Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w92 1/6 blz. 27-30
  • Na Buchenwald vond ik de waarheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Na Buchenwald vond ik de waarheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Gearresteerd
  • Op weg naar Duitsland
  • Dagelijks leven
  • Een groep die anders was
  • De trein des doods
  • Een nieuwe stap
  • Rechtschapenheid bewaren in nazi-Duitsland
    Ontwaakt! 1985
  • Ik overleefde de „dodenmars”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • Gevangenzetting
    De paarse driehoek: ‘Vergeten slachtoffers’ van het naziregime
  • Mijn haat veranderde in liefde
    Ontwaakt! 1995
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
w92 1/6 blz. 27-30

Na Buchenwald vond ik de waarheid

IK GROEIDE in de jaren dertig op in Grenoble (Frankrijk). Mijn leraar Duits, een Fransman, was een fanatieke nazi. Op school beweerde hij altijd nadrukkelijk dat Duits op een dag ’nuttig zou worden’. Maar de meeste van onze leraren, veteranen uit de Eerste Wereldoorlog, waren bezorgd over de opkomst van het nazisme in Duitsland. Ik was ook ongerust toen het steeds duidelijker werd dat een oorlog dichterbij kwam.

In 1940, in het begin van de Tweede Wereldoorlog, verloor ik een geliefde oom in de hevige gevechten aan de rivier de Somme. Ik werd erg verbitterd maar ik was te jong om in het Franse leger te gaan. Drie jaar later, tijdens de bezetting van Frankrijk door de Duitsers, kreeg ik echter de kans om mijn vaardigheden als tekenaar te gebruiken voor de Franse verzetsbeweging. Ik blonk uit in het vervalsen van handtekeningen en werkte ook aan het namaken van Duitse stempels. Ik putte er zo veel voldoening uit om op die manier tegen de bezettende vijandelijke machten te vechten, dat de communistische opvattingen van mijn collega’s in die tijd van weinig belang voor mij waren.

Gearresteerd

Op 11 november 1943 deed de plaatselijke verzetsbeweging een oproep voor een demonstratie ter herinnering aan de wapenstilstand van de Eerste Wereldoorlog. Maar de Franse mobiele garde had de toegang tot de brug die naar het oorlogsmonument leidde, geblokkeerd en zij moedigden ons aan naar huis terug te gaan. Wij besloten in plaats daarvan in optocht naar een ander oorlogsmonument in de binnenstad te marcheren. Maar wij vergaten één ding. Het monument stond op slechts een steenworp afstand van de kantoren van de Gestapo.

Onze groep werd al snel ingesloten door gewapende soldaten, die ons op een rij tegen een muur plaatsten. Toen de soldaten ons naar een andere plaats brachten, ontdekten zij verscheidene revolvers op de grond. Daar niemand wilde bekennen er de eigenaar van te zijn, lieten de soldaten alleen de vrouwen en de jongeren onder de zestien jaar vrij. Ik werd dus, op achttienjarige leeftijd, samen met 450 anderen gevangengenomen. Een paar dagen later werden wij naar een doorgangskamp in de buurt van Compiègne, in Noord-Frankrijk, gebracht.

Op weg naar Duitsland

Op 17 januari 1944 had ik mijn eerste — maar jammer genoeg niet mijn laatste — ontmoeting met Duitse soldaten die helmen hadden waar links een hakenkruis en rechts de initialen SS (Schutzstaffel) op stonden. Zij brachten honderden gevangenen bijeen en wij moesten naar het station van Compiègne lopen. Wij werden letterlijk in goederenwagons geschopt. Alleen al in mijn wagon zaten 125 gevangenen. Drie dagen en twee nachten kregen wij niets te eten of te drinken. Binnen een paar uur waren de zwakkeren al bezweken en zij werden vertrapt. Twee dagen later kwamen wij aan in Buchenwald, in de buurt van Weimar, ver Duitsland in.

