Jehovah dienen in gunstige en in moeilijke tijd
Zoals verteld door Hal Bentley
IN EEN dorpje in Nyasaland (nu Malawi) waren regelingen getroffen voor een kringvergadering van Jehovah’s Getuigen. De kring- en de districtsopziener inspecteerden tot slot het van gras en bamboe opgetrokken podium en de grashutten die waren gebouwd om slaapgelegenheid te bieden. Plotseling werden zij omringd door een menigte die zich in de nabijgelegen rimboe had schuilgehouden. Het gepeupel stak de hutten en het podium in brand en drong de twee broeders in de richting van de huizen waar zij logeerden.
De vrouw van de districtsopziener, Joyce Bentley, kwam aangerend om te zien wat er aan de hand was. Ook zij werd teruggeduwd. De leider van het gepeupel schreeuwde dat de mzoengoe (blanke man) onmiddellijk moest vertrekken. Het gepeupel stond ons niet toe onze bezittingen te pakken en duwde ons onze landrover in. Zij verdrongen zich rond het voertuig — mannen, vrouwen en kinderen — en schreeuwden „Pitani mzoengoe” (Ga, blanke man) en „Kwatsja” (Vrijheid). Wij dachten dat zij de landrover zouden omgooien en daarom baden wij in stilte tot Jehovah. Maar de menigte verspreidde zich en wij spoedden ons naar de dichtstbijzijnde politiepost, in Mzimba, ongeveer 50 km verder.
Later keerden wij terug, vergezeld van slechts één politieman. Wegens moeilijkheden in andere plaatsen was hij de enige die gemist kon worden. Toen wij op de plaats aankwamen waar het gepeupel ons had lastig gevallen, zagen wij de vlag van de Malawi Congress Party wapperen, terwijl de letters M.C.P. in de aarden muur waren gegrift. Maar nadat de politieagent de plaatselijke bevolking had toegesproken, stonden zij ons toe onze bezittingen in de landrover te laden.
Wij troffen ook de kringopziener, Rightwell Moses, en zijn vrouw aan. Zij was tijdens het optreden van het gepeupel de rimboe in gevlucht. Maar Rightwell was door hun toedoen bijna in een nabijgelegen rivier verdronken. Het gepeupel had zich ook meester gemaakt van al het voedsel voor de kringvergadering. Daarna lieten zij de broeders in één richting lopen en de zusters met de kinderen in de tegenovergestelde richting, en dat verscheidene kilometers, totdat het gepeupel moe werd en hen met rust liet.
Dit was een van de vele voorvallen die culmineerden in het verbod op het werk in Malawi, wat tot een hevige vervolging van Jehovah’s Getuigen heeft geleid, met inbegrip van moord, wrede afranselingen, verkrachting van vrouwen en gevangenzetting.
Waarom waren wij in Malawi?
Op 28 juni 1916 ben ik in Leeds (Yorkshire, Engeland) als de jongste van een gezin van vijf kinderen geboren. Wij waren niet godsdienstig en gingen niet naar een kerk.
Tegen 1939, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, waren mijn beide ouders gestorven. In juni 1940 — ik was toen net 24 — was ik in militaire dienst en gedurende de volgende vijf jaar heb ik in verschillende gemechaniseerde eenheden gediend. Tijdens die jaren, toen ik aan de noordoostkust van Engeland in een mitrailleursnest zat en naar de sterrenhemel keek, was ik vaak in de gelegenheid om over God na te denken en mij af te vragen waarom de Maker van zulk een ontzagwekkende schoonheid zo’n geweld, bloedvergieting en lijden onder de mensheid toeliet. Pas nadat ik uit het leger was ontslagen, vond ik het antwoord op de vele vragen die mij al lang hadden beziggehouden.
In dat jaar werd er op een koude winteravond op mijn deur geklopt. Toen ik opendeed, zag ik een oudere heer staan die over de bijbel begon te praten. Dit leidde tot een bijbelstudie en al gauw tot mijn doop, in april 1946. In 1949 zei ik mijn baan op en werd ik een pionierbedienaar van Jehovah’s Getuigen.
Daarna heb ik ruim drie jaar op Bethel in Londen gewerkt, en in 1953 kreeg ik de uitnodiging de 23ste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in South Lansing (New York) te bezoeken om een opleiding als zendeling te ontvangen. Te zijner tijd begon ik zendingsdienst te verrichten in wat toen Nyasaland heette. Later werd ik uitgezonden in het districtswerk. Vijf jaar heb ik als jonge ongehuwde man dat prachtige land in alle richtingen doorkruist. Ik kreeg liefde voor de mensen, die zo gelukkig en gastvrij waren, ook al hadden de meeste weinig materiële goederen, afgezien van hun maïsgrondje en enkele kippen en geiten of varkens. Sommigen waren goede vissers. Ik woonde in hun nederige, van leem en palen opgetrokken woningen en liep met hen in het predikingswerk van dorp tot dorp. Ook genoot ik van hun omgang tijdens hun kring- en districtsvergaderingen in de open lucht, waar zij in gezinsverband bijeenzaten en geconcentreerd naar de sprekers luisterden, soms in de stromende regen!
Wanneer ik in een dorp logeerde, kwam iedereen, jong en oud, naar mij toe om mij te begroeten met de woorden: „Moni, moeli bwandzji?” (Hallo, hoe gaat het met u?) Zelfs als ik van dorp tot dorp liep, stopten de mensen met het schoffelen van hun veldjes en riepen mij een groet toe.
Elke gemeente die ik samen met de kringopziener bezocht, bouwde een apart huis voor mij. Soms was het een stevig bouwwerk, vervaardigd van palen met een strodak, wat ik erg waardeerde. Maar ik merkte dat het enige tijd duurt voordat een nieuw strodak waterdicht wordt!
De broeders hebben eens een huis voor mij gebouwd dat uitsluitend van dik olifantsgras was vervaardigd. Het had drie muren, met mijn landrover als vierde muur. Dit was in het Shiredal, waar het het hele jaar erg warm is en waar de muskieten in ploegendienst schijnen te werken, zodat ze iemand dag noch nacht rust gunnen! Zonder muskietennet en een insektenwerend middel was het bijna onmogelijk om door te gaan.
Een levenspartner sluit zich bij mij aan
In 1960 trouwde ik met Joyce Shaw, die als zendelinge in Ecuador had gediend. Ja, na een aantal jaren de gave van de ongehuwde staat gesmaakt te hebben, werd ik gezegend met een andere gave — het huwelijk — waarvoor ik nu, dertig jaar later, nog steeds grote waardering heb. Joyce en ik zijn gezegend met veel opwindende gezamenlijke ervaringen.
Bij een zekere gelegenheid bouwden de broeders van palen en gras een brug over een rivier. Zij deden dit opdat ik de rivier kon oversteken naar een dorp waar zij mij graag de film van het Genootschap, „De Nieuwe-Wereldmaatschappij in actie”, wilden laten vertonen. Maar de aanhanger van de landrover kwam vast te zitten achter een paal op de brug. Onverstoorbaar haakten de broeders de aanhanger los en lieten mij de brug afrijden, waarna zij de aanhanger over de brug manoeuvreerden. Wij hadden een succesvolle filmvertoning.
Sommige rivieren waren te breed om er een brug over te bouwen. De broeders namen dan alles van de landrover af — draagbare generator, projector, films, bed — en waadden door de rivier, terwijl ik op de krachtige schouders van een van de broeders zat. Twee zusters droegen Joyce naar de overkant. Sommige rivieren waren te diep. Deze staken wij over op een geïmproviseerde pont bestaande uit een stevig houten platform op acht tot tien grote vaten. Twee veerlieden trokken ons dan met een touw de rivier over.
De Malawische broeders en zusters waren bijzonder hulpvaardig en vriendelijk en behandelden ons met diep respect. Op een zekere plaats had de bevolking gedreigd het huis waar wij verbleven, in brand te zullen steken, en daarom bleven de broeders de hele nacht op om onze veiligheid te waarborgen. Zelfs voordat het werk van Jehovah’s Getuigen in 1967 werd verboden, waren er gevaarlijke situaties, zoals die welke aan het begin van dit verhaal werd beschreven. Veel Malawische broeders en zusters zouden hun leven voor ons hebben gegeven.
Bij een zekere gelegenheid werkte ik van huis tot huis met een broeder die een enorme bult op zijn voorhoofd had. Hij was een paar dagen voordien afschuwelijk geslagen. Bij een bepaald huis gaf hij kalm een voortreffelijk getuigenis aan de huisbewoner. Toen wij het huis verlieten, zei de broeder: „Dat was de man die mij zo verschrikkelijk heeft geslagen!” Ik moest aan Paulus’ woorden denken: „Vergeldt niemand kwaad met kwaad . . . Blijf het kwade overwinnen met het goede.” — Romeinen 12:17-21.
Onze dienst uitbreiden
Toen Joyce en ik nog in Malawi waren, gingen wij vaak naar het nabijgelegen Mozambique. Haar kennis van het Spaans, opgedaan toen zij in Ecuador diende, was nuttig, omdat de Portugezen haar konden verstaan. Na verloop van tijd konden wij beiden in het Portugees gesprekken voeren. Ook vanuit onze volgende toewijzing, Zimbabwe, bleven wij Mozambique bezoeken. De Katholieke Kerk was bitter gekant tegen het predikingswerk en veroorzaakte moeilijkheden. Maar gedurende de volgende tien jaar hebben wij bij het zoeken naar met schapen te vergelijken personen vaak Jehovah’s liefdevolle zorg en bescherming ervaren.
Tijdens een van onze bezoeken aan Mozambique bezochten wij een geïnteresseerde vrouw ten noorden van de havenstad Beira. Haar zuster in Portugal had haar per brief enkele van de wonderbaarlijke dingen verteld die zij had geleerd door met Jehovah’s Getuigen te studeren. De vrouw had deze dingen in haar bijbel nagelezen en was er zelfs mee begonnen er met haar buren over te praten. Maar het enige adres dat wij hadden was de naam van de garage waar haar man werkte.
Toen wij naar de ingang van de werkplaats liepen, vroeg een man of hij ons kon helpen. Wij zeiden dat wij graag de echtgenoot van de vrouw wilden spreken. Hij wees op een monteur die aan een auto werkte en verliet ons abrupt. Wij stelden ons aan de monteur voor en zeiden dat wij zijn vrouw wilden bezoeken. Hij was erg nerveus. Toen hij ons naar zijn huis bracht, legde hij uit dat de man die wij het eerst hadden aangesproken, onderweg was om onze komst aan het plaatselijke hoofd van de PIDE (geheime politie) te melden. Wij waren in een val gelopen! Hij legde ook uit dat zijn vrouw, wegens haar predikingsactiviteit, al enige tijd onder politietoezicht stond en dat de politieautoriteiten onze brief, waarin wij haar vertelden dat wij haar zouden bezoeken, hadden onderschept. Zij hadden haar bijbel weggenomen, maar zij was zo verstandig geweest een andere bijbel te verbergen! Zij hadden ook de katholieke bisschop meegenomen in een poging haar ertoe over te halen niet meer over Jehovah en het Koninkrijk te spreken!
Toen wij de geïnteresseerde vrouw ontmoetten, was zij zo aangedaan dat zij Joyce om de hals vloog. Zij smeekte haar man ons bij hen te laten logeren, maar hij weigerde en ging naar zijn werk terug. Wij benutten het korte bezoek zo goed mogelijk door haar aan de hand van de bijbel aan te moedigen en haar te prijzen voor het krachtige standpunt dat zij innam. Om verdere problemen voor haar te vermijden, gingen wij toen weg maar beloofden later terug te komen als de situatie was verbeterd. Toen wij het huis verlieten en in de garage benzine tankten, merkten wij dat er op ons werd gelet, maar wij werden niet gearresteerd. Wij gingen toen naar Beira en bezochten daar de kleine gemeente alvorens naar Zimbabwe terug te keren. Enkele maanden later gingen wij inderdaad terug en konden bij de geïnteresseerde vrouw, samen met haar man en dochter, een maaltijd gebruiken. Uiteindelijk is zij tijdens een bezoek aan Portugal gedoopt en werd zij een ijverige Koninkrijksverkondigster.
Verder noordwaarts bezochten wij geregeld plaatsen als Quelimane, Nampula en Nacala, een kleine havenstad. In Nacala gingen wij vaak naar de familie Soares. De heer Soares had voor het eerst over de waarheid gehoord in Portugal. Toen hij naar Mozambique emigreerde, studeerden de broeders in Lourenço Marques (nu Maputo), de hoofdstad van Mozambique, met hem en zijn gezin. Zij waardeerden het bijzonder dat wij bereid waren honderden kilometers te reizen om een geïsoleerd gezin te bezoeken. Zij maakten goede vorderingen. Later verhuisden zij naar Zuid-Afrika, waar de dochter, Manuela, op Bethel dient als vertaalster voor het Portugese taalgebied.
Wij hebben heel wat keren een bezoek gebracht aan de gemeente in Lourenço Marques. Dit omvatte een reis van ruim 1100 km van Blantyre over onverharde wegen. Tweemaal hadden wij ernstige panne en moest onze landrover naar Salisbury (nu Harare) gesleept worden. Maar het was bijzonder verheugend de kleine groep in Lourenço Marques tot een fijne gemeente te zien uitgroeien, ondanks het feit dat de verkondigers onder verbodsbepalingen werkten. Er werden geregeld kleine kringvergaderingen gehouden. Maar deze moesten in de rimboe plaatsvinden, alsof de broeders en zusters gewoon aan het picknicken waren. Verscheidene malen werd er over de grens, in Nelspruit (Zuid-Afrika), een kringvergadering georganiseerd. Dit hielp de broeders en zusters in Maputo een duidelijker beeld te krijgen van Jehovah’s organisatie en in geestelijk opzicht te groeien.
De gemeente Beira werd ook sterk. Wegens de politieke onlusten in Mozambique zijn de broeders en zusters uit dat land nu verspreid in Portugal, Zuid-Afrika, Canada, Brazilië, de Verenigde Staten en andere plaatsen. Alle eer komt Jehovah toe, die ’het zaad wasdom heeft gegeven’ (1 Korinthiërs 3:6, 7). Ja, tien jaar hebben wij het voorrecht gehad de broeders en zusters in Mozambique onder het Portugese regime te helpen. Wanneer wij op die tijd terugkijken, verbazen wij ons over de manier waarop Jehovah ons hiertoe in de gelegenheid heeft gesteld.
Toen wij bij een zekere gelegenheid Nampula in het noorden bezochten, werden wij door een lid van de PIDE gearresteerd. Al onze lectuur, met inbegrip van bijbels, werd in beslag genomen en er werd ons meegedeeld dat wij Mozambique nooit meer zouden mogen bezoeken. Toch hebben wij met Jehovah’s hulp nog veel meer reizen naar dit land kunnen maken. Steeds als wij de grens naderden, vroegen wij om zijn hulp en leiding, opdat wij zijn wil konden volbrengen en onze broeders en zusters in dat land de bitter noodzakelijke aanmoediging en opleiding konden geven.
In 1979 werden wij overgeplaatst naar Botswana. Het is een groot land, qua oppervlakte ongeveer de helft van Zuid-Afrika. Maar omdat het grotendeels uit woestijn bestaat, de Kalahari, zijn er minder dan een miljoen bewoners. Hier, in de hoofdstad Gaborone, hebben wij onder andere het voorrecht gehad mee te helpen aan de bouw van een Koninkrijkszaal en zendelingenhuis. Ook is het een voorrecht geweest Portugeessprekende vluchtelingen uit Angola te helpen en de bijbel met hen te bestuderen.
Wij hebben ook een aantal jongeren uit Zimbabwe kunnen helpen. In dit buurland bleken Jehovah’s Getuigen, krachtens een speciale regeling, op sommige scholen bijbelles te mogen geven. Dit heeft bij deze opgroeiende kinderen belangstelling voor de bijbel doen ontstaan. Toen zij later naar Botswana verhuisden, namen wij contact met hen op en vroegen zij om een bijbelstudie. Hun ouders waren er echter op tegen en daarom moesten zij naar het zendelingenhuis komen om te studeren. Zij maakten goede vorderingen en zijn nu gedoopte Getuigen.
Als ik terugkijk op 41 jaar volle-tijddienst in 8 landen ben ik Jehovah intens dankbaar voor de vele zegeningen die ik heb genoten. Onze dienst is niet gemakkelijk geweest, maar het heeft Joyce en mij bijzonder veel vreugde geschonken velen te mogen helpen een krachtig standpunt voor het Koninkrijk in te nemen en de schitterende vooruitgang te zien, ondanks veel problemen en zware tegenstand. Het is inderdaad een kwestie geweest van ’het woord prediken en er als met een dringende zaak mee bezig zijn, in gunstige tijd en in moeilijke tijd’. Ja, de volle-tijddienst is een rijke ervaring en een groots voorrecht dat wij van harte aanbevelen aan degenen die er in hun leven plaats voor kunnen maken. — 2 Timótheüs 4:2.
[Kaart op blz. 21]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
ANGOLA
ZAMBIA
MALAWI
Mzimba
Blantyre
MOZAMBIQUE
Nacala
Beira
Maputo
ZIMBABWE
Harare
NAMIBIË
BOTSWANA
Gaborone
ZUID-AFRIKA
INDISCHE OCEAAN
600 km
400 mijl
[Illustratie van Hal en Joyce Bentley op blz. 23]
[Illustratie op blz. 24, 25]
Als de rivieren te diep waren, trokken twee veerlieden ons met een touw de rivier over