Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w92 1/7 blz. 21-23
  • Ik reageerde gunstig in de oogsttijd

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik reageerde gunstig in de oogsttijd
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Huwelijk en avontuur
  • Ik aanvaard de waarheid
  • Oogsten op Cape Palmas
  • Naar Lower Buchanan
  • Verdere voorrechten en beloningen
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1989
  • ’Ik ben God en Christus dankbaar’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
  • Van straatvechter tot christelijke bedienaar
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
w92 1/7 blz. 21-23

Ik reageerde gunstig in de oogsttijd

ZOALS VERTELD DOOR WINIFRED REMMIE

„DE OOGST is groot, maar er zijn weinig werkers.” Deze woorden van onze Heer Jezus kwamen voort uit een diep medegevoel jegens mensen die gestroopt en heen en weer gedreven waren als schapen zonder herder. Ik ken dit gevoel ook, en de afgelopen veertig jaar heb ik steeds geprobeerd gunstig te reageren op de roep van de Meester om in de oogst te werken. — Mattheüs 9:36, 37.

Ik ben in West-Afrika geboren in een gezin met zeven kinderen, allemaal meisjes. Onze ouders waren lief maar streng; zij waren ook heel religieus. Wij gingen elke week naar de kerk en naar de zondagsschool; daar viel niet over te discussiëren. Voor mij was dit geen probleem, want ik hield van geestelijke zaken. Ik werd zelfs op twaalfjarige leeftijd aangesteld om les te geven op de zondagsschool.

Huwelijk en avontuur

In 1941 trouwde ik op 23-jarige leeftijd met Lichfield Remmie, een boekhouder op het koloniale secretariaat. Wij hadden het financieel goed, maar de zucht naar avontuur en het verlangen om onze materiële rijkdom te vergroten, brachten ons in 1944 naar Liberia. Het keerpunt in het leven van mijn man, en uiteindelijk ook in mijn leven, kwam in 1950 toen hij Hoyle Ervin ontmoette, een zendeling van Jehovah’s Getuigen. Na slechts drie weken studeren begon mijn man aan het predikingswerk deel te nemen.

Ik was geschokt toen mijn man niet meer naar de kerk ging. Tenslotte was hij een trouwe protestant, die zelfs de vasten onderhield. De eerste keer dat ik zag dat hij, met de tas in de hand, ging prediken, was ik woedend. „Wat mankeert je?”, vroeg ik. „Een belangrijk man als jij die gaat prediken met deze dwaze mensen!” Hij was kalm en bedaard tijdens deze tirade.

De volgende dag kwam broeder Ervin bij ons langs om met Lichfield te studeren. Zoals gewoonlijk hield ik mij tijdens de studie afzijdig. Misschien was het wel daarom dat broeder Ervin mij vroeg of ik analfabeet was. Wat? Ik analfabeet? Wat een belediging! Ik zou hem laten zien hoe ontwikkeld ik was! Ik zou deze valse religie aan de kaak stellen!

Ik aanvaard de waarheid

Niet lang hierna zag ik het boek God zij waarachtig in de huiskamer op tafel liggen. ’Wat een belachelijke titel’, dacht ik. ’God is toch altijd waarachtig geweest?’ Terwijl ik het boek doorsnuffelde, vond ik al gauw nog een reden om aanmerkingen te maken. Er werd gezegd dat de mens geen ziel heeft, maar een ziel is! Zelfs honden en katten zijn zielen! Dit irriteerde mij echt. ’Wat een dwaze leer!’, dacht ik.

Toen mijn man thuiskwam, voer ik woedend tegen hem uit. „Die bedriegers zeggen dat de mens geen ziel heeft. Het zijn valse profeten!” Mijn man ging niet ruziën; in plaats daarvan antwoordde hij kalm: „Winnie, alles staat in de bijbel.” Later, toen broeder Ervin mij geduldig in mijn eigen bijbel liet zien dat wij zielen zijn en dat onze ziel sterfelijk is, was ik verbijsterd (Ezechiël 18:4). Wat vooral indruk op mij maakte, was de schriftplaats in Genesis 2:7, waar staat: „De mens [Adam] werd een levende ziel.”

