Koninkrijksverkondigers brengen verslag uit
Jehovah verschaft hulp
ONLANGS ontvingen Jehovah’s Getuigen in Zuid-Afrika een bericht over de uitzichtloze, benarde situatie van hun geestelijke broeders in een nabijgelegen land waar hun predikingswerk is verboden. Er werd hun bericht dat hun broeders zich wegens een zware droogte in leven hielden door bepaalde wortels te eten. Zij hadden ook gebrek aan goede kleding, wat enkele Getuigen deed aarzelen om aan de velddienst deel te nemen.
De broeders in Zuid-Afrika reageerden onmiddellijk. Er werd een oproep gedaan aan plaatselijke gemeenten in de omgeving van Johannesburg in verband met de behoefte aan kleding. Binnen enkele dagen was er 3 ton kleding geschonken. Vervolgens werden de kledingstukken door vrijwilligers gesorteerd. Er werden regelingen getroffen om 3 ton bonen, 1 ton olie, 1 ton zeep en 17 ton maïsmeel te sturen. Toen de firma die het maïsmeel leverde, over de benarde situatie hoorde van de Getuigen in het door droogte getroffen land, schonk ze meer dan een ton van dit hoognodige voedsel.
Op maandag 16 april 1990 verliet een vrachtwagen met een lading van 25 ton aan hulpgoederen Zuid-Afrika voor een tocht van 5500 kilometer. Maar nu moest men toestemming van de autoriteiten krijgen om de goederen door hun land, dat door oorlog verscheurd werd, te vervoeren.
De autoriteiten op het consulaat zeiden dat, hoewel Jehovah’s Getuigen in hun land niet erkend werden, zij zich wel degelijk bewust waren van hun aanwezigheid. Er zou geen bezwaar tegen zijn om hulpgoederen naar onze broeders te sturen. Er werd toestemming verleend. De benodigde documenten werden verstrekt, en op vrijdag 20 april passeerden de Getuigen zonder problemen de grens. Zij kwamen echter meer dan dertig wegversperringen tegen, waar zij vaak hun documenten moesten laten zien. Toen pas realiseerden zij zich hoe noodzakelijk deze documenten waren.
Nadat zij zo’n 140 kilometer landinwaarts gereisd hadden, werd hun voortgang belemmerd door een grote, buiten haar oevers getreden rivier. De oorspronkelijke brug was verwoest, en de noodbrug die men daarvoor in de plaats had aangelegd, was niet geschikt voor een grote vrachtwagen. Zij ontdekten echter dat het kleinere voertuig dat het konvooi begeleidde de overspoelde brug veilig kon oversteken. Men besloot zich in twee groepen te splitsen. Voor de ene groep werd er aan de buiten haar oevers getreden rivier een kamp opgeslagen, terwijl de andere groep haar weg vervolgde om zo’n 260 kilometer verder noordwaarts de broeders te ontmoeten. Wat waren zij gelukkig toen zij eindelijk met de broeders in contact kwamen! Zij konden er maar niet mee ophouden elkaar toe te lachen, te omhelzen en elkaars handen te schudden. Al gauw waren twee plaatselijke vrachtwagens op weg om de andere groep broeders, die bij de rivier wachtten, te ontmoeten. Daar werden de hulpgoederen van de grote vrachtwagen in de twee kleinere wagens overgeladen.
Uit berichten die men heeft ontvangen, blijkt dat de broeders heel dankbaar zijn voor de materiële hulp die Jehovah heeft verschaft. Maar ondanks hun benarde fysieke toestand was de roep van de broeders om geestelijk voedsel nog veel dringender. Een bepaalde gemeente had slechts de beschikking over één Wachttoren, die voor ieder gezin moest worden gekopieerd. Dank zij Jehovah worden er nu regelingen getroffen om een constante toevoer van geestelijk voedsel naar de broeders in dat land te verzorgen.