Nadat ik gedesinfecteerd was en mijn hoofd geschoren was, kreeg ik het registratienummer 41.101 en werd ik ingedeeld als een „communistische terrorist”. Tijdens een periode van quarantaine ontmoette ik de dominicaner priester Michel Riquet, die na de oorlog beroemd zou worden om zijn preken in de kathedraal Notre Dame in Parijs. Samen met andere jongemannen van mijn leeftijd vroeg ik hem waarom God zulke gruwelen toeliet. Hij antwoordde: „Je moet veel leed doormaken om het te verdienen naar de hemel te gaan.”

Dagelijks leven

De bewoners van al de 61 barakken moesten om ongeveer half vijf ’s morgens opstaan. Wij kwamen tot op ons middel uitgekleed naar buiten en moesten vaak het ijs breken om ons te kunnen wassen. Of je nu een goede gezondheid had of niet, iedereen moest gehoorzamen. Daarna kwam het uitdelen van het brood — tussen de 200 en 300 gram smaakloos brood per dag, met een likje margarine en iets wat vaag op jam leek. Om 5.30 uur werd iedereen verzameld voor het appel. Wat was het een verschrikkelijke ervaring om degenen die ’s nachts waren gestorven, op onze rug naar buiten te dragen! De scherpe geur van rook als de lichamen werden verbrand, herinnerde ons aan onze kameraden. Wij werden overmand door gevoelens van walging, wanhoop en haat, want wij wisten dat wij heel goed op dezelfde manier aan ons eind konden komen.

Mijn werk op het BAU II Kommando bestond in het graven van geulen die geen doel hadden. Nauwelijks was de twee meter diepe geul gegraven of wij moesten die al weer even zorgvuldig dichtmaken. Het werk begon om 6.00 uur, met ’s middags een half uur pauze, waarna wij verder werkten tot 19.00 uur. Aan het avondappel leek vaak geen eind te komen. Wanneer Duitsland aan het Russische front zware verliezen had geleden, kon het wel tot middernacht duren.

Een groep die anders was

Iedereen die uit het kamp probeerde te ontsnappen, kon gemakkelijk herkend worden doordat wij allemaal een onregelmatig kapsel hadden. Ons haar werd zo geknipt dat er in het midden of aan de zijkant een strook geschoren of heel kort geknipt was. Maar sommige gevangenen hadden een normaal kapsel. Wie waren zij? Het hoofd van onze barak bevredigde onze nieuwsgierigheid. „Zij zijn Bibelforscher (Bijbelonderzoekers)”, zei hij. „Maar wat deden Bijbelonderzoekers in een concentratiekamp?”, vroeg ik mij af. „Zij zijn hier omdat zij Jehovah aanbidden”, werd mij verteld. Jehovah! Dat was de eerste keer dat ik de naam van God hoorde.

Ik kwam uiteindelijk iets meer te weten over de Bijbelonderzoekers. Zij waren bijna allemaal Duitsers. Sommigen zaten al sinds het midden van de jaren dertig in concentratiekampen omdat zij weigerden Hitler te gehoorzamen. Zij hadden vrijgelaten kunnen worden, maar zij weigerden te capituleren. De SS’ers gebruikten hen als hun persoonlijke kappers, en zij kregen speciale taken waar betrouwbare werkers voor nodig waren, zoals het werk op administratieve posten. Wat ons het meest intrigeerde was hun kalmte, een volledig ontbreken van haat of een geest van protest en wraak. Ik kon het niet begrijpen. Jammer genoeg kende ik niet voldoende Duits om in die tijd met hen te spreken.

De trein des doods

Naarmate de Geallieerden dichterbij kwamen, werden de gevangenen naar kampen gestuurd die verder het land in lagen, maar deze raakten vreselijk overbevolkt. Op de ochtend van 6 april 1945 namen de SS’ers 5000 gevangenen, onder wie ikzelf, en dreven ons de weg naar Weimar op, voor een mars van negen kilometer. Zij die het tempo niet konden bijhouden, werden koelbloedig in de nek geschoten. Toen wij uiteindelijk bij het station van Weimar kwamen, klommen wij op open goederenwagons, en de trein vertrok. Twintig dagen reed de trein van het ene station naar het andere, dwars door Duitsland heen en daarna verder tot in Tsjechoslowakije.

Op een ochtend werd een deel van onze trein op een zijspoor gerangeerd. Soldaten haalden machinegeweren van hun onderstel af, openden de deuren van een goederenwagon en doodden alle Russische gevangenen die zich daarin bevonden. De reden? Een stuk of tien gevangenen hadden die nacht hun bewakers vermoord en waren ontsnapt. Zelfs nu nog zie ik voor me hoe het bloed door de vloer van de wagon op het spoor sijpelde.

Ten slotte kwam de trein in Dachau aan, waar wij twee dagen later door het Amerikaanse leger werden bevrijd. Tijdens de hele reis van twintig dagen was het enige voedsel dat wij hadden gekregen een paar rauwe aardappels en wat water. Wij waren vertrokken met 5000 man, maar slechts 800 hadden het overleefd. Vele anderen stierven dagen later. Ikzelf had bijna de hele reis zittend op een lijk doorgebracht.

Een nieuwe stap

Na mijn bevrijding leek niets vanzelfsprekender dan dat ik de Franse communistische partij actief ging ondersteunen, aangezien ik in Buchenwald met veel leden daarvan — onder wie vooraanstaande leden — nauwe omgang had gehad. Ik werd assistent-afdelingssecretaris in Grenoble en werd aangemoedigd in Parijs een opleiding voor leidinggevende personen te volgen.

Maar ik werd al snel teleurgesteld. Op 11 november 1945 werden wij uitgenodigd deel te nemen aan een parade in Parijs. De camarade die de leiding had over onze groep, kreeg een bepaald geldbedrag voor onze huisvesting, maar hij leek niet bereid het voor ons te gebruiken. Wij waren gedwongen hem te herinneren aan de principes van eerlijkheid en vriendschap die ons zouden moeten verenigen. Ik begon ook te beseffen dat de vele vooraanstaande mannen die ik had gekend, eenvoudig niet de oplossing hadden voor de problemen van de wereld. Bovendien waren zij bijna allemaal atheïst, en ik geloofde in God.

Later verhuisde ik naar Lyon, waar ik als tekenaar bleef werken. In 1954 werd ik door twee getuigen van Jehovah bezocht, en ik nam een abonnement op het tijdschrift Ontwaakt! Twee dagen later kwam een man mij bezoeken, samen met een van de vrouwen die bij mij aan de deur waren geweest. Mijn vrouw en ik beseften plotseling dat wij beiden in geestelijke zaken geïnteresseerd waren.

Tijdens de gesprekken die volgden, herinnerde ik mij de Bibelforscher in Buchenwald die zo trouw aan hun geloof waren. Toen realiseerde ik mij pas dat deze Bibelforscher en Jehovah’s Getuigen dezelfde mensen waren. Dank zij een bijbelstudie namen mijn vrouw en ik ons standpunt voor Jehovah in en werden wij in april 1955 gedoopt.

Mijn herinneringen zijn zo levendig alsof het allemaal gisteren is gebeurd. Ik betreur mijn beproevingen uit het verleden niet. Ik ben erdoor gesterkt en geholpen om in te zien dat de regeringen van deze wereld weinig te bieden hebben. Hoewel persoonlijke ervaringen anderen slechts tot op zekere hoogte kunnen helpen, zou ik het fijn vinden als die van mij alleen al voor jonge mensen in deze tijd een hulp zouden zijn om de schijn van deze wereld te doorzien en bijgevolg goede, rechtvaardige maatstaven te zoeken in het ware christendom, zoals dat door Jezus is onderwezen.

In deze tijd zijn lijden en onrechtvaardigheid een deel van het dagelijks leven. Net als de Bibelforscher in de concentratiekampen zie ik uit naar de komst van een betere wereld, waar broederlijke liefde en gerechtigheid zal heersen in plaats van geweld en fanatiek idealisme. Ondertussen probeer ik God en Christus zo goed als ik kan te dienen als ouderling in de christelijke gemeente, samen met mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen (Psalm 112:7, 8). — Zoals verteld door René Séglat.

[Illustraties op blz. 28]

Boven: Appel in het kamp

Links: Toegangspoort van Buchenwald. Op het hek staat: „Ieder het zijne”

[Illustraties op blz. 29]

Boven: Crematorium in Buchenwald

Links: Zestien gevangenen in elke groep stapelbedden

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen