Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w93 1/8 blz. 21-25
  • Jehovah, mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jehovah, mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik houd mij al vroeg met geestelijke zaken bezig
  • Mijn geestelijke eetlust neemt toe
  • Geestelijke vooruitgang in Birma
  • Een moedig getuigenis
  • Ontsnapping naar India
  • Hoe het verbod werd opgeheven
  • Terug naar het door de oorlog toegetakelde Birma
  • Wij vestigen ons in Australië
  • Vreugde over de oogst in India
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
  • Toegewijd aan Jehovah en de bediening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Op Jehovah vertrouwen met heel mijn hart
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
w93 1/8 blz. 21-25

Jehovah, mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd

ZOALS VERTELD DOOR BASIL TSATOS

Het jaar was 1920, en de plaats: de heuvels van Arcadië op de prachtige Peloponnesos in Griekenland. Ik lag ernstig ziek in bed, met de gevreesde Spaanse griep die de wereld teisterde.

TELKENS wanneer de kerkklokken luidden, besefte ik dat daardoor werd aangekondigd dat er weer een slachtoffer gestorven was. Zou ik de volgende zijn? Gelukkig werd ik weer beter, maar miljoenen herstelden niet. Hoewel ik toen nog maar acht jaar was, staat deze beangstigende ervaring mij nog steeds levendig voor de geest.

Ik houd mij al vroeg met geestelijke zaken bezig

Niet lang daarna stierf Grootvader. Ik herinner mij dat Moeder na de begrafenis bij mijn zusje en mij op de veranda van ons huis kwam zitten. Ongetwijfeld in een poging ons verdriet te verzachten, zei ze rustig: „Tja, kinderen, we moeten allemaal oud worden en sterven.”

Hoewel zij het heel voorzichtig onder woorden bracht, maakten haar woorden mij van streek. ’Wat erg! Wat oneerlijk!’, dacht ik. Maar wij fleurden beiden op toen Moeder eraan toevoegde: „Wanneer de Heer echter terugkomt, zal hij de doden opwekken, en wij zullen niet meer sterven!” Ah, dat schonk troost!

Vanaf dat moment raakte ik er hevig in geïnteresseerd uit te zoeken wanneer die gelukkige tijd precies zou komen. Ik vroeg het aan veel mensen, maar niemand kon het mij vertellen en trouwens, niemand scheen zin te hebben om erover te praten.

Op een dag, toen ik ongeveer twaalf was, ontving mijn vader een boek van zijn broer die in de Verenigde Staten woonde. Het was getiteld De Harp Gods, uitgegeven door het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap. Ik keek de inhoudsopgave in en mijn ogen begonnen te stralen toen ik het hoofdstuk „De Wederkomst des Heeren” zag. Ik las het met grote belangstelling, maar ik was teleurgesteld dat er geen jaartal voor de wederkomst werd genoemd. Het boek gaf echter te kennen dat het niet lang meer zou duren.

Kort daarna ging ik naar de middelbare school en werd door mijn studie in beslag genomen. Van tijd tot tijd stuurde mijn oom in Amerika echter exemplaren van De Wachttoren, die ik graag las. Ook ging ik elke zondag naar de zondagsschool, waar de bisschop ons vaak kwam toespreken.

Op een bepaalde zondag was de bisschop erg opgewonden en hij zei: „Bezoekers vullen onze stad met ketterse publikaties.” Vervolgens hield hij een exemplaar van De Wachttoren omhoog en schreeuwde: „Als een van jullie thuis zulke publikaties vindt, breng ze dan naar de kerk en ik zal ze verbranden.”

Zijn toon stond mij niet aan, maar zijn wraakzuchtige geest nog minder. Ik gaf dan ook geen gehoor aan zijn verzoek. Maar ik schreef mijn oom en vroeg hem geen Wachttoren-publikaties meer te sturen. Toch bleef ik over Christus’ wederkomst nadenken.

Mijn geestelijke eetlust neemt toe

Toen de zomervakantie aanbrak, haalde ik mijn koffer te voorschijn om mijn kleding in te pakken. Op de bodem lagen drie brochures, gedrukt door het Wachttorengenootschap. Om de een of andere reden waren ze mij niet eerder opgevallen. Een ervan was getiteld Waar zijn de Dooden?