Wat had ik mij vergist! Ik voelde mij bedrogen door de geestelijken en ben nooit meer naar de kerk gegaan. In plaats daarvan begon ik de christelijke vergaderingen van Jehovah’s Getuigen bij te wonen. Wat was het indrukwekkend om de liefde onder hen te zien! Dit moest wel de ware religie zijn.

Oogsten op Cape Palmas

Ongeveer drie maanden later was mijn man in de gelegenheid een grote som geld te stelen van het bedrijf waar hij werkte — maar hij deed het niet. Zijn collega’s spotten met hem: „Remmie, jij zult arm sterven.”

Maar wegens zijn eerlijkheid werd hij gepromoveerd en naar Cape Palmas gezonden om daar een nieuw kantoor te openen. Wij predikten ijverig en na slechts twee maanden hadden wij een kleine groep die erg geïnteresseerd was in de bijbelse boodschap. Later, toen Lichfield naar de hoofdstad, Monrovia, ging om wat benodigdheden voor het nieuwe kantoor te kopen, werd hij gedoopt. Ook vroeg hij hulp aan het Genootschap om te zorgen voor degenen op Cape Palmas die interesse voor de waarheid toonden.

Het Genootschap reageerde door broeder en zuster Faust naar Cape Palmas te sturen. Zuster Faust was een onschatbare hulp voor mij, en in december 1951 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah door mij te laten dopen. Ik was nu meer dan ooit vastbesloten om ’vrucht voor het eeuwige leven te verzamelen’ (Johannes 4:35, 36). In april 1952 begon ik met de volle-tijddienst als pionier.

Mijn krachtsinspanningen werden onmiddellijk door Jehovah gezegend; binnen een jaar hielp ik vijf mensen tot de opdracht en doop. Een van hen, Louissa Macintosh, was een nicht van de toenmalige president van Liberia, W. V. S. Tubman. Zij werd gedoopt, ging in de volle-tijddienst en bleef God getrouw tot haar dood in 1984. Bij diverse gelegenheden heeft zij de president getuigenis gegeven.

Naar Lower Buchanan

In 1957, tijdens het bezoek van de districtsopziener, kregen mijn man en ik de uitnodiging om speciale pioniers te worden. Na dit onder gebed besproken te hebben, aanvaardden wij de toewijzing. Lichfield had een paar maanden nodig om zijn werelds werk op Cape Palmas af te ronden, dus ging ik vast vooruit naar Lower Buchanan, een maagdelijk gebied, om met het werk daar te beginnen.

Na aankomst werd mij door de familie Maclean huisvesting verleend. De volgende dag werd ik, zoals daar de gewoonte is, naar het hoofd van de Pele-stam gebracht. Het stamhoofd en zijn gezin verwelkomden mij hartelijk en ik gaf aan een kleine groep mensen bij hem thuis getuigenis. Wel zes mensen van degenen met wie ik die dag sprak, met inbegrip van het stamhoofd en zijn vrouw, werden uiteindelijk Getuigen.

Al gauw leidde ik een Wachttoren-studie met meer dan twintig aanwezigen. Ik moest sterk op Jehovah vertrouwen en hij gaf mij de nodige kracht en bekwaamheid om voor zijn schapen te zorgen. Als ik mij moe of onbekwaam voelde, dacht ik aan de getrouwen van vroeger, vooral aan vrouwen als Debora en Hulda, die onbevreesd Jehovah’s opdrachten uitvoerden. — Rechters 4:4-7, 14-16; 2 Koningen 22:14-20.

In maart 1958, toen ik net drie maanden in Lower Buchanan was, kreeg ik een brief waarin ik op de hoogte werd gesteld van het bezoek van de kringopziener, John Charuk. Ik huurde het souterrain van een huis, dat plaats kon bieden aan een grote groep mensen. Vervolgens reisde ik naar Upper Buchanan om broeder Charuk af te halen, maar hij kwam niet. Nadat ik gewacht had tot het donker werd, ging ik vermoeid naar Lower Buchanan terug.

Omstreeks middernacht hoorde ik op de deur kloppen. Toen ik opendeed, zag ik niet alleen de kringopziener maar ook mijn man, wiens onverwachte komst mooi samenviel met die van broeder Charuk. Hoe hadden zij mij gevonden? Zij waren een jager tegengekomen en hadden hem gevraagd of hij een dame kende die tot de mensen over Jehovah predikte. „Ja”, had hij geantwoord en vervolgens had hij hun gewezen waar ik woonde. Wat was ik gelukkig dat mijn licht na slechts drie maanden in Lower Buchanan zo helder scheen! — Mattheüs 5:14-16.

Wij hadden een hoogtepunt van veertig aanwezigen tijdens het bezoek van broeder Charuk. Mettertijd werd er een bloeiende gemeente opgericht, en wij konden een prachtige Koninkrijkszaal bouwen. Maar het leven was niet altijd zonder zorgen. In 1963 bijvoorbeeld brak er in Kolahun religieuze vervolging uit, en mijn man werd gearresteerd en gevangengezet. Hij werd zo hard geslagen dat hij in het ziekenhuis opgenomen moest worden.

Niet lang nadat hij uit het ziekenhuis ontslagen was, hadden wij in datzelfde jaar een congres in Gbarnga. Op de laatste dag dreven soldaten alle aanwezigen bijeen en gaven ons het bevel de vlag te groeten. Toen wij weigerden, dwongen de soldaten ons onze handen in de lucht te houden en recht in de zon te kijken. Ook sloegen zij sommigen van ons met de kolf van hun geweer. Als een hulp om mijn rechtschapenheid jegens God te bewaren, zong ik in mijzelf het Koninkrijkslied „Vrees hen niet!” Daarna wierpen de soldaten ons in een smerige gevangenis. Drie dagen later werden de buitenlandse Getuigen vrijgelaten, en Lichfield en ik werden naar Sierra Leone gedeporteerd. De plaatselijke Getuigen werden de volgende dag vrijgelaten.

Verdere voorrechten en beloningen

Wij kregen de toewijzing om met de gemeente Bo in het zuiden van Sierra Leone samen te werken. Wij hebben daar acht jaar gediend voordat wij naar Njala werden overgeplaatst. In Njala werd mijn man als vervangende kringopziener aangesteld, en ik had het voorrecht hem te vergezellen in deze dienst. Vervolgens werden wij in het midden van de jaren zeventig aan de gemeente East Freetown toegewezen.

Ik heb de lonende ervaring gehad, veel van degenen met wie ik de bijbel bestudeerde de ware aanbidding te zien aanvaarden. Ik heb meer dan zestig geestelijke kinderen en kleinkinderen als „aanbevelingsbrieven” (2 Korinthiërs 3:1). Sommigen hebben drastische veranderingen moeten aanbrengen, zoals Victoria Dyke, die een profetes van de Aladura-sekte was. Na een beschouwing van 1 Johannes 5:21 deed zij ten slotte haar vele fetisjen en voorwerpen van verering weg. Zij symboliseerde haar opdracht door de doop en werd uiteindelijk een speciale pionier, en zij heeft veel van haar kennissen geholpen de waarheid te aanvaarden.

In april 1985, net een paar maanden voordat wij 44 jaar getrouwd zouden zijn, verloor ik mijn man in de dood. Maar ik ben niet alleen. Ik ben mijn Helper, Jehovah, als volle-tijddienaar blijven dienen. En ik heb een speciale band met degenen die ik geholpen heb hem te leren kennen. Zij zijn familie in een speciale betekenis. Ik houd van hen en zij houden van mij. Als ik ziek ben, haasten zij zich om voor mij te zorgen en natuurlijk help ik hen ook.

Als ik alles over moest doen, zou ik beslist met alle genoegen mijn sikkel nemen en als Jehovah’s medewerker meehelpen in de oogst.

[Illustratie op blz. 23]

Een recente foto van Winifred Remmie

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen