien leden zonder Bethelhuis, zijn wij nu uitgegroeid tot een Bethelfamilie van ruim 460 leden, in een modern Bethelcomplex met geavanceerde computers, rotatiepersen en een prachtig woongedeelte! Ja, ik heb het voorrecht gehad met Jehovah’s organisatie in Zuid-Afrika op te groeien. Van ongeveer vierhonderd Koninkrijksverkondigers toen ik zo’n vijftig jaar geleden in de dienst begon, zijn wij nu tot bijna 55.000 verkondigers uitgegroeid!

Ik dank Jehovah dat ik al veertig jaar een vrouw aan mijn zijde heb die zo’n geweldige steun voor mij is. „Mijn beker is welgevuld” (Psalm 23:5). Martie en ik zijn dankbaar dat wij deel mogen uitmaken van Jehovah’s organisatie, die door zijn geest wordt geleid, en wij zijn vastbesloten Jehovah op Bethel, zijn huis, te blijven dienen en gelijke tred te houden met zijn voortschrijdende organisatie.

[Kaart op blz. 19]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

ANGOLA

ZAÏRE

ZAMBIA

ZIMBABWE

BOTSWANA

NAMIBIË

SWAZILAND

LESOTHO

ZUID-AFRIKA

Pretoria

Johannesburg

Kaapstad

Port Elizabeth

ZUIDATLANTISCHE OCEAAN

INDISCHE OCEAAN

STRAAT VAN MOZAMBIQUE

[Illustratie op blz. 20]

Piet Wentzel en Frans Muller (links) in het pionierswerk in 1945

[Illustratie op blz. 23]

Frans en Martie Muller

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen