Blijf zaaien — Jehovah zal wasdom geven
ZOALS VERTELD DOOR FRED METCALFE
TIJDENS mijn van-huis-tot-huisbediening begin 1948 bezocht ik een kleine boerderij aan de rand van de stad Cork in het zuiden van Ierland. Toen ik de boer uitlegde wie ik was, werd zijn gezicht rood. Hij barstte in woede uit, schreeuwde dat ik een communist was en rende weg om zijn hooivork te halen. Zonder mij een ogenblik te bedenken, stoof ik het erf af en sprong haastig op mijn fiets, die ik aan de kant van de weg had laten staan. De heuvel daar was erg steil, maar zonder om te kijken, fietste ik zo snel als ik kon naar beneden, want in gedachten zag ik al hoe de boer zijn hooivork als een speer achter mij aan wierp.
In de twee jaar sinds ik in 1946 als speciale pionier vanuit Engeland naar de Republiek Ierland was gekomen, was ik gewend geraakt aan zulke reacties. De kleine groep Koninkrijkspredikers waarbij ik mij had aangesloten, bestaande uit slechts ongeveer 24 personen, had reeds eerder een spervuur van vijandelijkheden en lasterpraat te verduren gehad. Maar ik was ervan overtuigd dat Jehovah’s geest uiteindelijk resultaten zou opleveren. — Galaten 6:8, 9.
Laat ik u echter, voordat ik vertel hoe de situatie zich verder ontwikkelde, eerst iets vertellen over mijn jeugd en het destijds ontvangen onderricht, dat mij onder zulke beproevingsvolle omstandigheden goed van pas kwam.
Goed ouderlijk voorbeeld en onderricht
Mijn vader kwam begin 1914 in contact met de waarheid. Toen hij van een voetbalwedstrijd in Sheffield (Engeland) naar huis terugreisde, las hij een bijbels traktaat waarin de toestand van de doden werd verklaard. Hij had al een aantal kerken bezocht op zoek naar antwoorden op zijn vragen, maar met weinig succes. Wat hij nu in dit traktaat las, maakte hem enthousiast. Hij bestelde de zes delen van Studies in the Scriptures die in het traktaat werden geadverteerd, en las ze gretig, vaak tot in de vroege morgenuren. Vader herkende de waarheid al snel.
Kort daarop begon hij zich te verbinden met de plaatselijke gemeente van Jehovah’s Getuigen — een verbintenis die meer dan veertig jaar heeft geduurd, waarvan de langste tijd als presiderend opziener. Tot grote vreugde van mijn vader namen twee van zijn broers en alle drie zijn zussen de waarheid aan. Een van zijn broers gaf getuigenis aan een jonge verkoopster, en zowel zij als haar zuster werden opgedragen, gezalfde christenen. Mijn vader en zijn broer trouwden met deze twee jonge vrouwen.
Wij waren thuis met vier jongens, die werden opgevoed in „de lering en vermaning des Heeren” (Efeziërs 6:4, Statenvertaling). Ik ben blij dat mijn ouders alle moeite hebben gedaan om ons de waarheid in te scherpen. In die tijd bestonden er geen publikaties die speciaal waren ontworpen om ouders te helpen hun kinderen bijbelse waarheden bij te brengen; maar wij hadden tweemaal in de week een geregelde gezinsbijbelstudie aan de hand van het boek De Harp Gods en wij bespraken geregeld de dagtekst. — Deuteronomium 6:6, 7; 2 Timotheüs 3:14, 15.
Mijn vader en moeder gaven ook een schitterend voorbeeld door hun waardering voor vergaderingen en hun ijver voor de dienst. Behalve zijn voortreffelijke geestelijke hoedanigheden had mijn vader een goed gevoel voor humor, dat hij aan zijn kinderen heeft doorgegeven. Het harde werk van mijn ouders bracht goede resultaten voort. Alle vier hun zoons, die nu in de zestig zijn, dienen Jehovah nog steeds met vreugde.
In de pioniersdienst
In april 1939, toen ik zestien jaar was, kwam ik van school en ging de gewone pioniersdienst in. Mijn vader vergezelde mij in de pioniersdienst en gaf mij een eersterangs opleiding. Wij reisden per fiets en bewerkten grondig al het gebied binnen een straal van elf kilometer vanaf ons huis. Elke dag namen wij beiden vijftig brochures mee en keerden pas naar huis terug als wij ze allemaal hadden verspreid.
Twee jaar later kreeg ik het voorrecht tot de eersten te behoren die in Groot-Brittannië als speciale pionier werden aangesteld. Het was een vreugde deze zegen te ontvangen, maar het was beangstigend de fijne geborgenheid van een theocratisch gezin te moeten opgeven. Mettertijd en met Jehovah’s hulp paste ik mij aan.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd mijn pioniersdienst onderbroken doordat ik samen met andere jonge Getuigen wegens de neutraliteitskwestie werd gevangengezet. In de gevangenis van Durham werd ik geclassificeerd als een YP (Young Prisoner — jonge gevangene). Dit betekende dat ik een korte broek moest dragen — beslist een nadeel in koud weer. En stelt u zich eens voor Wilf Gooch (nu coördinator van het bijkantoorcomité in Groot-Brittannië), Peter Ellis (een lid van het bijkantoorcomité in Groot-Brittannië), Fred Adams en mij — allen ongeveer 1,80 meter lang — als schooljongens in korte broek bij elkaar te zien staan!
Toewijzing — Ierland
Nadat ik uit de gevangenis was vrijgelaten, pionierde ik drie jaar in verschillende delen van Engeland. Toen kreeg ik een toewijzing die zowel beproevingsvol als uitermate voldoening gevend zou blijken te zijn — de Republiek Ierland. Het enige wat ik over Zuid-Ierland wist, was dat bijna iedereen daar rooms-katholiek was. Ik negeerde echter de negatieve opmerkingen die sommigen maakten en aarzelde niet de toewijzing te aanvaarden. Dit was een tijd voor toename van de ware aanbidding, en ik was er zeker van dat Jehovah mij door middel van zijn heilige geest zou bijstaan.
Het merendeel van de Getuigen in de Republiek Ierland woonde in de hoofdstad, Dublin; slechts een paar woonden er verspreid in het land. De meeste mensen hadden dus zelfs nog nooit een getuige van Jehovah gezien. Ik ging samen met drie andere speciale pioniers in de stad Cork aan de slag. Het was niet gemakkelijk een horend oor te vinden. De priesters waarschuwden tijdens de mis voortdurend voor ons en noemden ons „communistische duivels”. Ook de kranten waarschuwden voor onze activiteiten.
Op zekere dag was een kapper bezig met een lang scheermes mijn nek uit te scheren. In de loop van het gesprek vroeg hij wat ik in Cork deed. Toen ik het hem vertelde, werd hij woedend en verwenste mij. Zijn hand beefde van kwaadheid en ik zag mezelf al de winkel uitlopen met mijn hoofd onder mijn arm! Wat was ik opgelucht dat ik zijn zaak heelhuids kon verlaten!
Geweld door gepeupel
Soms ondervonden wij geweld van de zijde van het gepeupel. Op een dag in maart 1948 waren wij bijvoorbeeld bezig met het van-huis-tot-huiswerk toen het gepeupel mijn partner, Fred Chaffin, aanviel. Achtervolgd door de menigte rende Fred naar een busstation en smeekte een buschauffeur en een conducteur om hulp. In plaats van hem te helpen, kozen zij partij voor de aanvallers. Fred rende verder de weg op en slaagde erin zich te verbergen achter een hoge muur die grensde aan de pastorie.
Ondertussen had ik mijn fiets opgehaald. Om terug te keren naar het stadscentrum nam ik een zijweg, maar toen ik op de hoofdweg uitkwam, stond het gepeupel mij daar op te wachten. Twee mannen grepen mijn lectuurtas en smeten de inhoud ervan de lucht in. Toen begonnen zij mij te slaan en te schoppen. Opeens verscheen er een man. Het was een politieagent in burger, die een eind maakte aan de gewelddadigheden en zowel mij als de aanvallers meenam naar het politiebureau.
Deze aanval verschafte een basis voor het „verdedigen en wettelijk bevestigen van het goede nieuws” (Filippenzen 1:7). Toen de zaak voor de rechter kwam, trad de politieagent die mij had gered, en die zelf rooms-katholiek was, als getuige op en werden zes personen beschuldigd van geweldpleging. De zaak maakte duidelijk dat wij het recht hadden van deur tot deur te gaan en diende als een afschrikwekkend voorbeeld voor anderen die misschien nog overwogen hun toevlucht te nemen tot geweld.
Eerst vond men het te gevaarlijk om pioniersters naar plaatsen zoals Cork te sturen. Maar vaak leek het doeltreffender te zijn geïnteresseerde vrouwen door zusters te laten bezoeken. Daarom had het Genootschap vlak voor deze aanval twee fijne pioniersters aan Cork toegewezen. De ene, Evelyn MacFarlane, werd later zendelinge en verrichtte voortreffelijk werk in Chili. De andere, Caroline Francis, die haar huis in Londen had verkocht om in Ierland te komen pionieren, werd mijn vrouw.
Waarheidszaden ontkiemen
Wij zouden gemakkelijk hebben kunnen denken dat het tijdverspilling was om het Koninkrijkszaad onder dergelijke omstandigheden te zaaien. Dat wij de waarheid hier en daar zagen ontkiemen, versterkte echter ons vertrouwen in Jehovah’s macht wasdom te geven. Op een keer zond het Genootschap ons bijvoorbeeld de naam en het adres van een man die schriftelijk om een exemplaar van het boek God zij waarachtig had gevraagd. Het adres was in Fermoy, een plaatsje dat ongeveer 35 kilometer van de stad Cork ligt. Op een zondagmorgen stapte ik dus op mijn fiets op zoek naar deze persoon.
Toen ik in Fermoy aankwam, vroeg ik aan een man de weg. „O,” zei hij, „dat is nog veertien kilometer verder.” Daar ging ik weer, en uiteindelijk bereikte ik een boerderij aan een landweggetje. De jonge man die om het boek had gevraagd, stond bij het hek van de boerderij. Toen ik mijzelf voorstelde, zei hij: „Dat boek is zijn gewicht in goud waard!” Wij hadden een fijn gesprek, en ik was mij nauwelijks bewust van de vijftig kilometer lange fietstocht terug naar huis. Zelfs nu nog, ruim veertig jaar later, vind ik het bijzonder aangenaam die „jonge” man, Charles Rinn, elk jaar op het congres te ontmoeten. Momenteel zijn er tien gemeenten in het gebied van Cork.
Tijdens de jaren vijftig strooiden Caroline en ik waarheidszaden uit in Centraal-Ierland. In 1951 werden wij aangemoedigd om te volharden doordat zachtmoedige mensen, zoals „oma” Hamilton en haar schoondochter, snel reageerden. „Oma” Hamilton werd de eerste gedoopte verkondiger in het graafschap Longford. — 1 Thessalonicenzen 2:13.
Huisvesting was een probleem. Zodra er druk werd uitgeoefend op verhuurders vroegen zij ons te vertrekken. Toen wij in korte tijd al driemaal achtereen onze huisvesting waren kwijtgeraakt, kochten wij dan ook een tent, een grondzeil en slaapzakken, en namen die overal met ons mee in een model Y Ford. Aan het eind van elke dag van getuigenis geven zetten wij de tent op waar dit maar mogelijk was. Later slaagden wij erin een vier meter lange caravan op de kop te tikken. Hij was klein, met weinig moderne gemakken — wij moesten een paar honderd meter lopen om aan drinkwater te komen — en hij was niet geïsoleerd, maar voor ons was het een luxe. Op zekere dag werd mijn gevoel voor humor op de proef gesteld toen ik over een natte boomwortel uitgleed en achterover viel in een lange, smalle, maar ondiepe greppel waarin water opwelde. Toch hadden wij in die caravan nog plaats voor de kringopziener en zijn vrouw wanneer zij ons bezochten.
Soms werd ons door vriendelijke mensen onverwachts goedheid betoond. Zo gingen wij in 1958 naar Sligo, in het westen van Ierland, acht jaar nadat een ander pioniersechtpaar de stad was uitgejaagd. Wij baden Jehovah om hulp teneinde een geschikte plaats voor onze caravan te vinden, en na vele uren zoeken kwamen wij bij een grote ongebruikte steengroeve. Een man die langs de landweg vee hoedde, vertelde ons dat die groeve van zijn familie was. „Mogen wij er gebruik van maken?”, vroegen wij, en wij vertelden hem dat wij vertegenwoordigers van een bijbelgenootschap waren. Hij zei dat het in orde was.
Even later vroeg hij: „Van welk bijbelgenootschap zijn jullie eigenlijk?” Het was een spannend moment. Wij vertelden hem dat wij Jehovah’s Getuigen waren. Tot onze grote opluchting bleef hij vriendelijk. Enkele weken later overhandigde hij ons een kwitantie voor de jaarhuur van het terrein. „Wij hoeven geen geld te hebben”, zei hij. „Maar wij weten welke tegenstand jullie ondervinden, en als iemand jullie recht om op dit terrein te verblijven betwist, is hier jullie bewijs.”
Terwijl wij in Sligo waren, hoorden wij dat een man, een bekende winkelier en voetballer, enige interesse had getoond toen de vorige pioniers nog in de stad waren. Hij had echter al acht jaar vrijwel geen contact meer gehad, zodat wij ons afvroegen hoe het nu met hem was. De stralende glimlach die op het gezicht van Mattie Burn verscheen toen ik mij voorstelde, vormde het antwoord. De waarheidszaden die jaren voordien waren geplant, waren niet afgestorven. Hij is nog steeds een lid van de actieve kleine gemeente in Sligo.
Veranderende gewoonten
De reactie van de mensen in de stad Athlone was typerend voor de vijandige houding die velen jegens ons aan de dag legden. Toen daar in de jaren vijftig een begin werd gemaakt met het geven van een krachtig getuigenis, troffen de priesters maatregelen om allen die in een bepaald gedeelte van de stad woonden een verzoekschrift te laten ondertekenen waarin zij te kennen gaven dat zij niet door Jehovah’s Getuigen bezocht wilden worden. Zij zonden dit naar het stadsbestuur, waardoor het werk in Athlone enige jaren erg bemoeilijkt werd. Op een keer herkende een groep jongeren mij als een Getuige en begon mij met stenen te bekogelen. Toen ik voor het raam van een winkel ging staan, nodigde de eigenaar mij uit in zijn winkel te komen — meer om zijn raam te beschermen dan om mij te beschermen — en liet mij via een achterdeur vertrekken.
Toen ik echter onlangs, in augustus 1989, in Athlone een begrafenislezing moest houden voor een getrouwe broeder, kon ik mij slechts verbazen over de wasdom die Jehovah hier heeft gegeven. Behalve de leden van de gemeente luisterden er zo’n vijftig mensen uit de buurt eerbiedig naar de begrafenislezing in de prachtige Koninkrijkszaal die de broeders hadden gebouwd.
Speciale opleiding op de Gileadschool
In 1961 werd ik uitgenodigd voor een tien maanden durende cursus op de Wachttoren-Bijbelschool Gilead. Deze speciale cursus was alleen voor broeders, dus Caroline en ik moesten de uitnodiging onder gebed beschouwen. Wij waren twaalf jaar lang onafscheidelijk geweest. En omdat mijn vrouw altijd al het vurige verlangen had gehad de Gileadschool te doorlopen en een zendelinge te zijn, was zij extra teleurgesteld dat zij niet was uitgenodigd. Maar grootmoedig als zij was, zette zij de Koninkrijksbelangen op de eerste plaats en stemde ermee in dat ik zou gaan. De cursus was een geweldig voorrecht. Het was echter ook heerlijk weer thuis te komen en betrokken te raken bij het werk op het bijkantoor van het Genootschap om de ruim tweehonderd Getuigen die in het begin van de jaren zestig bezig waren met planten en begieten in Ierland, aan te moedigen.
Enige jaren later, in 1979, kreeg Caroline de kans naar het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in New York te gaan toen ik werd uitgenodigd voor een speciale Gileadcursus voor leden van bijkantoorcomités. Dit vormde het hoogtepunt van wat de laatste fase van haar leven zou blijken te zijn. Twee jaar later stierf zij. In al de 32 jaar dat wij samen in de volle-tijddienst waren, heeft Caroline nooit haar ijver voor Jehovah’s dienst of haar vertrouwen dat hij wasdom zou geven, verloren.
Ik miste haar heel erg. Wat mij onder andere heeft geholpen er overheen te komen, was een artikel in het tijdschrift Ontwaakt! in die tijd, getiteld: „Leren leven zonder iemand die men heeft liefgehad” (8 juni 1981). Steeds wanneer ik aan mijn gestorven metgezellin dacht, kreeg ik tranen in mijn ogen, maar ik deed wat dat artikel aanraadde en bleef druk bezig in Jehovah’s dienst.
Jehovah’s zegen duurt voort
Een jaar voordien, in april 1980, was ik aanwezig bij de inwijding van een nieuw bijkantoorgebouw in Dublin door broeder Lyman Swingle van het Besturende Lichaam. Wat was het opwindend om 1854 verkondigers in het veld te zien, dat toen ook Noord-Ierland omvatte! En nu, tien jaar later, bericht het Jaarboek een hoogtepunt van 3451 verkondigers in 1990!
Ondertussen heb ik nog een zegen gesmaakt. Terwijl ik als leraar van de Koninkrijksbedieningsschool diende, ontmoette ik Evelyn Halford, een aantrekkelijke, ijverige zuster die naar Ierland was verhuisd om te dienen waar de behoefte groter was. Wij trouwden in mei 1986, en zij is een werkelijke steun voor mij in al mijn theocratische activiteit gebleken.
Van de 51 jaar volle-tijddienst sinds ik van school ben gekomen, heb ik er 44 in Ierland doorgebracht. Het is hartverwarmend te zien dat velen die ik heb geholpen, Jehovah nog steeds dienen, sommigen als ouderlingen en dienaren in de bediening. Zonder aarzelen kan ik zeggen dat een van de grootste vreugden die iemand kan beleven, is iemand anders op de weg ten leven te helpen.
Het is geloofversterkend geweest de ware aanbidding in Ierland in de ene plaats na de andere tot wasdom te zien komen, ondanks felle tegenstand. Nu zijn er zo’n 3500 verkondigers verbonden met ruim 90 gemeenten door het hele land. Er is werkelijk geen grens aan wat Jehovah kan doen. Hij zal wasdom geven als wij ijverig planten en begieten (1 Korinthiërs 3:6, 7). Ik weet dat dit waar is. Ik heb het in Ierland zien gebeuren.
[Illustratie van Fred en Evelyn Metcalfe op blz. 25]
[Illustratie van Fred Metcalfe op blz. 28]