Christelijke rechtschapenheid bewaren in het door oorlog verscheurde Liberia
Zoals verteld door een ooggetuige
„WANNEER olifanten vechten, zal ook het gras eronder lijden.” Hoe goed wordt door dit Westafrikaanse spreekwoord samengevat wat er tijdens de recente oorlog in Liberia is gebeurd! Zo’n 20.000 mensen verloren hun leven en de helft van de uit 2,6 miljoen personen bestaande bevolking van het land werd uit hun woongebieden verdreven. De meesten van degenen die eronder te lijden hadden, waren geen soldaten; zij waren „het gras” — onschuldige mannen, vrouwen en kinderen.
Toen de oorlog in december 1989 uitbrak, verheugden de bijna 2000 getuigen van Jehovah in Liberia zich in een gestadige groei in aantal en zagen de toekomst met vertrouwen tegemoet. Helaas waren zij een deel van ’het gras dat eronder leed’.
De oorlog breidt zich uit
De oorlog begon langs de grens van Liberia met Ivoorkust en al snel begonnen vluchtelingen hun toevlucht te zoeken in de hoofdstad, Monrovia, een stad met meer dan een half miljoen inwoners. Van maart tot en met mei 1990 werden, terwijl de gevechten zich naar het zuiden verplaatsten, zendelingen van Jehovah’s Getuigen eerst uit Ganta en daarna uit Gbarnga geëvacueerd. Zij bevonden zich onder de laatsten van de bevolking die deze steden verlieten. De oorlog bereikte een hoogtepunt toen gewapende strijdkrachten op 2 juli 1990 Monrovia binnentrokken.
Niemand was voorbereid op de verschrikkingen die volgden. Drie afzonderlijke legers vochten het in de straten uit met zware artillerie, raketten en granaatwerpers. Zij die niet gedood werden omdat zij lid van een gehate stam waren, werden blootgesteld aan voortdurende kwellingen en huiszoekingen. Op een avond in augustus werden meer dan 600 mannen, vrouwen en kinderen, die in de lutherse St.-Petruskerk bescherming hadden gezocht, door een door de oorlog opgezweept moordcommando geëxecuteerd.
Honderden ontvluchtten de gevechten met alleen de kleren die zij aan hadden. Gezinnen werden uiteengerukt en waren gedurende maanden daarna niet in staat weer bij elkaar te komen. De hele bevolking van Monrovia leek zich te verplaatsen, waarbij lege huizen werden bewoond door soldaten en mensen die uit andere delen van de stad waren gevlucht. Meer dan de helft van Monrovia’s bevolking werd van huis en haard verdreven. De meesten verloren niet alleen alles wat zij bezaten maar verloren ook ten minste één familielid in de dood. Sommigen verloren er veel meer.
De situatie bereikte zo’n kritiek stadium dat vijf andere Westafrikaanse landen soldaten stuurden om te proberen de vrede te herstellen. Tegen eind oktober 1990 waren de meeste gevechten geëindigd. Maar toen viel het schrikbeeld van de hongersnood als een lijkwade over de uitgebrande stad. Hulporganisaties berichtten dat op een gegeven moment bijna een derde van Monrovia’s kinderen onder de vijf jaar ondervoed was en dat er elke dag meer dan honderd mensen stierven. De omstandigheden werden er door zwarthandelaars niet gemakkelijker op; velen stalen rijst die als noodvoedselhulp gegeven was en verkochten die dan voor twintig dollar of meer per kom. Er heerste alom ziekte, vooral cholera, aangezien de water-, elektriciteits- en sanitaire voorzieningen van de stad volledig verwoest waren.
De bij benadering duizend getuigen van Jehovah die in Monrovia woonden, leden ook verschrikkelijk. De meerderheid vluchtte de stad uit naar het platteland, terwijl anderen per schip naar Ghana en Nigeria of met de auto naar Ivoorkust of Sierra Leone vertrokken. Van juli tot december 1990 verloren meer dan dertig Getuigen het leven. Sommigen kwamen door geschutvuur om het leven terwijl anderen stierven aan de gevolgen van ziekte en honger. Alan Battey en Arthur Lawson, Amerikaanse gegradueerde zendelingen van de bedienarenopleidingsschool, bevonden zich kennelijk onder degenen die omkwamen. O, hoe vertroostend is de op de bijbel gebaseerde hoop op de opstanding voor degenen onder ons die gedurende die verschrikkelijke tijd familieleden of vrienden hebben verloren! — Handelingen 24:15.
Christelijke broederschap in actie
Terwijl de oorlog voortwoedde, zochten veel ontheemde Getuigen een toevlucht in het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen en in een zendelingenhuis aan de andere kant van de stad. Sommigen zochten bescherming omdat zij lid waren van een stam die door de soldaten in het gebied uitgemoord werd. De meesten kregen werktoewijzingen op het bijkantoor en waren van onschatbare waarde bij het helpen met koken en schoonmaken, terwijl anderen de toewijzing kregen om, als de toestand buiten het toeliet, in de nabijgelegen moerassen naar eetbare planten te zoeken.
Overal sliepen mensen, in de slaapkamers van de zendelingen, op gangen, in de verzendafdeling en in kantoren. Wij groeven en onderhielden latrines. Vrouwen kregen de toewijzing om als verpleegster te fungeren, en zij behandelden met succes vele gevallen van malaria en koorts. Diarree was vaak een probleem.
Wij troffen regelingen voor speciale huisprocedures, inclusief bomalarmoefeningen. Aldus waren wij getraind om, wanneer de strijdende partijen zware artilleriegranaten afvuurden, snel beschutte plaatsen van het bijkantoor te bereiken. Hoewel onze drie meter hoge muur enige bescherming bood, was dit niet genoeg om verdwaalde kogels tegen te houden. Ons dak leek al snel op een vergiet door alle gaten die erin zaten!
Velen waagden hun leven om mede-Getuigen te beschermen tegen degenen die hen zochten te doden omdat zij tot een gehate stam behoorden. Op een dag kwam een huilende christelijke zuster met haar nog in leven gebleven kinderen, onder wie een baby van twee weken oud, op het bijkantoor aan. Haar man en haar zoon in de tienerleeftijd waren net, voor haar ogen, neergeschoten. Zij en haar andere kinderen waren, toen de moordenaars terugkwamen om naar hen te zoeken, door een andere Getuige met succes verborgen.
Een ander gezin arriveerde op het bijkantoor met een niet-gedoopte verkondigster die geholpen had hen te beschermen zodat zij niet door leden van haar stam vermoord waren. Daarna, toen de situatie veranderde en de niet-gedoopte verkondigster in gevaar kwam, beschermde het gezin haar voor de leden van hun stam.
Herhaaldelijk spraken zendelingen bij de poort van het bijkantoor met gewapende mannen om te proberen hen ervan te weerhouden het gebouw te doorzoeken of te plunderen. Eén keer stormde er een groep woedende mannen binnen; zij hielden ons onder schot en beweerden dat wij leden van een bepaalde stam verborgen hielden. Zij waren verbaasd te zien hoe kalm de plaatselijke Getuigen zich gedroegen en dat zij rustig zaten te luisteren op de christelijke vergadering die wij hadden. Zij deden huiszoeking maar vonden niet wat zij zochten. Wij konden de indringers er altijd van overtuigen dat wij geen soldaten of enige andere vijand van hen verborgen hielden. Als christenen waren wij neutraal.
Op een keer arriveerde er tijdens een hevig gevecht een groep Getuigen op het bijkantoor met een broeder die terminale kanker had. Helaas stierf hij kort daarna. Er werd in de tuin een graf gedolven, en wat een emotionele begrafenisdienst hadden wij! De broeder was een van onze fijnste plaatselijke ouderlingen, die vele jaren getrouw dienst had verricht. Ongeveer honderd ontheemde personen kwamen in de hal bijeen voor de begrafenislezing, die met geschutvuur op de achtergrond gehouden werd.
Voedsel en water verkrijgen
Voedselvoorraden waren zeer beperkt. Zelfs vóór het uitbreken van de oorlog waren groothandelaars al gestopt met het importeren van goederen. Er was dus nog maar weinig voedsel over in de stad. Onze voedselvoorraad op het bijkantoor zou voor de 12 leden van onze familie vele maanden toereikend zijn geweest, maar soms hadden wij wel 200 mensen die bij ons woonden, onder wie buren die geen Getuigen waren en die wanhopig behoefte hadden aan hulp. Iedereen kreeg maar één kleine maaltijd per dag; wij bleven verscheidene maanden op zo’n rantsoen in leven. Iedereen had honger. Baby’s waren slechts vel over been en hingen slap in de armen van hun ouders.
Onze voedselvoorraad raakte al snel uitgeput. Waar konden wij meer voedsel krijgen? Er waren in Monrovia geen winkels open. Overal waar men keek, zwierven hongerige mensen door de straten op zoek naar voedsel. Mensen aten alles — inclusief honden, katten en ratten. Twee zendelingen van het bijkantoor besloten te proberen naar Kakata te gaan, een stad die op een afstand van ongeveer zestig kilometer lag, waar de gevechten waren opgehouden.
Zij klemden Wachttoren-tijdschriften en -bordjes tussen de ramen van de auto om zich als Jehovah’s Getuigen te identificeren. Nadat zij langs verschillende controleposten waren gekomen, werden zij aangehouden en ondervraagd door een grote, stevig gebouwde man met granaten die op zijn borst hingen en een revolver aan zijn heup. Zij identificeerden zich als Jehovah’s Getuigen en vertelden hem dat zij voor wat voedsel naar Kakata wilden gaan.
„Volg mij”, zei hij. „Ik ben hier de bevelhebber van de strijd.” Hij nam hen mee naar zijn hoofdkwartier. Toen hij te weten kwam dat zij onderdak verleenden aan ontheemde personen, gaf hij zijn mannen het bevel om 20 balen rijst, die elk 45 kilo wogen, bij ons bijkantoor te bezorgen! Tevens werd hun toestemming verleend om naar Kakata te gaan, en een gewapende escorte kreeg de opdracht hen veilig langs de resterende controleposten te brengen.
In Kakata vonden zij onze christelijke broeder Abraham die eigenaar van een winkel was. Hij had dozen voedsel voor ons ingeslagen, waaronder melkpoeder, suiker, blikgroenten en andere noodzakelijke artikelen. Het was werkelijk wonderbaarlijk te zien hoe er voor onze broeders tijdens hun reis werd gezorgd. Het moet Jehovah behaagd hebben dat wij ons voedsel met onze vrienden en buren hadden gedeeld, want nu werden onze voorraden aangevuld. — Spreuken 11:25.
Aan de andere kant van Monrovia zorgden zendelingen in een zendelingenhuis ook voor ontheemde personen, en ook zij ontvingen hulp uit onverwachte bronnen. Een zendeling kreeg bijvoorbeeld drie balen rijst van een soldaat die zich hem herinnerde toen hij zo’n zestien jaar geleden in het gebied van de soldaat dienst had verricht. Een andere zendeling kreeg vier balen rijst na een persoonlijk gesprek met de leider van een van de strijdende facties.
Op een gegeven moment zag het ernaar uit dat wij het bijkantoor zouden moeten verlaten wegens een tekort aan water. Onze put was een tijdlang voor velen in de gemeenschap de enige bron van drinkwater. Maar de brandstofvoorraad voor de elektrische generator voor onze pomp begon op te raken. Toen een man die tijdens de eerste dagen van de gevechten bescherming op het bijkantoor had ontvangen van ons probleem hoorde, ging hij uit waardering voor wat wij voor hem hadden gedaan, brandstof voor ons zoeken zodat onze watervoorraad nooit op raakte.
Geestelijke kracht behouden
Toen in oktober 1990 de laatsten van ons zendelingen dringend werden verzocht Liberia te verlaten, was het belangrijkste waar wij aan dachten: Hoe zullen onze broeders en zusters zich nu redden? Uit de berichten die wij sindsdien hebben ontvangen, blijkt dat zij ijverig in de bediening zijn gebleven.
Vóór de oorlog bracht iedere Getuige elke maand gemiddeld ongeveer zeventien uur in de bediening door. Maar tijdens de oorlog haalden de Getuigen in sommige gemeenten, ondanks de voortdurende noodzaak om in de rimboe naar voedsel te zoeken, een gemiddelde van meer dan twintig uur per verkondiger! Bovendien schreven veel van onze zusters wegens een tekort aan exemplaren van De Wachttoren, de studieartikelen met de hand over zodat er voor de studie op zondag meer exemplaren beschikbaar zouden zijn.
De vier gemeenten die het dichtst bij Monrovia lagen, waren overstroomd met Getuigen die de gevechten in de stad ontvlucht waren. Deze broeders en zusters verloren alles wat zij bezaten, daar zij niet in staat waren naar hun huis terug te gaan om ook maar iets op te halen. In feite waren velen door de strijdlinies maandenlang van hun eigen kinderen en ouders gescheiden! Bij de Gedachtenisviering van Jezus’ dood op 30 maart hadden deze vier gemeenten een gezamenlijk aantal aanwezigen van 1473.
De ongeveer 300 Getuigen die in Monrovia overgebleven waren, stelden speciale krachtsinspanningen in het werk om gedurende de maand van de Gedachtenisviering in de hulppioniersdienst te staan, hoewel zij slechts een paar weken daarvoor door de honger lichamelijk zo zwak waren dat zij nauwelijks konden lopen. Zij werkten heel hard om mensen voor de Gedachtenisviering uit te nodigen, en er waren 1116 aanwezigen.
Een christelijke ouderling in Monrovia legde uit: „Wij besloten vanaf december 1990 weer in onze Koninkrijkszaal te vergaderen. Ons eerste bezoekersaantal was 17. Later liep het aantal op tot 40, en een tijdje bleef het iets over de 40. Toen groeide ons bezoekersaantal op 24 februari tot 65 en een week later tot 85. Ook heeft bijna iedereen in de gemeente gehoor gegeven aan de oproep om in maart in de hulppioniersdienst te gaan.”
De zorg voor anderen
„Onze kerkbroeders waren tijdens de oorlog druk bezig elkaar [van vijandige stammen] te vermoorden,” zei een niet-Getuige die een familielid is van een van de Getuigen, „en zij hadden nooit tijd voor medegelovigen.” Maar hoe anders was de situatie bij Jehovah’s volk!
In februari 1991 schreef de voorzitter van een buurthulpverleningsteam de broeders die zorg droegen voor het bijkantoor bijvoorbeeld: „Deze brief dient als een blijk van dank en waardering aan u en uw instituut voor de opslagfaciliteiten die u ons beschikbaar blijft stellen tijdens de voedseldistributie aan onze mensen. Uw menslievende gebaar toont uw bereidheid om als Genootschap vrede en welwillendheid in het land te brengen. Ga alstublieft door met uw goede diensten.”
Jehovah’s Getuigen in andere landen reageerden snel op de noden van hun Liberiaanse broeders en zusters. Uit landen zoals Sierra Leone en Ivoorkust in West-Afrika, Nederland en Italië in Europa, en uit de Verenigde Staten is hulp verschaft.
Een klein meisje van wie de moeder ter dood gebracht was omdat zij een lid van een gehate stam was, bracht haar dankbaarheid onder woorden voor de hulp die zij had ontvangen. Zij schreef: „Hartelijk dank voor al de dingen die u mij gestuurd hebt. U maakt dat ik het gevoel heb alsof mijn moeder bij me is. Ik heb haar en mijn broertje in de oorlog verloren. Ik vraag Jehovah u allen te zegenen. Ik ben elf jaar oud.”
Een broeder met een gezin van zes personen en wiens vrouw zich maandenlang moest verbergen omdat zij van een bepaalde stam was, betoonde eveneens zijn dankbaarheid voor de hulp die hij had ontvangen en schreef: „Wij hebben niet in de huizen van mensen ingebroken om hun bezittingen te roven en te verkopen, en toch hebben wij, in tegenstelling tot onze buren, elke dag iets te eten omdat wij het weinige dat wij hebben, verstandig weten te gebruiken. Dat hebben wij van Jehovah geleerd.”
Ook de geestesgesteldheid van een broeder die met zijn vrouw en twee kinderen naar Ivoorkust was gevlucht, was heel indrukwekkend. Hij had een mooi huis achtergelaten dat nadien tot de grond toe was afgebrand. Toch zei hij dat wat hem het meest aan het hart ging, niet het verlies van zijn huis was maar het verlies van zijn theocratische bibliotheek!
Waardevolle lessen geleerd
Terugblikkend besef ik dat Jehovah ons vele waardevolle lessen heeft geleerd. Daar ik niet alleen velen die hun rechtschapenheid hebben bewaard en het hebben overleefd persoonlijk ken, maar ook sommigen persoonlijk heb gekend die hun rechtschapenheid hebben bewaard en zijn gestorven, heb ik leren beseffen hoe belangrijk het is de geestesgesteldheid van de apostel Paulus te hebben, die schreef: „Indien wij leven, dan leven wij voor Jehovah, en ook indien wij sterven, dan sterven wij voor Jehovah. Derhalve behoren wij of wij nu leven of sterven, Jehovah toe.” — Romeinen 14:8.
Nog een zendeling met een lange staat van dienst merkte op: „Door dit alles hebben wij geleerd dat Jehovah een Helper zonder weerga is. Het is precies zoals Paulus zei: ’Inwendig hadden wij het gevoel dat wij het doodvonnis hadden ontvangen. Dit geschiedde opdat wij ons vertrouwen niet op onszelf zouden stellen, maar op de God die de doden opwekt’” (2 Korinthiërs 1:9; Psalm 30:10). Hij voegde eraan toe: „De oorlog doordrong ons ervan dat Jehovah’s volk inderdaad een broederschap is, bekleed met de zelfopofferende liefde waar Jezus de nadruk op legde.” — Johannes 13:35.
Een brief van een Liberiaanse zuster aan enkelen van ons zendelingen die het land tijdens de gevechten in oktober 1990 moesten verlaten, laat duidelijk de kracht van onze christelijke broederschap zien. „Ik bid dat jullie allemaal snel naar Liberia terugkomen en dat wij een congres kunnen hebben”, schreef zij. „O! Ik kan haast niet op die dag wachten. Alleen al de gedachte eraan maakt mij gelukkig.”
Ja, het zal geweldig zijn te zien dat de gewone routine van christelijke activiteit in Liberia volledig hersteld wordt. Onze zuster heeft gelijk; het eerste congres in Monrovia na de terugkeer van de zendelingen en andere vluchtelingen zal een vreugdevol congres zijn. Daar bestaat geen twijfel over!
[Kaart op blz. 27]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
LIBERIA
Monrovia
Kakata
Gbarnga
Ganta
SIERRA LEONE
GUINEE
IVOORKUST
Atlantische Oceaan
[Illustratie op blz. 28]
Kinderen van ontheemde Getuigen op het bijkantoor tijdens de oorlog
[Illustratie op blz. 31]
Liberiaanse vluchtelingen sorteren door Getuigen in Ivoorkust geschonken kleding