Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w90 1/1 blz. 28-31
  • Vreugde over de oogst in India

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vreugde over de oogst in India
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Hoe ik in India terechtkwam
  • Een carrière kiezen
  • Een gigantisch nieuw veld
  • Tijdens de Tweede Wereldoorlog
  • Redenen tot vreugde
  • Jehovah, mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Toegewijd aan Jehovah en de bediening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • „Blijft zoeken, en gij zult vinden”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Volharding ondanks tegenstand schenkt vreugde
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
w90 1/1 blz. 28-31

Vreugde over de oogst in India

Zoals verteld door F. E. Skinner

IK KON het bijna niet geloven — 21 congressen in 10 talen, ruim 15.000 aanwezigen, die wilden vernemen wat goddelijke gerechtigheid inhoudt, en 545 dopelingen, die werden ondergedompeld om hun liefde voor de grote God van gerechtigheid, Jehovah, te symboliseren! Voor de 9000 getuigen van Jehovah in India vormde dit in 1989 een hoogtepunt. Maar mij schonk het vooral veel vreugde. Waarom? Omdat ik mij zulke grootse gebeurtenissen amper had kunnen voorstellen toen ik in juli 1926 voor het eerst Indiase grond betrad. Toen waren er nog geen 70 verkondigers van de Koninkrijksboodschap in het hele land. Wat een toewijzing ontvingen mijn partner en ik ruim 63 jaar geleden!

Hoe ik in India terechtkwam

In mei 1926 bezocht ik een groot congres in Londen, en onmiddellijk daarna ging ik weer terug naar Sheffield, waar ik woonde. Toen ik enkele dagen later van de velddienst thuiskwam, lag er een telegram voor mij in de bus. De boodschap luidde: „Rechter Rutherford wil je spreken.”

Broeder Rutherford, de tweede president van het Wachttorengenootschap, was in verband met het recente congres uit New York overgekomen en was nog steeds in Londen. Toen ik de volgende ochtend per trein naar Londen terugging, vroeg ik mij af: ’Wat zou er aan de hand zijn?’ Op het bijkantoor werd ik naar broeder Rutherford gebracht, die mij vroeg: „Maakt het je wat uit in welk deel van de wereld je werkt?”

„Nee”, antwoordde ik.

„Hoe zou je het vinden om naar India te gaan?”

„Wanneer wilt u dat ik ga?”, antwoordde ik zonder een moment te aarzelen. En zo kwam het dat George Wright en ik drie weken later per boot naar India gingen. Ik was 31 jaar, en er bestond in mijn hart en geest geen enkele onzekerheid over de vraag wat ik met mijn leven wilde doen.

Een carrière kiezen

Toen in 1918 de Eerste Wereldoorlog eindigde, had ik er net vier jaar in het Britse leger op zitten. Ik had belangstelling voor fotografie en radiotechniek, en er stonden goede gelegenheden in de zakenwereld voor mij open. Ook lag het in mijn bedoeling te trouwen. Maar in diezelfde periode kwam ik tot een inzicht dat mijn hele kijk op het leven veranderde.

Mijn vader had een serie Schriftstudiën gekocht en een colporteuse, zoals pioniersters destijds werden genoemd, begon met ons gezin de bijbel te bestuderen. Zij was onderwijzeres geweest. Na verloop van tijd ging een groepje jonge mannen van mijn leeftijd elke zaterdag naar haar huis voor een kopje thee en bijbelstudie. Zij drukte ons herhaaldelijk op het hart ons beschikbaar te stellen voor Jehovah’s dienst; „weiger nooit een toewijzing te aanvaarden”, waren haar woorden. Zij moedigde mij ook aan ongehuwd te blijven.

Een tijdlang stond ik in tweestrijd. Jezus’ woorden tot de rijke jonge regeerder in Matthéüs 19:21 hielpen mij: „Indien gij volmaakt wilt zijn, ga, verkoop uw bezittingen en geef aan de armen en gij zult een schat in de hemel hebben, en kom, wees mijn volgeling.” Ik nam ontslag bij de firma waarvoor ik werkte en binnen drie maanden was ik colporteur. Deze omstandigheid, alsmede de beslissing om ongehuwd te blijven, deden mij er ongeveer vier jaar later voor in aanmerking komen die kostbare toewijzing voor India te ontvangen.

Een gigantisch nieuw veld

George Wright en ik werden aangesteld om toezicht te houden op de Koninkrijksprediking in India, alsook in Birma (nu Myanmar) en op Ceylon (nu Sri Lanka). Later werden Perzië (nu Iran) en Afghanistan aan onze gebiedstoewijzing toegevoegd. India was qua oppervlakte iets kleiner dan de Verenigde Staten, maar de bevolking was ettelijke malen groter. Het was een land met ander voedsel, andere gebruiken en andere talen, bewoond door mensen met velerlei geloofsovertuigingen — hindoes, moslims, parsi’s, jaina’s, Sikhs en boeddhisten, alsook katholieken en protestanten.

Het predikingswerk was in 1905 in India begonnen, en het won aan kracht toen Charles T. Russell, de eerste president van het Wachttorengenootschap, in 1912 op bezoek kwam. Russells interview met A. J. Joseph, een ijverige jonge Bijbelonderzoeker, leidde tot een duurzame regeling voor voortgezette predikingsactiviteit. Joseph vertaalde bijbelse lectuur in zijn moedertaal Malayalam. Hij ondernam uitgebreide reizen en hield veel lezingen, vooral in het zuiden van India. Thans woont ongeveer de helft van India’s verkondigers in dit Malayalamtalige gebied, hoewel slechts ongeveer 3 procent van India’s bevolking daar woont. Dit gebied, het voormalige Travancore-Cochin, werd in 1956 de staat Kerala.

George Wright en ik regelden het zo dat wij beurtelings op het bijkantoor in Bombay werkten en uitgebreide predikingstochten ondernamen. Wij maakten ten volle gebruik van India’s spoorwegnet, maar ook van paarden en ossewagens. Later reisden wij per auto. Destijds was het eenvoudig de bedoeling lectuur te verspreiden en de mensen uit te nodigen om voor groepsstudie naar een vergaderplaats te komen. Hierbij concentreerden wij ons op Engelssprekende naamchristenen.

Om te beginnen kreeg ik de namen en adressen van alle Wachttoren-abonnees. Dit waren voornamelijk spoorweg- en telegraafbeambten. Ik bezocht hen allemaal persoonlijk om na te gaan wie werkelijk belangstelling had. Vele jaren achtereen ging ik in januari naar de Punjab, in het noorden van India, en reisde dan van Lahore naar Karachi. Aangezien de meerderheid van de bevolking afwijzend stond tegenover de bijbel, waren er slechts weinig dorpen waar naamchristenen woonden, terwijl ze bovendien ver uit elkaar lagen.

Een broeder reisde met mij mee als tolk, en wij woonden en aten bij de inlanders. De dorpsbewoners woonden in hutten van in de zon gebakken leem, met hetzij een rieten of een houten dak. Zij sliepen op charpoys, op vier poten staande veldbedden bestaande uit een houten frame dat met dooreengevlochten touw was bespannen. Vaak zaten de boeren, met de bijbel in de hand, op hun charpoy, en terwijl zij een watergekoelde pijp met een 50 tot 100 centimeter lange steel rookten, zochten zij elke schriftplaats op die wij bij onze uitleg van Gods waarheden aanhaalden. De bijeenkomsten in de buitenlucht bleken ideaal te zijn, omdat het bijna het hele jaar droog was. Hoewel de meeste Europeanen te snobistisch waren om zulke bijeenkomsten bij te wonen, vonden de Indiërs elke vergaderplaats geschikt.

Wij deden ons best om in zoveel mogelijk talen lectuur te publiceren. Vooral de brochure World Distress in het Kanarees was een succes. Hierdoor kwam de uitgever van een Kanarees religieus tijdschrift ertoe ons om artikelen voor zijn blad te vragen, en een tijdlang verschaften wij elke veertien dagen een aflevering van het boek Bevrijding.

Tussen 1926 en 1938 werd er door enthousiaste pioniers op grote schaal gepredikt. Wij legden afstanden af van duizenden kilometers en verspreidden enorme hoeveelheden lectuur, maar de toename was gering. In 1938 waren er in 24 ver uiteenliggende gemeenten in heel India slechts 18 pioniers en 273 verkondigers.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog

In 1939 brak de Tweede Wereldoorlog uit, maar wij gingen gewoon door met onze prediking. In feite werd vroeg in 1940 een begin gemaakt met het straat-getuigeniswerk. Zelfs onze Indiase zusters namen eraan deel, wat met het oog op de plaatselijke gebruiken opmerkelijk is. Jaren later zei een vrouw die bijbelstudie had tot een Getuige die haar vroeg aan dit werk deel te nemen: „Ik ben een Indiase, en ik mag niet in gesprek met een man op straat worden gezien, anders zou ik mij voor de hele buurt te schande maken. Ik mag met geen enkele man op straat spreken, zelfs niet met een familielid.” Toch zijn onze christelijke zusters in India ijverige openbare predikers geworden.

In die vroege jaren werden er ook congressen georganiseerd. De ochtenden werden besteed aan de velddienst, waarbij voornamelijk vele kilometers werden gelopen om bewoners en voorbijgangers voor de openbare lezing uit te nodigen. Tijdens een van de congressen, waarvan de zittingen onder een afdak van bamboestaken en palmbladeren werden gehouden, werd de openbare lezing door 300 personen bijgewoond. Maar het had niet veel zin een specifieke aanvangstijd te noemen, aangezien weinig mensen een klok of horloge bezaten. Zij kwamen gewoon langs wanneer zij er zin in hadden, en het programma begon wanneer er voldoende aanwezigen waren. Tijdens de vergadering bleven er laatkomers binnendruppelen.

Het programma duurde gewoonlijk tot tien uur ’s avonds, en dan moesten velen verscheidene kilometers lopen voordat zij thuis waren. Was er maanlicht, dan was dit meegenomen; het was koel en aangenaam. Als de maan niet scheen, raapten de mensen een palmblad op en draaiden het ineen tot een fakkel. Wanneer deze werd aangestoken, verspreidde ze een rossige gloed. Als er meer licht nodig was, werd de fakkel in de lucht rondgezwaaid totdat er vlammen uitsloegen. Dit gaf voldoende licht om over de oneffen grond de weg te vinden.

Omstreeks deze tijd werd de invoer van de lectuur van het Genootschap in India en op Ceylon van regeringswege verboden. Onze kleine drukpers in Travancore werd in beslag genomen en de centrale regering vaardigde een bevel uit waarin het drukken van onze lectuur onwettig werd verklaard. Later, in 1944, behandelde een van onze broeders die als fysiotherapeut werkzaam was, Sir Srivastava, een van de ministers in het kabinet van de onderkoning, en bracht het onderwerp van de verbodsbepaling ter sprake.

„Maakt u zich maar niet bezorgd”, kreeg onze broeder te horen. Sir Srivastava legde hem uit dat de heer Jenkins (een minister die ons werk ongunstig gezind was) binnenkort met pensioen zou gaan en door een goede vriend van Sir Srivastava vervangen zou worden. „U kunt de heer Skinner verzoeken hierheen te komen”, moedigde Sir Srivastava hem aan, „en dan zal ik hem aan Sir Francis Mudie [Jenkins’ vervanger] voorstellen.” Na verloop van tijd werd ik geroepen; ik sprak met de heer Mudie, en op 9 december 1944 werd het verbod officieel opgeheven.

Redenen tot vreugde

Een bijzonder vreugdevolle omstandigheid deed zich voor in 1947, toen de eerste op Gilead opgeleide zendelingen in India arriveerden. Hun komst viel samen met een kritieke tijd in de Indiase geschiedenis, aangezien India in datzelfde jaar, op 15 augustus, onafhankelijk werd van het Britse bestuur. Toen het land uiteenviel in de hindoestaat India en de moslimstaat Pakistan, vonden er bloedige moordpartijen plaats. Ondanks dit alles werden twee afgestudeerden van Gilead naar Pakistan gestuurd, dat op 14 augustus een onafhankelijke natie was geworden. Al gauw werkten nog tien zendelingen in India zelf, terwijl in de volgende jaren nog veel meer zendelingen arriveerden om hulp te bieden.

Mijn vreugde nam nog toe toen er organisatorische procedures werden doorgevoerd. Het kringwerk begon in 1955, toen broeder Dick Cotterill, een afgestudeerde van Gilead, als de eerste kringopziener werd aangesteld. Tot aan zijn dood in 1988 heeft hij getrouw dienst verricht. Vervolgens hadden wij in 1960 onze eerste geregelde districtsopzienersregeling, die er veel toe heeft bijgedragen dat de kringen werden geholpen. Na 1966 werden er geen buitenlandse zendelingen meer in het land toegelaten. Maar al gauw ging het speciale pionierswerk van start en werden bekwame Indiase pioniers naar veel delen van India gezonden. Thans zijn meer dan 300 van hen in deze tak van dienst werkzaam.

Het heeft nog tot 1958 geduurd eer wij ten slotte het aantal van 1000 Koninkrijksverkondigers bereikten. Maar toen kwam er schot in de toename en nu hebben wij ruim 9000 verkondigers. Bovendien toont het bezoekersaantal van 24.144 dat in 1989 de Gedachtenisviering in India bijwoonde, dat nog veel meer geïnteresseerden hulp zoeken. Op Sri Lanka is nu een apart bijkantoor. Wat is het verheugend te zien dat het aantal Getuigen daar is toegenomen van slechts twee verkondigers in 1944 tot ver over de 1000 in deze tijd, ondanks de nog steeds voortdurende gevechten in hun land.

De groei in verkondigers heeft ook tot uitbreiding van ons bijkantoor geleid. Na 52 jaar in het bedrijvige Bombay geweest te zijn, werd ons bijkantoor in 1978 verplaatst naar de nabijgelegen stad Lonavla. Ik heb nooit kunnen dromen dat wij een moderne uitrusting zouden hebben zoals de MEPS-computers en een grote tweekleurenpers om lectuur in de vele Indiase talen te drukken. Op het ogenblik publiceren wij De Wachttoren in negen talen en andere lectuur in twintig verschillende talen.

Onnodig te zeggen dat de tijd van ons door twee personen bemande bijkantoor ver achter ons ligt. Nu hebben wij een Bethelfamilie van ruim 60 leden! Op 95-jarige leeftijd ben ik blij nog steeds volle-tijddienst op het bijkantoor te verrichten en dienst te doen als een lid van het Indiase bijkantoorcomité. En het stemt mij vooral enthousiast getuige te mogen zijn van het inzamelingswerk in deze laatste dagen. Het is beslist bijzonder vreugdevol dit mee te maken.

[Illustratie van F. E. Skinner op blz. 28]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen