„Vaststaan als één kudde” in Tsjaad
Net als hun medechristenen over de hele wereld waarderen Jehovah’s Getuigen in Tsjaad de jaarlijkse grote vergaderingen die tot hun geestelijke opbouw worden georganiseerd. Hier volgt het verslag van een reis langs een reeks speciale dagvergaderingen die in het zuidelijke deel van dit geheel door land omgeven Middenafrikaanse land werden gehouden.
Wegens problemen met de afstand en het reizen worden grotere vergaderingen in Tsjaad gewoonlijk voor kleine groepen gehouden, waarbij het tijdstip door het weer wordt bepaald. Van juni tot en met september wordt het reizen door het regenseizoen bemoeilijkt en in sommige gebieden onmogelijk gemaakt. De speciale dagvergaderingen worden gehouden als de zware regens voorbij zijn. De vrije dagen aan het eind van het jaar lenen zich uitstekend voor het grotere districtscongres. En voordat de regen in juni weer begint, worden de tweedaagse kringvergaderingen gehouden.
HET was een broeierig hete zondagmiddag. In de overvolle Koninkrijkszaal in N’djamena, de hoofdstad van Tsjaad, luisterden 184 aanwezigen ondanks de hitte geboeid naar de hoofdlezing: „Vaststaan in één geest”. Die morgen had het hen gelukkig gestemd te zien dat drie personen hun opdracht aan Jehovah God symboliseerden door de waterdoop. Dit was de eerste van zes speciale dagvergaderingen die een plaatselijke reizende opziener en ik mochten bezoeken.
Het thema van de reeks, „Vaststaan als één kudde”, werd door de 267 Getuigen in Tsjaad bijzonder gewaardeerd. Zij wonen ver van hun medechristenen in andere landen vandaan. Maar dat zij hetzelfde geestelijke voedsel en dezelfde geestelijke zorg ontvangen, moedigt hen aan in eenheid met hun broeders wereldwijd te blijven dienen. De praktische raad van dit programma sterkte hen ook om pal te staan tegen de subtiele invloed van Satans wereld en de winden van vervolging en tegenstand.
In N’djamena
In 1964 werd in N’djamena de eerste gemeente van Jehovah’s Getuigen in Tsjaad opgericht. Nu zijn er in deze stad ruim negentig verkondigers van het goede nieuws van het Koninkrijk. Het was een genot onze blik over de aanwezigen te laten gaan en velen te zien die vanaf het allereerste begin van het werk in Tsjaad getrouw dienen. Eén broeder had drie vrouwen toen hij de bijbelse waarheid voor het eerst hoorde. Al gauw zag hij er de noodzaak van in zijn leven in overeenstemming te brengen met bijbelse maatstaven. Hij trouwde met zijn eerste vrouw en stuurde de andere twee weg, hoewel hij er regelingen voor trof dat zij verzorgd waren. Hij werd in 1973 gedoopt en is sindsdien actief gebleven in het werk.
Eén ouderling die deelnam aan het programma, had een zware geloofsbeproeving ondergaan. In 1975 dwong de toenmalige regering deelname af aan bepaalde gebruiken die gebaseerd waren op aanbidding van de doden; iedereen die niet gehoorzaamde, kon ter dood worden gebracht. Toen de broeder vaststond en niet wilde schipperen ten aanzien van zijn geloof, begonnen de autoriteiten naar hem te zoeken. Slechts een regeringsverandering op dat beslissende moment redde zijn leven.
Op weg naar Pala
Na N’djamena begon de tocht naar het zuiden om de overige vijf vergaderingen te bezoeken. Wij hadden de route al vaker genomen, maar alleen in het droge seizoen. Nu, achter in september aan het eind van het regenseizoen, was alles weelderig groen. Het was een prettige tijd om te reizen. Wij passeerden het ene gierstveld na het andere. De aren aan de lange halmen aan weerszijden van de weg begonnen nu te rijpen. Spoedig zouden ze geoogst, gedroogd en opgeslagen worden in de kegelvormige aarden graanschuren die overal verspreid op het platteland staan. Gierst is het hoofdvoedsel voor de meeste mensen in Tsjaad. Het wordt in een grote houten vijzel fijngestampt met een stamper die vaak groter is dan de persoon die hem hanteert. Dan wordt het meel vermengd met kokend water en tot een bal gekneed, die met een okra- of pindasaus gegeten wordt.
Naarmate wij verder naar het zuiden reisden, zagen wij steeds meer katoenvelden. Omdat het terrein in dit deel van het land vlak is, schenen de bloeiende velden helemaal tot aan de horizon te reiken. Spoedig zouden hele gezinnen buiten op de velden bezig zijn met de hand de katoen te plukken. Katoen is het grootste marktgewas in Tsjaad; in 1988 werd er 133.000 ton geoogst. Laat in de middag passeerden wij Lac Léré. Hier is het land heuvelig en zeer schilderachtig, vooral om deze tijd van het jaar. Wij kwamen precies op het juiste moment om een versgevangen karper te kunnen kopen die pal langs de kant van de weg gebakken werd. Het was een maaltijd waarop elke gastheer trots zou zijn geweest.
Eén ding wat het reizen in dit seizoen bemoeilijkt, is dat er als het regent wegversperringen worden geplaatst om de verkeersstroom tegen te houden. Waarom? Voor het behoud van de wegen. Het hart zonk ons daarom in de schoenen toen wij zagen dat de lucht vóór ons plotseling inktzwart werd. Het vooruitzicht in de regen langs de kant van de weg te kamperen, lokte ons beslist niet aan. Doch wat belangrijker was, wij zouden te laat zijn voor de volgende speciale dagvergadering. Gelukkig viel de ergste regen van deze late bui naast de weg. Ook al moesten wij bij verscheidene wegversperringen een poosje wachten, toch kwamen wij die avond laat veilig en wel in Pala, een stad met ongeveer 32.000 inwoners, aan. Wat een onthaal wachtte ons! De maanloze hemel vergunde ons na de regen een spectaculaire blik op de sterren en de Melkweg, een adembenemend schouwspel dat de meeste stadbewoners nooit te zien krijgen. Het herinnerde ons aan de reden waarom wij vaststaan — om de Grootse Schepper van het prachtige universum te eren.
Twee kleine gemeenten en een geïsoleerde groep kwamen in Pala bijeen. Drie jonge broeders hadden ruim 100 km gelopen voor deze vergadering. Aangezien de kring- en dagvergaderingen in het zuiden klein zijn en er weinig ouderlingen zijn, werden delen van het programma op de dagvergadering in N’djamena opgenomen en hier afgespeeld. Dit waarborgt een programma van hoge kwaliteit, zelfs met een klein aantal aanwezigen. Wij waren blij dat er één doopkandidaat was.
De ijverige groep in Kelo
Nu volgde een korte tocht naar Kelo, waar op zondag 194 personen het programma bijwoonden. Veel gezinnen met jonge kinderen hadden meer dan 30 km gelopen om aanwezig te zijn. Twee nieuw opgedragen personen zouden gedoopt worden. In het droge seizoen vormt de doop vaak een probleem als een grote vergadering niet in de buurt van een rivier wordt gehouden; een aantal personen moest om die reden in een ton worden gedoopt. Maar het feit dat wij daar aan het eind van het regenseizoen waren, maakte de zaak heel wat eenvoudiger. Toch was het nog nodig ruim 20 km te rijden naar een geschikte plek.
Eén van de doopkandidaten was een jong meisje wier geloof zwaar op de proef was gesteld. Haar familie had haar aan een man ten huwelijk beloofd die er niets voor voelde de bijbel te bestuderen. Bovendien gaf hij er de voorkeur aan met haar verenigd te worden door middel van stamgebruiken in plaats van door een wettig huwelijk. Aangezien hij bereid was een grote bruidsprijs te betalen, oefende haar familie zware druk op haar uit. Zij moest zelfs een tijdlang ergens anders haar intrek nemen om de door haar familie gewenste onschriftuurlijke verbintenis te voorkomen. Zij doorstond dit alles moedig en maakte fijne vorderingen. Met haar doop kwam er een eind aan de tegenstand van haar familie. Wij danken Jehovah dat wij zulke getrouwe personen in ons midden hebben.
De broeders hier hebben nog andere redenen om Jehovah dankbaar te zijn. Tsjaad raakte in een felle burgeroorlog verwikkeld en werd vervolgens, in 1984, door een zware hongersnood getroffen. Een plaatselijke ouderling herinnert zich dat hij op een bepaald moment tijdens de hongersnood de Koninkrijkszaal rondkeek en zich afvroeg of ook maar iemand van de aanwezigen over een paar maanden nog in leven zou zijn. Jehovah’s organisatie bood echter hulp in de vorm van voedsel, waardoor er verlichting in de toestand kwam. Hun waardering daarvoor wordt nu weerspiegeld in hun ijverige dienst. Er heerst een krachtige pioniersgeest in Kelo. In oktober 1989 regelde ruim een derde van de Koninkrijksverkondigers hun aangelegenheden zo dat zij een maand in de volle-tijddienst konden staan.
Hun ervaring tijdens de hongersnood leerde hun dat ook zij edelmoedig moeten zijn. Vorig jaar werd een ouderling in de gemeente plotseling ziek en stierf. Hij liet een gezin met negen kinderen achter, van wie de jongste nog maar een paar maanden was. Zijn vrouw werd door haar familie onder druk gezet om deel te nemen aan rouwrituelen die met dodenverering verband hielden. De broeders gaven haar de nodige steun, zodat zij de intense druk kon weerstaan. Vervolgens bouwde de gemeente gezamenlijk voor haar en de jongere kinderen een huis, nog afgezien van de materiële hulp die zij haar op verschillende andere manieren gaven. Dit liep uit op een voortreffelijk getuigenis aan de stad en toonde het vreugdevolle resultaat van christendom in actie. — Handelingen 20:35.
Koumra, Doba en Bongor
De volgende plaats die wij aandeden, was Koumra. Grindwegen maakten de 300 km lange reis een stuk gemakkelijker. Onderweg kwamen wij door de stad Moundou, een industriecentrum met ruim honderdduizend inwoners. Er waren 71 aanwezigen in Koumra. Een jonge broeder die nooit enige schoolopleiding had genoten, sprak vanaf het podium. Hij legde uit hoe het lees- en schrijfonderricht dat in de Koninkrijkszaal werd gegeven hem had geholpen en hem het nodige vertrouwen had geschonken. Hij leidt nu bijbelstudies bij vier andere personen.
Na de speciale dagvergadering in Koumra zetten wij weer koers naar N’djamena, met als volgende pleisterplaats Doba, voor de vijfde vergadering in onze reeks. Enkele van de bezoekers werden door een late regenbui verrast en moesten de nacht langs de kant van de weg doorbrengen. Toch kwam iedereen op tijd voor het begin van het programma te Doba aan. Er waren 51 aanwezigen, en één persoon bood zich aan voor de doop.
De laatste plaats die wij aandeden, was Bongor. In dit gebied wordt rijst verbouwd, en wij verbaasden ons erover hoe vlak het terrein was. Het aanwezigenaantal te Bongor bracht het totale aantal van degenen in Tsjaad die het programma hadden gehoord op 630. En doordat er nog twee personen werden gedoopt, kwam het totale aantal dopelingen op negen.
Onze terugreis naar N’djamena voltooide een tocht van bijna 2000 km. Het was heerlijk met dienstknechten van God om te gaan die al vele jaren vaststaan, alsook vele nieuwelingen te ontmoeten die geweldige vorderingen maken. Hun ijver voor de bediening was buitengewoon aanmoedigend. In oktober 1989 had Tsjaad een nieuw hoogtepunt van 267 verkondigers, een toename van 20 procent vergeleken met het voorgaande jaar.
Ver weg, maar toch verenigd
Toen wij door het land reisden, beseften wij pas goed wat een uitdaging het is het goede nieuws te verbreiden in een land waar meer dan 200 talen worden gesproken. Hoewel Frans en Arabisch de officiële talen van Tsjaad zijn, moest het programma op elk van de speciale dagvergaderingen vanuit het Frans in een andere taal vertaald worden. Velen die naar de plaats van de vergadering kwamen, spraken echter niet de taal van de streek, zodat het nog steeds een probleem was hen te helpen het programma te begrijpen.
In alle plaatsen die wij bezochten, werden wij door onze broeders en zusters gastvrij onthaald. De maaltijden bestonden in de regel uit een gierst- of rijstbal met de eerder genoemde gekruide saus. Soms bracht een jong meisje het voedsel op een dienblad dat met een vrolijk gekleurd kleedje was afgedekt. Zij balanceerde dan met bewonderenswaardige gratie het dienblad op haar hoofd.
De bevolking van het noorden van Tsjaad is overwegend moslim; de mensen in het zuiden zijn voornamelijk katholiek, protestant of animist. De regering voert een beleid van vrijheid van aanbidding, en wij zijn blij dat wij vrij kunnen samenkomen.
Het speciale-dagvergaderingsprogramma hielp de kleine groep Getuigen in Tsjaad te beseffen dat hoewel zij geografisch gezien ver van hun broeders in andere delen van de wereld verwijderd zijn, zij werkelijk in één kudde met hen verenigd zijn. Het stelde hen in staat ’vast te staan in één geest’ ondanks de druk en tegenstand die zij ondervinden. — Filippenzen 1:27.