’Dat lijkt me interessant’, dacht ik. Hoewel ik mij de waarschuwing van de bisschop herinnerde, besloot ik de brochures zorgvuldig te lezen om de dwalingen te vinden die er volgens mij in stonden. Ik nam een potlood en begon nauwlettend te zoeken. Tot mijn verbazing kwam alles in de brochures redelijk over, en bij elke bewering werden schriftplaatsen geciteerd, zodat de lezer de bijbel kon raadplegen.

Aangezien wij geen bijbel hadden, vroeg ik mij af of de geciteerde schriftplaatsen niet verkeerd waren gebruikt om het doel van de schrijvers te dienen. Daarom schreef ik mijn oom en vroeg hem mij een exemplaar van de hele bijbel te sturen. Hij deed dat prompt. Ik las de bijbel van begin tot eind twee keer door, en hoewel er veel was wat ik niet begreep, werd ik geïntrigeerd door de boeken Daniël en Openbaring. Ik wilde de dingen die erin werden voorzegd, begrijpen, maar er was niemand die mij kon helpen.

Ik ging in 1929 van school en kort daarna stuurde mijn oom in Amerika mij weer exemplaren van De Wachttoren. Ik begon het tijdschrift steeds interessanter te vinden en vroeg hem het mij geregeld toe te zenden. Ik ging ook met anderen over de hoop voor de toekomst praten die ik uit de tijdschriften leerde. Maar toen vond er een ingrijpende verandering in mijn leven plaats.

Geestelijke vooruitgang in Birma

De broers van mijn moeder waren naar Birma (nu Myanmar) geëmigreerd, en de familie besloot dat ik door naar hen toe te gaan, mijn horizon zou verruimen en misschien kansen in de zakenwereld zou krijgen. Het Oosten had mij altijd al gefascineerd, dus ik was opgewonden bij het vooruitzicht daarheen te gaan. In Birma bleef ik De Wachttoren van mijn oom ontvangen, maar ik ontmoette nooit een van de Bijbelonderzoekers zelf, zoals Jehovah’s Getuigen toentertijd werden genoemd.

Op een dag was ik verrukt in De Wachttoren een advertentie te zien voor de twee delen van het boek Light (Licht), waarin het bijbelboek Openbaring werd uitgelegd. Daarnaast kwam ik te weten dat de activiteiten van de Bijbelonderzoekers in Birma onder het Indiase bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Bombay vielen. Ik schreef meteen om de twee delen van het boek Light te bestellen en ook om te vragen of er Bijbelonderzoekers uit India naar Birma gestuurd konden worden voor de prediking.

De boeken kwamen prompt per post aan, en ongeveer een week later werd ik door plaatselijke Birmese Bijbelonderzoekers bezocht. Ik was blij te horen dat er zich waar ik woonde in Rangoon (nu Yangon), de hoofdstad van Birma, een kleine groep van hen bevond. Zij nodigden mij uit naar hun geregelde bijbelstudieklas te komen en ook met hen van huis tot huis te prediken. In het begin was ik wat huiverig, maar al gauw begon ik het fijn te vinden bijbelkennis met boeddhisten, hindoes, moslims en ook met naamchristenen te delen.

Het Indiase bijkantoor zond vervolgens twee volle-tijdbedienaren (pioniers genoemd), Ewart Francis en Randall Hopley, naar Rangoon. Beiden kwamen oorspronkelijk uit Engeland maar hadden al enkele jaren in India gediend. Zij hebben mij bijzonder aangemoedigd, en in 1934 liet ik mij als een symbool van mijn opdracht aan Jehovah dopen.

Een moedig getuigenis

Mettertijd zond het Indiase bijkantoor nog meer pioniers naar Birma. Twee van hen, Claude Goodman en Ron Tippin, bezochten een spoorwegstation en spraken met Sydney Coote, de stationschef. Hij nam de boeken, las ze door en schreef naar zijn getrouwde zuster, Daisy D’Souza, in Mandalay. Ook zij vond de boeken interessant en vroeg om meer lectuur.

