’Ik ben God en Christus dankbaar’
Zoals verteld door John Charuk
HET synkopische ritme van Afrikaanse trommels onderbrak de stilte en rust van de avond en stierf slechts geleidelijk weg tegen de tijd dat ik als kringopziener het verslag over de gemeente Zorzor van Jehovah’s getuigen voltooide. Zorzor ligt in de achterlanden van de republiek Liberia aan de westkust van Afrika. Dit is duizenden kilometers van mijn ouderlijk huis in Alberta (Canada) vandaan. Hoe ben ik hier terechtgekomen om mijn christelijke broeders te dienen?
Het begon ongeveer zesendertig jaar geleden. In 1937 vond ik een exemplaar van Het Gouden Tijdperk (nu Ontwaakt!) bij ons thuis. Het artikel „De hoop der natiën” opende een visioen van een nieuwe ordening en vervulde mij met nieuwe hoop. Dit artikel begon mijn jeugddromen om naar de universiteit te gaan en mij in de natuurwetenschappen te bekwamen, te verdrijven. Nu werd mijn geest in beslag genomen door gedachten aan Gods koninkrijk en de hoop om eeuwig op aarde te leven. Mijn hart bonsde van vreugde wegens deze nieuwe waarheden, die mij het verterende verlangen gaven het voorbeeld van Jezus Christus en zijn apostelen te volgen door het goede nieuws van het Koninkrijk te gaan prediken.
Enkele dagen later ging ik naar een feestje bij iemand thuis. Ongelooflijk genoeg vond ik hier weer een uitgave van Het Gouden Tijdperk! Gretig greep ik ernaar! Gedurende de rest van de avond vergat ik de pret van de andere gasten en werd ik geabsorbeerd door het lezen en herlezen van het artikel over het onderwerp „Armageddon”. Er werd in beklemtoond hoe belangrijk het was het goede nieuws bekend te maken in de korte tijd die nog restte. Hoe moest ik met dit uiterst belangrijke werk beginnen? Er was niemand die mij onderwees. Ik was zeer verontrust. Menigmaal bad ik met tranen in mijn ogen of Jehovah de weg voor mij wilde openen om vóór Armageddon in zijn dienst te gaan.
Anderhalf jaar later verhuisden wij naar een plaats waar een kleine gemeente van Jehovah’s getuigen was gevestigd. Voor de eerste vergadering die ik bijwoonde, moest ik zes en een halve kilometer heen en terug lopen. Tijdens de vergadering werd bekendgemaakt dat er een openbare lezing moest worden aangekondigd. Wie wilde hieraan meedoen? Onmiddellijk ging mijn hand omhoog! Toen ik later op de afgesproken plaats kwam, bemerkte ik dat de groep al weg was. Zij waren eerder bij elkaar gekomen aangezien er niemand anders werd verwacht. Vrezend dat elk moment het einde kon komen, nam ik wat strooibiljetten en ging op mijn eigen houtje aan het werk. Dat was in 1939, en sindsdien heb ik altijd in de predikingsdienst gestaan, dankbaar jegens God voor dit voorrecht. Ik voelde mij net als de apostel Paulus die zei: „Ik ben Christus Jezus, onze Heer, die mij kracht heeft verleend, dankbaar, omdat hij mij getrouw heeft geacht door mij aan een bediening toe te wijzen.” — 1 Tim. 1:12; Matth. 24:14.
DE DOOP EN GELOOFSBEPROEVINGEN
In 1940 symboliseerde ik mijn opdracht aan Jehovah door de waterdoop. Mijn wens om al mijn tijd aan de bediening te besteden vervullend, verliet ik met 10 dollar op zak en een kleine handkoffer met enkele bezittingen mijn ouderlijk huis en ging in het volle-tijdpredikingswerk. Daarna heeft Jehovah altijd ruimschoots in mijn stoffelijke behoeften voorzien. In materieel opzicht bezit ik thans meer dan toen ik met de volle-tijddienst begon.
