Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w21 juli blz. 26-29
  • Een gelukkig leven in Jehovah’s dienst

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een gelukkig leven in Jehovah’s dienst
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2021
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • NAAR ZUID-AFRIKA!
  • HUWELIJK EN EEN NIEUWE TOEWIJZING
  • TERUG NAAR BETHEL
  • TERUG NAAR DE DRUKKERIJ
  • WEER EEN NIEUWE TOEWIJZING!
  • Opgroeien met Jehovah’s organisatie in Zuid-Afrika
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Brief van het bijkantoor
    Onze Koninkrijksdienst 2006
  • Het vervaardigen van bijbelse lectuur voor gebruik in de bediening
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Kun jij je beschikbaar stellen?
    Onze Koninkrijksdienst 2001
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2021
w21 juli blz. 26-29
John en Laura Kikot.

LEVENSVERHAAL

Een gelukkig leven in Jehovah’s dienst

VERTELD DOOR JOHN KIKOT

IN 1958, toen ik 18 was, kreeg ik mijn eerste taak op Bethel in Canada. Ik mocht de vloer vegen van de drukkerij. Na een tijdje ging ik een machine bedienen die de tijdschriften bijsneed als ze van de pers kwamen. Het leven was goed en ik was heel blij dat ik op Bethel zat!

Het jaar daarna werd er een mededeling aan de Bethelfamilie gedaan dat er vrijwilligers nodig waren om op het bijkantoor in Zuid-Afrika te dienen. Daar zou een nieuwe rotatiepers worden geïnstalleerd. Ik gaf me op en was overgelukkig toen ik werd uitgekozen. Drie andere Canadese Bethelieten zouden ook gaan: Dennis Leech, Bill McLellan en Ken Nordin. En we kregen te horen dat het een enkele reis was!

Ik belde mijn moeder op en zei: ‘Ik heb nieuws. Ik ga naar Zuid-Afrika!’ Mijn moeder was een rustige vrouw. Ze had een groot geloof en was heel geestelijk ingesteld. Ze zei niet veel, maar ik wist dat ze me steunde. Zij en mijn vader hebben nooit geklaagd over mijn beslissing, ook al vonden ze het erg dat ik zo ver weg zou wonen.

NAAR ZUID-AFRIKA!

In de trein van Kaapstad naar Johannesburg met Dennis Leech, Ken Nordin en Bill McLellan (1959)

[Afbeelding op blz. 28]

Met z’n vieren op een 60-jarige reünie op het bijkantoor van Zuid-Afrika (2019)

Op Bethel in Brooklyn kregen we drie maanden opleiding om te werken met een zetsysteem met heet lood. Daarna gingen we aan boord van een vrachtschip naar Kaapstad. Ik was net 20 geworden. Vanuit Kaapstad begonnen we ’s avonds aan de lange treinreis naar Johannesburg. De eerste plaats waar we de volgende ochtend stopten, lag in een halfwoestijn, de Karoo. Het was er stoffig en heet. Toen we met z’n vieren uit het raam staarden, vroegen we ons af waar we terechtgekomen waren. Waar waren we aan begonnen? Toen we later weleens teruggingen naar dat gebied, kregen we meer waardering voor de leuke plaatsjes en de ontspannen manier van leven daar.

Een paar jaar lang had ik de toewijzing aan de bijzondere en complexe linotypemachine te werken. Ik maakte zetregels van lood voor het drukken van De Wachttoren en Ontwaakt! Het bijkantoor drukte de tijdschriften in veel Afrikaanse talen, niet alleen voor Zuid-Afrika maar ook voor veel andere landen in Afrika. De nieuwe rotatiepers, die ons naar de andere kant van de wereld had gebracht, werd dus heel goed gebruikt.

Later ging ik in het kantoor van de drukkerij werken, waar allerlei aspecten van het drukken, verzenden en vertalen van lectuur werden geregeld. Ik had een druk maar leuk en zinvol leven.

HUWELIJK EN EEN NIEUWE TOEWIJZING

Laura en ik als speciale pioniers (1968)

In 1968 trouwde ik met Laura Bowen, een pionierster die in de buurt van Bethel woonde en als typiste voor de Vertaalafdeling werkte. Omdat het in die tijd voor pasgetrouwde stellen niet mogelijk was op Bethel te blijven, kregen we een toewijzing in de speciale pioniersdienst. Ik maakte me wel een beetje zorgen. Na tien jaar voedsel en onderdak op Bethel vroeg ik me af hoe we moesten rondkomen van de toelage voor speciale pioniers. We zouden elke maand per persoon 25 rand (35 euro) krijgen — als we het vereiste aantal uren, nabezoeken en verspreidingen hadden gehaald. Van dat geld moesten we niet alleen de huur betalen maar ook voedsel, vervoer en medische en andere persoonlijke onkosten.

We werden toegewezen aan een kleine groep vlak bij Durban, een stad aan de Indische Oceaan. Daar was een grote Indiase gemeenschap, grotendeels afstammelingen van contractarbeiders die aan het eind van de 19de eeuw in de suikerindustrie waren komen werken. Hoewel ze later in andere bedrijfstakken werkten, behielden ze wel hun cultuur en keuken, inclusief de overheerlijke curry’s. En ze spraken Engels, wat voor ons wel makkelijk was.

Speciale pioniers moesten elke maand 150 uur in de dienst. Voor de eerste dag hadden Laura en ik dus zes uur ingepland. Het was heet en vochtig. We hadden geen nabezoeken of Bijbelstudies en moesten dus zes uur van huis tot huis. Toen ik na een tijdje op mijn horloge keek, waren we nog maar 40 minuten bezig! Hoe gaan we dit volhouden?, vroeg ik me af.

Al gauw ontwikkelden we een goede routine. We maakten elke dag brood klaar en deden wat soep of koffie in een thermosfles. Als we even een pauze nodig hadden, parkeerden we onze kever in de schaduw van een boom. Soms werden we omringd door mooie Indiase kinderen die ons nieuwsgierig bekeken. We gingen beseffen dat na de eerste twee of drie uur de rest van de dag snel voorbijging.

Wat was het geweldig de gastvrije mensen in dat gebied over de Bijbelse waarheid te vertellen! We kwamen erachter dat de Indiërs respectvolle, vriendelijke en godvrezende mensen waren. Veel hindoes reageerden positief op de boodschap die we predikten. Ze leerden graag over Jehovah, Jezus, de Bijbel, de nieuwe wereld en de opstandingshoop. Na een jaar hadden we 20 Bijbelstudies. Elke dag aten we bij een van de gezinnen met wie we studeerden. We waren heel gelukkig.

Maar al snel kregen we een andere toewijzing: de kringdienst langs de kust van de prachtige Indische Oceaan. Elke week bezochten we een gemeente om met de verkondigers samen te werken en ze aan te moedigen. We voelden ons altijd een deel van het gezin waar we logeerden en hadden dan veel plezier met de kinderen en huisdieren. Maar na twee mooie jaren kregen we plotseling een telefoontje van het bijkantoor. De boodschap: ‘We willen jullie terughalen naar Bethel.’ Mijn reactie? ‘Eigenlijk zijn we hier heel gelukkig, hoor.’ Maar natuurlijk waren we bereid te dienen waar we maar werden toegewezen.

TERUG NAAR BETHEL

Op Bethel werd ik toegewezen aan de Dienstafdeling, waar ik het voorrecht had samen te werken met veel rijpe, ervaren broeders. In die tijd kreeg elke gemeente een brief nadat de kringopziener een verslag over zijn bezoek had gestuurd. De brieven waren bedoeld ter aanmoediging en om waar nodig raad te geven. Dat was veel werk voor onze secretarissen, die brieven vanuit het Xhosa, Zoeloe en andere talen in het Engels vertaalden en andersom. Ik had veel waardering voor die hardwerkende vertalers. Door hen ging ik ook begrijpen met welke moeilijkheden onze zwarte broeders en zusters te maken hadden.

In die tijd was Zuid-Afrika in de greep van de apartheid, een politiek systeem van scheiding tussen de verschillende rassen waarbij ze ook in gescheiden leefgebieden woonden. Daardoor gingen mensen van verschillende rassen maar weinig met elkaar om. Onze zwarte broeders en zusters spraken hun eigen talen, predikten in hun eigen talen en gingen naar gemeenten in hun eigen talen.

Omdat ik altijd aan Engelstalige gemeenten was toegewezen, kende ik niet veel zwarte Afrikanen. Maar nu kreeg ik de kans meer over hun cultuur en gewoonten te leren. Ik kwam erachter dat plaatselijke tradities en geloofsovertuigingen voor heel wat uitdagingen zorgden. Wat toonden onze broeders en zusters veel moed door te breken met on-Bijbelse tradities en door ondanks hevige tegenstand van hun familie en dorp te weigeren spiritistische praktijken te volgen! In plattelandsgebieden was veel armoede. Velen hadden weinig of geen scholing, maar ze hadden wel respect voor de Bijbel.

Ik had het voorrecht betrokken te zijn bij een aantal rechtszaken over vrijheid van aanbidding en neutraliteit. Het was enorm geloofversterkend de loyaliteit en moed te zien van jonge Getuigenkinderen die van school waren gestuurd omdat ze weigerden deel te nemen aan de gebeden en religieuze liederen.

Ook de broeders en zusters in Swaziland (nu Eswatini) kregen te maken met problemen. Met het overlijden van Sobhuza II, de koning van dat kleine Afrikaanse land, waren alle inwoners verplicht bepaalde rouwrituelen uit te voeren. De mannen moesten hun haar afscheren en de vrouwen moesten het kort knippen. Veel broeders en zusters werden vervolgd omdat ze weigerden mee te doen aan die praktijken, die verband hielden met voorouderverering. Hun loyaliteit aan Jehovah was echt hartverwarmend! We leerden veel van onze Afrikaanse broeders en zusters over trouw, loyaliteit en geduld, waardoor ons geloof werd opgebouwd.

TERUG NAAR DE DRUKKERIJ

In 1981 kreeg ik de toewijzing te helpen bij het ontwikkelen van computergestuurde drukmethoden. En dus ging ik terug naar de drukkerij. Wat was het een boeiende tijd! De drukkerswereld was aan het veranderen. Een plaatselijke vertegenwoordiger gaf het bijkantoor zonder verplichtingen een fotozetmachine om uit te proberen. Dat leidde ertoe dat de negen linotypemachines werden vervangen door vijf nieuwe fotozetmachines. Er werd ook een nieuwe offsetrotatiepers geïnstalleerd. Alles kwam in een stroomversnelling.

De opkomst van de computer leidde tot de ontwikkeling van nieuwe compositiemethoden met gebruik van MEPS (Multilanguage Electronic Publishing System). Wat was er veel vooruitgang geboekt sinds het omslachtige, trage werk met de linotypemachines en de drukmethoden met heet lood vier Canadese Bethelieten naar Zuid-Afrika hadden gebracht! (Jes. 60:17) Ondertussen waren we alle vier getrouwd met een goede, geestelijk ingestelde pionierster. Bill en ik zaten nog steeds op Bethel. Ken en Dennis hadden inmiddels een gezin en woonden in de buurt.

Op het bijkantoor nam het werk toe. Er werd in steeds meer talen Bijbelse lectuur vertaald en gedrukt, en die werd naar andere bijkantoren verstuurd. Uiteindelijk was er een nieuw Bethelcomplex nodig. Dat werd gebouwd in een prachtig gebied ten westen van Johannesburg. De inwijding was in 1987. Het was geweldig al die groei mee te maken en jarenlang in het bijkantoorcomité van Zuid-Afrika te dienen.

WEER EEN NIEUWE TOEWIJZING!

In 2001 kregen we een grote verrassing: ik werd uitgenodigd te dienen in het nieuwe bijkantoorcomité van de VS. Hoewel we ons werk en onze vrienden in Zuid-Afrika gingen missen, vonden we het spannend een nieuw leven te beginnen als deel van de Bethelfamilie in de VS.

Maar we maakten ons zorgen omdat we ver weg zouden zijn van Laura’s bejaarde moeder. Vanuit New York konden we niet veel voor haar doen, maar de drie zussen van Laura boden aan om haar fysiek, emotioneel en financieel bij te staan. Ze zeiden: ‘We kunnen zelf niet in de volletijddienst, maar als we voor onze moeder zorgen kunnen jullie doorgaan in je toewijzing.’ We zijn ze echt heel dankbaar.

Op dezelfde manier zorgden mijn broer en zijn vrouw, die in Toronto woonden, voor mijn moeder, die weduwe was. Op dat moment woonde ze al meer dan 20 jaar bij hen. We zijn ze heel dankbaar voor de liefde en zorg die ze haar gaven tot haar dood vlak na onze aankomst in New York. Het is echt een zegen familieleden te hebben die hun leven willen aanpassen om een verantwoordelijkheid op zich te nemen die soms best zwaar kan zijn.

Mijn eerste toewijzing in de VS had te maken met de lectuurproductie, die nog meer gemoderniseerd en vereenvoudigd is. Later ging ik op de Inkoopafdeling werken. De afgelopen 20 jaar vond ik het heerlijk deel te zijn van dit grote bijkantoor, waar nu zo’n 5000 Bethelieten en zo’n 2000 commuters werken.

Zestig jaar geleden had ik niet gedacht dat ik nu hier zou zijn. Laura heeft me al die jaren van harte ondersteund. Wat is het een rijk leven geweest! We kijken met plezier terug op al onze verschillende toewijzingen en de samenwerking met zo veel prachtige mensen, ook op de vele bijkantoren in verschillende delen van de wereld die we voor toewijzingen hebben bezocht. Nu ik al over de 80 ben, heb ik minder werk te doen gekregen. Er zijn heel wat bekwame jonge broeders die het werk kunnen doen.

De psalmist schreef: ‘Gelukkig is de natie die Jehovah als God heeft’ (Ps. 33:12). Die woorden zijn echt waar! Ik ben heel dankbaar dat ik mag delen in de vreugde van Jehovah’s gelukkige volk.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen