God geeft het wasdom — Doet u uw deel?
STELT u zich het volgende eens voor. U bent in een prachtige tuin, omgeven door majestueuze bomen, weelderige struiken en massa’s schitterend gekleurde bloemen. Smaragdgroene grasvelden lopen glooiend omlaag naar de met veel zorg onderhouden oevers van een murmelend beekje met kristalhelder water. Niets ontsiert het tafereel. Geïmponeerd vraagt u wie deze lieflijke plek zo heeft gemaakt. Als antwoord zegt de tuinier bescheiden dat God alle dingen wasdom geeft.
Natuurlijk wist u dat al. En u denkt weer aan de woorden van de tuinier als u thuiskomt en uw eigen verwaarloosde achtertuin ziet, waar niets aantrekkelijks groeit, de rommel zich opstapelt en lelijke kuilen in de grond vol regenwater staan. U verlangt er intens naar een tuin te hebben als de tuin die u net hebt bezocht. Dus valt u, met een vast geloof in de woorden van de tuinier, op uw knieën en vraagt vurig in gebed of God prachtige bloemen in uw tuin wil laten groeien. Wat gebeurt er? Niets natuurlijk.
Hoe staat het met geestelijke groei? U hebt wellicht een intens verlangen geestelijke groei te zien, zoals nieuwe discipelen die gunstig op de waarheid van Gods Woord reageren, of doordat u zelf geestelijke vorderingen maakt. En misschien vraagt u vurig in gebed of Jehovah zo’n groei wil teweegbrengen, in de vaste overtuiging dat hij de macht heeft dat te doen. Maar zullen uw intense verlangen, uw vurige gebed en uw vertrouwen in Gods macht op zichzelf groei teweegbrengen?
God geeft het wasdom
Misschien bent u van mening dat uw aandeel aan het teweegbrengen van geestelijke groei onbelangrijk is of zelfs niets te betekenen heeft. Suggereerde de apostel Paulus dit niet in 1 Korinthiërs 3:5-7? Hij schreef: „Wat dan is Apollos? Ja, wat is Paulus? Dienaren door bemiddeling van wie gij gelovigen zijt geworden, zoals de Heer aan een ieder heeft geschonken. Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God bleef het wasdom geven, zodat noch hij die plant iets is, noch hij die begiet, maar God, die het wasdom geeft.”
Paulus erkent terecht dat wanneer iets groeit, alle eer God toekomt. Een tuinier kan zijn grond bewerken, zijn zaad zaaien en de planten goed verzorgen, maar uiteindelijk komt het door de wonderbare scheppende kracht van God dat iets groeit (Genesis 1:11, 12, 29). Maar wat bedoelt Paulus wanneer hij zegt dat „noch hij die plant iets is, noch hij die begiet”? („Niet de tuiniers, die planten en water geven, zijn . . . belangrijk”, The New English Bible.) Bagatelliseert hij het aandeel van de afzonderlijke bedienaar aan het maken van nieuwe discipelen, door te suggereren dat het uiteindelijk niet veel uitmaakt hoe wij onze bediening verrichten?
’Noch hij die plant is iets’
Houd in gedachte dat Paulus in dit gedeelte van zijn brief niet spreekt over de christelijke bediening, maar over de dwaasheid van het volgen van mensen in plaats van Jezus Christus. Sommigen in Korinthe kenden een al te grote belangrijkheid toe aan vooraanstaande dienstknechten van Jehovah, zoals Paulus en Apollos. Anderen bevorderden sektarisme en plaatsten mannen op een voetstuk die dachten dat zij superieur waren aan hun christelijke broeders. — 1 Korinthiërs 4:6-8; 2 Korinthiërs 11:4, 5, 13.
Het is niet heilzaam mensen op die manier te verheerlijken. Het is een vleselijke denkwijze, en het veroorzaakt jaloezie en twist (1 Korinthiërs 3:3, 4). Paulus laat de gevolgen van die denkwijze zien. Hij zegt: „Er [bestaan] onenigheden onder u . . . Ik bedoel dit, dat een ieder van u zegt: ’Ik behoor bij Paulus’, ’Maar ik bij Apollos’, ’Maar ik bij Cefas’, ’Maar ik bij Christus.’” — 1 Korinthiërs 1:11, 12.
Wanneer de apostel dus schrijft dat „de planter en de begieter niets zijn” (Phillips), bestrijdt hij die vleselijke denkwijze door de noodzaak te beklemtonen naar Jezus Christus als Leider op te zien en te erkennen dat alle eer voor de groei in de gemeente God toekomt. De apostelen en andere ouderlingen zijn eenvoudig dienaren van de gemeente. Niemand dient op een voetstuk geplaatst te worden, noch dienen zij zelf aanzien of belangrijkheid na te streven (1 Korinthiërs 3:18-23). De planter en de begieter zijn dus, zoals Paulus zegt, niets „vergeleken met degene die het zaad leven geeft”. — 1 Korinthiërs 3:7, Phillips.
Gods medewerkers
Door dit te zeggen, bagatelliseerde Paulus dus niet het belang van ons aandeel aan het planten en begieten. Het was niet zijn bedoeling dat wij zouden gaan denken: „God zal het op zijn eigen tijd wasdom geven”, en dan eenvoudig met onze armen over elkaar gaan zitten wachten tot hij dat doet. Hij wist dat wat wij doen en hoe wij het doen, van invloed is op de wijze waarop iets groeit.
Daarom moedigde Paulus christenen voortdurend aan hard aan hun bediening te werken en hun onderwijsbekwaamheden te verbeteren. Denk eens aan het advies dat hij de jonge man Timotheüs geeft. „Schenk voortdurend aandacht aan uzelf en aan uw onderwijs. Blijf bij deze dingen, want door dit te doen, zult gij zowel uzelf redden als hen die naar u luisteren” (1 Timotheüs 4:16). „Ik gelast u plechtig . . .: predik het woord, houd u er als met een dringende zaak mee bezig . . ., met alle lankmoedigheid en kunst van onderwijzen. . . . Volbreng uw bediening ten volle” (2 Timotheüs 4:1, 2, 5). Het zou weinig nut hebben dat Timotheüs hard werkte om zijn bekwaamheden te verbeteren, als zijn planten en begieten geen invloed zou hebben op de groei.
Ook u kunt net als Paulus en Apollos het onschatbare voorrecht hebben als een van Gods medewerkers te dienen (1 Korinthiërs 3:9; 2 Korinthiërs 4:1; 1 Timotheüs 1:12). Als zodanig is uw werk belangrijk. De tuinier verwacht niet dat God op wonderbaarlijke wijze een prachtige tuin voortbrengt zonder inspanningen van de zijde van de tuinier. Zou het met geestelijke groei anders gesteld zijn? Beslist niet. Net als de boer die geduldig ’de kostbare vrucht van de aarde afwacht’, moeten wij ons eerst inspannen door te planten en te begieten, en wachten terwijl God de wasdom geeft. — Jakobus 1:22; 2:26; 5:7.
Doe uw deel
Aangezien, zoals de apostel Paulus zei, „ieder . . . zijn eigen beloning [zal] ontvangen naar zijn eigen arbeid”, doen wij er goed aan ons af te vragen hoe wij die arbeid verrichten. — 1 Korinthiërs 3:8.
Geoffrey Smith, expert op het gebied van tuinieren, zegt: „Om tuinier te worden, hoeft iemand geen speciale kwaliteiten te bezitten, enkel belangstelling voor planten” (Shrubs & Small Trees). Evenzo hoeven wij om Gods medewerkers te zijn, van nature geen speciale kwaliteiten te bezitten, enkel oprechte belangstelling voor mensen en de bereidheid om door God gebruikt te worden. — 2 Korinthiërs 2:16, 17; 3:4-6; Filippenzen 2:13.
Beschouw eens een paar goede adviezen van vakkundige tuiniers. Zoals één deskundige zegt, kan een beginnend tuinier, als hij bereid is te luisteren naar hen die meer ervaring hebben dan hij, „in korte tijd een expert worden”. En volgens deze zelfde deskundige „vindt de expert altijd nieuwe dingen die hij kan leren” (The Encyclopedia of Gardening). Aanvaardt u bereidwillig de hulp en opleiding waarin Jehovah voorziet, zodat u doeltreffend kunt planten en begieten? Zo ja, dan kunt u, of u nu pas met het werk bent begonnen of er ervaren in bent, als Gods medewerker meer vaardigheden ontwikkelen en zo ’voldoende bekwaam worden om anderen te onderwijzen’. — 2 Timotheüs 2:2.
Als een beginneling bereid is te luisteren en te leren, zo zegt Geoffrey Smith, „zal [hij] de ergste valkuilen vermijden”. Als wij luisteren naar de leiding die Jehovah via zijn Woord en zijn organisatie geeft, zullen wij de dingen op zijn manier doen. Wij zullen dan bijvoorbeeld valkuilen vermijden zoals dwaze twistgesprekken met mensen die alleen maar willen ruziën of strijden over woorden. — Spreuken 17:14; Kolossenzen 4:6; 2 Timotheüs 2:23-26.
Een andere raad om goed te kunnen tuinieren, is de dingen zorgvuldig te overdenken voordat men overhaast de grond omspit. „Besteed er, voordat u de spade in de grond steekt,” zegt The Encyclopedia of Gardening, „tijd aan om rustig te beoordelen [wat u tegemoet gaat].” Begaat u de fout dat u overhaast de christelijke bediening ingaat zonder eerst zorgvuldig en gebedsvol overdacht te hebben wat u wilt bereiken en hoe u dat het beste kunt doen? Zorg dat u uw doelstellingen, voordat u begint, duidelijk voor ogen hebt. Denk bijvoorbeeld aan het soort mensen dat u wellicht ontmoet en de problemen waar u misschien mee te maken krijgt, en bereid u erop voor hoe u deze zult benaderen. Daardoor zult u ’de meesten kunnen winnen, omdat u voor alle soorten van mensen alles wordt’. — 1 Korinthiërs 9:19-23.
’Laat uw hand niet rusten’
Als wij waardering hebben voor het voorrecht als Gods medewerkers te dienen, zullen wij geen karig aandeel aan de samenwerking hebben. „Zaai in de morgen uw zaad en laat tot de avond uw hand niet rusten; want gij weet niet waar dit succes zal hebben, hetzij hier of daar, of dat beide even goed zullen zijn” (Prediker 11:6). De uiteindelijke resultaten liggen in Jehovah’s hand, maar wij zullen alleen oogsten als wij eerst ijverig zaaien. — Prediker 11:4.
Geen enkele tuin is ooit prachtig geworden door wat symbolisch, plichtmatig te graven en zaden te strooien. Evenzo is er in de christelijke bediening meer nodig dan een symbolisch aandeel aan het verspreiden van bijbelse lectuur. Als Gods medewerkers moeten wij het goede nieuws omtrent Gods koninkrijk ijverig en grondig bekendmaken en degenen zoeken die de juiste gezindheid bezitten (Handelingen 13:48). Denk aan het beginsel in de woorden van de apostel Paulus in 2 Korinthiërs 9:6: „Wie spaarzaam zaait, [zal] ook spaarzaam . . . oogsten; en wie overvloedig zaait, zal ook overvloedig oogsten.”
Wij proberen, net als alle goede tuiniers, in goede aarde te planten. Maar zelfs wanneer iets in de beste aarde is geplant, is dat niet het eind van de zaak. Geoffrey Smith zegt: „Dit betekent niet dat wanneer het planten eenmaal klaar is, de verantwoordelijke persoon niets anders hoeft te doen dan een ligstoel en een parasol aanschaffen.” Nee, wil iets groeien, dan moet men zich inspannen om de planten te begieten en te beschermen. — Vergelijk Spreuken 6:10, 11.
De christelijke bediening zou zelfs lange periodes van hard werk, waarin niet veel lijkt te gebeuren, kunnen betekenen. Maar opeens, en soms onverwachts, kunnen er wonderbaarlijke resultaten uit voortvloeien. Geoffrey Smith zegt: „Tuinieren betekent lange periodes routinematig zwoegen die van tijd tot tijd worden onderbroken door momenten van zo’n sublieme schoonheid dat al het spitten, schoffelen en alle regelrechte angsten worden vergeten.” Ook u kunt momenten van sublieme voldoening beleven als een ontvankelijk hart gunstig op de waarheidsboodschap reageert — mits u bereid bent het voorafgaande spitten, planten, schoffelen en begieten op u te nemen. — Vergelijk Spreuken 20:4.
Paulus en Apollos wisten dat zij door hun werk — het prediken van het Koninkrijk en het maken van discipelen — geen speciale belangrijkheid in de christelijke gemeente verdienden. Zij begrepen dat het God is die de wasdom geeft. Toch hebben zij ijverig geplant en begoten. Laten wij hun voorbeeld volgen en ons voor God beschikbaar stellen als „dienaren door bemiddeling van wie [anderen] gelovigen [worden]”. — 1 Korinthiërs 3:5, 6.
[Illustratie op blz. 23]
God geeft alles wasdom — maar ook de tuinier doet zijn deel