Jehovah te dienen was in die jaren werkelijk een geloofsbeproeving. De Tweede Wereldoorlog had de geest van nationalisme tot het kookpunt gebracht. Een grote, breedgeschouderde huisbewoner schopte mij letterlijk de zeven treden van zijn stoep af en verwenste mij toen omdat ik nog maar een jongen was, en geen man, zodat hij mij wegens mijn christelijke, neutrale standpunt met betrekking tot het oorlogsvraagstuk in elkaar kon slaan (Joh. 17:16; 18:36). Uit Jezus’ woorden wist ik dat een ware christen zou worden vervolgd en ik was bereid deze vervolging te verduren (Joh. 15:19-21). Toen kwamen Jehovah’s getuigen in Canada onder een verbodsbepaling te staan en werd het nog moeilijker om een ware christen te zijn.
Toen ik in 1943 wegens de kwestie van militaire dienst in de gevangenis zat, hoorde ik van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead voor het opleiden van zendelingen. De gedachte hieraan bezielde mij met het verlangen zendeling te worden en deze hoop schraagde mij tijdens mijn gevangenschap. Toen kwam er verandering in de situatie. Ik werd vrijgelaten. De verbodsbepaling werd opgeheven, de oorlog kwam ten einde en ten slotte kreeg ik in 1948 een uitnodiging voor de twaalfde klas van de Gileadschool.
Kort na mijn graduatie was ik per schip op weg naar Afrika. Ik kreeg geen toestemming om in de Goudkust, nu de republiek Ghana, te blijven, dus ging ik door naar Nigeria, waar ik drie drukke en gelukkige jaren doorbracht. Gedurende de afgelopen twintig jaar heb ik hier in Liberia gediend.
Het zendingswerk heeft natuurlijk enkele moeilijkheden, ongemakken en problemen met zich meegebracht die allemaal iemands geloof op de proef stellen. De tweede dag na aankomst in Ghana werd ik door dysenterie geveld. In een verzwakte en beverige toestand begon ik met de zendingsdienst. Ik was niet gewend aan de hitte en probeerde mij aan te passen aan een vreemd land, waarvan ik de taal niet verstond en de gewoonten niet kende. Ja, ik dacht aan huis; ik dacht echter niet aan naar huis teruggaan. Ik was dankbaar voor deze toewijzing van Jehovah en ik was vastbesloten net zo lang te blijven als Jehovah mij hier wilde hebben.
In het begin had ik er moeite mee de ene persoon van de andere te onderscheiden. Elk gezicht zag er hetzelfde uit. Als ik terugkwam bij belangstellende mensen, wist ik niet of ik tot de persoon sprak die aanvankelijk de belangstelling had getoond of tot iemand anders Geleidelijk aan werd het probleem overwonnen. Nu kan ik aan iemands gelaatstrekken zien tot welke van de voornaamste stammen van Liberia hij behoort. Ik voel mij net zo thuis in Afrika als de Afrikaan zelf.
DRIE JAAR IN NIGERIA
Tijdens de drie jaar die ik in Nigeria was, had ik het voorrecht tientallen plaatsen te bezoeken en de interessante gewoonten van de verschillende stammen, zoals de Joruba, Ibo, Urhobo, Efik, Kwale en Benin, te zien. Toen ik als districtsopziener diende, had ik soms het voorrecht in verband met de kringvergadering drie of vier openbare lezingen te houden. Het vergaderingsprogramma was vroeg in de middag gezet ten einde het probleem van verlichting en de horden insekten die op helder licht afkwamen, te vermijden. Elke dag na het programma gingen de Getuigen op de fiets naar een nabijgelegen stad om getuigenis te geven, en in aansluiting daarop werd er dan een openbare lezing gehouden.
Meestal kon men de mensen, lang na de lezing, met elkaar horen spreken over wat er was gezegd, sommigen vóór, anderen tegen. Na bijna elke toespraak gaven mensen hun naam op met opmerkingen zoals: „Wij willen Jehovah’s getuigen worden; help ons de waarheid te leren kennen”, of „Van nu af aan treden wij uit de kerk en verbinden wij ons met jullie”.
Er waren veel hartverwarmende ervaringen. Tijdens de kringvergadering in Aja Gbodudu bezochten de Getuigen enkele juju-aanbidders. Enkelen van hen zagen de dwaasheid van hun vals-religieuze praktijken in. De volgende dag keerden de Getuigen terug om deze mensen te bezoeken. „Wat moeten wij met onze juju’s doen?” vroegen zij. „Vernietig ze!” luidde het antwoord. „Willen jullie ons helpen?” „Graag!”
Op ware Gideon-manier begonnen zij de juju’s van hun plaatsen te verwijderen. Dit veroorzaakte grote opschudding. De dorpsbewoners verzamelden zich snel. Sommigen kwamen protesteren. De Getuigen waren vastbesloten grondig te werk te gaan. Een Getuige antwoordde de protesterenden op de wijze van Gideons vader: ’Als de juju’s goden zijn, laten zij zich zelf dan redden’ (Recht. 6:28-31). Wat hulpeloos waren de juju’s! De Getuigen sloegen ze in stukken en wierpen ze in de nabijgelegen rivier, en zes personen die ze hadden gediend, verheugden zich in de hoop Jehovah voor eeuwig te dienen.
De komst van honderden Getuigen naar een bepaald dorp voor een vergadering had een buitengewone invloed. In Ewu vulden meer dan duizend vreugdevolle Getuigen het dorp drie dagen lang met hun blijdschap. Aan het slot van de vergadering vonden de dorpsbewoners het jammer de Getuigen te zien vertrekken. Sommigen huilden zelfs. Met tranen merkten zij op: „Jullie hebben het hele dorp met vreugde en met jullie opgewekte geest vervuld en jullie aanwezigheid hier is nog fijner geweest dan een feest, en nu verlaten jullie ons al zo vlug.”
TOEGEWEZEN AAN LIBERIA
In 1953 werd ik toegewezen aan Liberia, waar ik de afgelopen twintig jaar ben geweest. Ik heb het Koninkrijkswerk hier van 60 tot ongeveer 800 verkondigers van het goede nieuws zien groeien. Ik heb het voorrecht gehad mensen tot de opdracht te helpen, sommigen tot rijpheid te zien groeien en opzieners te zien worden, en anderen naar de Gileadschool te zien gaan en terugkeren om met het werk hier te helpen. Ik heb het vreugdevolle voorrecht gehad te helpen de kringdienst in dit land in te stellen.
Gedurende de afgelopen zestien jaar is het reizen in de kring- en districtsdienst vaak met vele ongemakken gepaard gegaan. Om in het binnenland te komen, moest men vechten tegen hitte, transpiratie en het rode stof. Het vervoer ging niet volgens een dienstregeling. Soms moest men uren of zelfs dagen wachten voordat een auto vertrok. Als ik de chauffeur vroeg: „Wanneer vertrekt u?” schudde hij zijn hoofd en zei: „God zal het weten.” Maar ondanks de moeilijkheden en ongemakken van het reizen, dankte ik Jehovah voor al deze ervaringen. Het is een waardevolle oefening geweest voor de geloofsbeproevingen waar ten slotte heel Gods volk tegenover komt te staan.
EEN DIEPGAANDE BEPROEVING ONDERGAAN
De beproeving die Gods volk in Liberia in 1963 onderging, was een ware uitdaging, en ik ben blij deze te hebben mogen meemaken. De vervolging brak plotseling uit, aangezet door een resolutie die door drie vooraanstaande geestelijken was getekend. Hierin werd van de regering verlangd Jehovah’s getuigen te verbieden op de valse gronden dat zij geen religieuze, doch veeleer een politieke organisatie zijn die achter een religieus voorkomen opereert en het gezag van de staat tracht te ondermijnen door de mensen te leren niet de nationale symbolen te groeten. Deze drie geestelijken dachten Jehovah’s organisatie schade toe te brengen en zijn aanbidding in Liberia een halt toe te roepen. De laatste van deze geestelijken is echter nog niet zo lang geleden gestorven en enkelen van hun vroegere hardwerkende leden behoren thans tot onze beste verkondigers van het goede nieuws, en Jehovah’s organisatie is sterker dan ooit tevoren.
De vervolging zelf begon toen soldaten naar onze christelijke vergadering in Gbarnga kwamen, deze opbraken en ons allen (ongeveer 400 mannen, vrouwen en kinderen) wegvoerden naar een militair terrein, waar wij op de grond moesten gaan zitten. Soldaten gewapend met geweren en bajonetten omsingelden ons en bleven ons dreigen ons als een kippeëi te zullen breken. Ik vroeg mij af of ik ooit nog mijn vader en moeder aan deze kant van Armageddon zou terugzien. Het kwam echter niet in mij op te ontvluchten. Ik was vastbesloten Jehovah trouw te blijven en, als het moest, mijn bediening hier op deze plek in de dood te eindigen. Ik bad tot Jehovah mij de kracht te geven getrouw te blijven en welke marteling maar ook te verduren die de vijand mij mocht laten ondergaan.
Jehovah heeft mij inderdaad de kracht gegeven. Het scheen alsof wat zij zeiden en deden langs mij heen ging. Eén soldaat sloeg mij verscheidene malen op mijn armen en schouders. Ik voelde een doffe slag maar geen werkelijke pijn. Pas drie dagen later, nadat ik naar huis was teruggekeerd, zag ik de blauwe plekken en voelde ik de pijn. Het ondergaan van dit soort van onderdrukking heeft mij de onschatbare les geleerd dat Jehovah gedurende hevige vervolging het lichaam kan verdoven en ongevoelig kan maken voor pijn, en dat de gedachte aan lichamelijke marteling angstiger en pijnlijker is dan de werkelijke ervaring.
Drie dagen en nachten rechtop op de harde grond te moeten zitten, zonder te mogen slapen of zelfs maar op de ellebogen te mogen rusten, maakten dat wij vergingen van pijn in de rug en ons hele lichaam. Op dit pijnlijke moment vaardigden de soldaten een bevel uit dat veel van een ultimatum weg had — de vlag groeten of naar een beruchte legergevangenis gaan waar heel weinigen in leven bleven. De gedachte hieraan vervulde één Getuige met angst. Hij sloot een compromis. Onmiddellijk werd de aankondiging gedaan dat de rest werd vrijgelaten en naar huis kon gaan. Toen de schipperaar dit hoorde, barstte hij in tranen uit en huilde als een kind. Zijn vreugde was verdwenen. Hij had wroeging en voelde zich verlaten, zonder hoop. Dit tastte zijn lichamelijke gesteldheid aan en veroorzaakte een ziekte waarvan hij nimmer herstelde, en kort daarna stierf hij. Hoe krachtig illustreert dit de waarheid van Spreuken 10:9: „Hij die in rechtschapenheid wandelt, zal in zekerheid wandelen”!
Het bewaren van rechtschapenheid onder beproeving geeft een vreugde die men alleen kan ervaren als men onder hevige beproeving getrouw is gebleven. De Getuigen die hun rechtschapenheid handhaafden, brengen nu enkele van hun mooiste ogenblikken door als zij bij elkaar komen en opnieuw de vervolgingstaferelen beleven, dolgelukkig dat zij getrouw hebben kunnen blijven. Het heeft mij geholpen de volledige betekenis te begrijpen van Jezus’ woorden in Matthéüs 5:10-12, zich te verheugen wanneer men ter wille van de rechtvaardigheid wordt vervolgd.
Psalm 119:46 geeft te kennen dat Gods volk voor koningen Jehovah’s rechtvaardigheid zal bekendmaken. Ik ben Jehovah dankbaar dit voorrecht van hem ontvangen te hebben. Nadat de regering de zendelingen van Jehovah’s getuigen had verzocht het land te verlaten, werd er een afspraak gemaakt voor een onderhoud, zodat wij de zaak van de ware aanbidding aan de regeerder van het land konden voorleggen. Op de ochtend van 4 december 1963 werden wij het presidentiële bureau binnengeleid. Een uur lang werden wij welwillend aangehoord, waarna de mening omtrent ons geheel werd gewijzigd en de zendelingen werden uitgenodigd terug te komen.
GOEDE DINGEN IN OVERVLOED
Hoe waar zijn de woorden van de psalmist: „Jehovah zelf zal niets goeds onthouden aan hen die in onberispelijkheid wandelen”! (Ps. 84:11) Ik heb hiervan gedurende de afgelopen drieëntwintig jaar van zendingsdienst telkens weer het bewijs gekregen. Toen ik in 1948 Canada verliet om naar Gilead te gaan en vervolgens een buitenlandse toewijzing kreeg, dacht ik mijn ouderlijk huis vóór Armageddon nooit weer te zien. Er gingen tien jaar voorbij en toen, in 1958, zorgde Jehovah, door middel van zijn organisatie, dat ik het internationale „Goddelijke wil”-congres in het Yankee Stadion en de Polo Grounds in New York kon bijwonen. Na het congres bezocht ik mijn ouders en vrienden. Het was een heerlijke tijd!
Jehovah had, getrouw aan zijn belofte, vele goede dingen voor mij weggelegd. In 1969 trof het Genootschap regelingen voor een vlucht van Liberia naar Vancouver, Canada, en het „Vrede op aarde”-congres. Hier werd ik met mijn beide zusters herenigd die ik in 1958 voor het laatst had gezien. Twee gelukkige maanden bracht ik bij mijn vader en moeder in Edmonton door. Gedurende 1947-1948 had ik daar als volle-tijdprediker gediend voordat ik naar de Gileadschool ging. Er was toen slechts één gemeente. Nu zijn er zeventien gemeenten. Wat een vreugde was het in elk daarvan te kunnen spreken over de vooruitgang van het werk in Liberia en over de opbouwende ervaringen van onze Liberiaanse broeders!
Er zijn nog meer voorrechten geweest waarvoor ik Jehovah intens dankbaar ben. In 1959, toen ik in de verste uithoek van Liberia in de kringdienst was, kreeg ik plotseling bericht dat ik onmiddellijk naar Monrovia moest komen om het werk op het bijkantoor te behartigen. Ik wist niets van kantoorwerk af en de eerste paar dagen voelde ik mij als een kat in een vreemd pakhuis. Geleidelijk aan raakte ik met de routine van kantoorwerk vertrouwd en tijdens de acht maanden dat de bijkantooropziener weg was om van een aanval van kinderverlamming te herstellen, leerde ik de organisatie veel beter kennen. Deze ervaring heeft mij geholpen in te zien dat wij met Jehovah’s hulp elke toewijzing kunnen behartigen. In 1961 kreeg ik een uitnodiging om de cursus van tien maanden op Gilead bij te wonen voor een extra opleiding.
Het leven in de Afrikaanse dorpen is gedurende deze jaren eenvoudig geweest, zonder al te veel afleidingen van de moderne beschaving. Zonder deze afleidingen heb ik ruimschoots gelegenheid gehad Gods Woord te bestuderen en erover te mediteren. Dit heeft mij sterk gehouden. Ja, het leven van een zendeling is een ware zegen en bescherming tegen materialisme geweest. Gedurende de aangename tropenavonden heb ik tijd te over gehad om over Jehovah’s schepping te mediteren en na te denken en dicht tot Hem te naderen. Mijn grootste geluk komt elke avond als mijn geest nog wakker is en ik alleen enige tijd onder de sterrenhemel kan wandelen en met Jehovah kan spreken. Dit brengt mij dichter tot Jehovah. Ik vind het ook zeer verkwikkend op deze wijze met Jehovah te kunnen spreken, in plaats van slechts een paar minuten voor het naar bed gaan te bidden als het lichaam vermoeid en de geest niet zo wakker is.
Voel ik, na drieëntwintig jaar in de zendingsdienst in tropisch West-Afrika te hebben doorgebracht, dat het tijd is ermee op te houden en het werk door jongeren te laten overnemen? Neen, de zegeningen en groei van Jehovah’s organisatie te zien, maakt dat ik mij net zo voel als Kaleb nadat Jehovah hem meer dan vijfenveertig jaar lang, gedurende het verblijf in de wildernis en tot in het Beloofde Land, in leven had gehouden. Hij zei: „Niettemin ben ik heden nog even sterk als op de dag dat Mozes mij uitzond. Zoals mijn kracht toen was, zo is mijn kracht nu” (Joz. 14:11). Ondanks de ongemakken en moeilijkheden zijn deze afgelopen jaren een uitstekende opleiding en voorbereiding voor de toekomst geweest. Ja, ik ben Jehovah en Christus Jezus onze Heer, die mij kracht hebben verleend en mij getrouw hebben geacht door mij aan de Koninkrijksbediening toe te wijzen, uitermate dankbaar.