Daisy, die een praktizerend katholiek was, bezat een buitengewone moed. Zij ging haar buren bezoeken en hun vertellen over de dingen die zij leerde. En toen zij door de pastoor werd bezocht, die haar vroeg waarom zij niet meer naar de kerk ging, liet zij hem zien dat de dingen die hij onderwees, zoals een brandende hel, niet door de bijbel werden ondersteund.

Ten slotte vroeg hij haar: „Hoe kan ik, na al die jaren dat ik hun over een brandende hel heb verteld, nu tegen hen zeggen dat die niet bestaat? Dan wil niemand meer naar de kerk komen.”

„Als u een eerlijk christen bent,” antwoordde Daisy, „dan zult u hun de waarheid onderwijzen, ongeacht de consequenties.” Daarna voegde zij eraan toe: „Als u het niet doet, dan doe ik het!” En dat deed zij.

Dick, Daisy en hun twee oudste dochters werden tegelijk met mij in Rangoon gedoopt. Drie jaar later, in 1937, trouwde ik met hun tweede dochter, Phyllis.

Ontsnapping naar India

In de Tweede Wereldoorlog viel het Japanse leger Birma binnen, en Rangoon werd op 8 maart 1942 ingenomen. Buitenlanders werden gedwongen overijld naar India uit te wijken. Honderden probeerden het via het oerwoud, maar velen kwamen onderweg om. Ik kende toevallig de ambtenaar die met de evacuatie belast was persoonlijk, dus kon ik plaatsen bemachtigen op een van de laatste vrachtschepen die uit Rangoon naar Calcutta zouden vertrekken. Het was voor ons allemaal een verdrietig moment ons huis en het merendeel van onze bezittingen in zo’n haast achter te laten. Birma stond van 1942 tot 1945 onder Japanse bezetting.

Wij hadden weinig geld toen wij India bereikten, en werk vinden was niet gemakkelijk. Dit was een beproeving op ons geloof. Ik maakte kennis met een Britse officier die mij een winstgevende non-combattante baan aanbood, maar het betekende wel dat ik als een deel van het militaire apparaat dienst moest verrichten. Met Jehovah’s hulp kon ik het aanbod afslaan en zo een rein christelijk geweten behouden (Jesaja 2:2-4). Ook in andere opzichten voelden wij de liefdevolle hand van Jehovah.

Wij vestigden ons in New Delhi, de hoofdstad van India, waar het bijna onmogelijk was huisvesting te vinden. Toch vonden wij een ruime flat precies in het centrum van de stad. Er was een grote zitkamer met een aparte ingang, en deze ruimte diende de volgende paar jaar als de Koninkrijkszaal voor de gemeente Delhi van Jehovah’s Getuigen. Maar omdat in 1941 alle publikaties van het Wachttorengenootschap in India verboden waren verklaard, konden wij geen bijbelse lectuur verkrijgen.

Hoe het verbod werd opgeheven

Op een zondag in 1943 kregen de kerkgangers in Delhi een pamflet dat door dertien geestelijken van verschillende kerken was ondertekend. Daarin stond de waarschuwing: „BURGERS VAN DELHI, PAS OP VOOR JEHOVAH’S GETUIGEN.” Als reden werd opgegeven dat onze religie in India om politieke redenen verboden was.

Met toestemming van het bijkantoor in Bombay drukten en verspreidden wij snel een pamflet waarin de geestelijken aan de kaak werden gesteld. Aangezien ik de presiderende opziener was, stonden mijn naam en adres onder de krachtig geformuleerde tekst. Kort daarna, toen de politie Margrit Hoffman en mij exemplaren van het pamflet zag uitdelen, werden wij gearresteerd en gevangengezet. Maar al gauw werden wij op borgtocht vrijgelaten.

Later belde Margrit tijdens haar bediening bij het huis van Sir Srivastava aan, een bekende minister in het kabinet van de Indiase onderkoning. Sir Srivastava ontving haar gastvrij en tijdens het gesprek vertelde zij hem dat onze lectuur ten onrechte verboden was in India. Die dag ontmoette Margrit toevallig ook een parlementslid van de deelstaat Madras. Hij was in de stad om een parlementsvergadering bij te wonen. Zij vertelde hem hoe onrechtvaardig het was dat onze lectuur verboden was, en hij beloofde de kwestie op een komende vergadering ter sprake te brengen.

Destijds werkte ik als fysiotherapeut in een plaatselijk ziekenhuis. Welnu, het geval wilde dat Sir Srivastava een verwonding had opgelopen, en het ziekenhuis stuurde mij om te zien of fysiotherapie hem kon helpen. Ik bemerkte dat Sir Srivastava een vriendelijk mens was, en tijdens ons gesprek vertelde ik terloops dat juffrouw Hoffman en ik op borgtocht waren vrijgelaten uit de gevangenis. Ik legde uit dat vanwege de druk van de geestelijken onze bijbelse lectuur op politieke gronden verboden was maar dat wij ons absoluut afzijdig hielden van politiek. De vertegenwoordiger van ons bijkantoor, Edwin Skinner, zo vervolgde ik, had om een onderhoud gevraagd teneinde ons standpunt uiteen te zetten, maar dat verzoek was afgewezen.

Een paar dagen later zei Sir Srivastava tegen mij: „Mijnheer Jenkins [de regeringsfunctionaris die ons werk niet gunstig gezind was] gaat binnen enkele dagen met pensioen en hij wordt opgevolgd door Sir Francis Mudie. Vraag mijnheer Skinner hierheen te komen, dan zal ik hem aan Sir Francis voorstellen.”

Sir Srivastava regelde de ontmoeting zoals hij had beloofd. Tijdens die ontmoeting zei Sir Francis Mudie tegen broeder Skinner: „Ik kan u niets beloven, maar ik zal me over de kwestie buigen.” Aangezien het parlement binnen een paar dagen zitting zou nemen, bleef broeder Skinner daar om te zien hoe het zou aflopen. Het parlementslid uit Madras hield zich aan zijn woord en stond op en vroeg: „Is het waar dat de publikaties van het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap om politieke redenen verboden zijn?”

„Nee, het verbod was uit voorzorg opgelegd,” antwoordde Sir Francis Mudie, „maar de regering heeft nu besloten het verbod op te heffen.”

Wat was het een opwindend moment voor ons toen wij dat nieuws hoorden! Een week later ontving het bijkantoor in Bombay een brief waarin werd bevestigd dat het verbod was opgeheven.

Terug naar het door de oorlog toegetakelde Birma

Na de Tweede Wereldoorlog kwam Birma weer onder Brits bestuur te staan, en tien van ons, Getuigen, gingen een paar maanden daarna terug naar Rangoon. Wij waren blij de enkele overgebleven plaatselijke Getuigen weer te zien. Het land bevond zich in een betreurenswaardige toestand. Openbare diensten, waaronder elektriciteit en openbaar vervoer, waren niet beschikbaar. Wij kochten dus een jeep van het leger en maakten er goed gebruik van door mensen naar de vergaderingen te rijden die wij kort na onze terugkomst hadden georganiseerd.

Een geïnteresseerde bood ons een stuk grond aan en met de hulp van vriendelijke mensen in de buurt bouwden wij een vrij grote Koninkrijkszaal. Het gebouw bestond uit dikke bamboepalen, met matten bedekte bamboemuren en een rieten dak. Hier hielden in april 1947 Nathan H. Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, en zijn secretaris, Milton G. Henschel, tijdens hun bezoek aan Rangoon lezingen. Toentertijd waren er in heel Birma 19 Getuigen. Maar de openbare lezing van broeder Knorr, gehouden in de New Excelsior Theatre, werd door 287 personen bijgewoond!

Wij vestigen ons in Australië

Op 4 januari 1948 werd Birma onafhankelijk van Groot-Brittannië, en de meeste Europeanen vonden dat zij het beste het land konden verlaten. Na de zaak gebedsvol beschouwd te hebben, besloten Phyllis en ik om met onze dochter naar Australië te emigreren. Wij vestigden ons in Perth, de hoofdstad van West-Australië.

Het was voor ons een heel verdrietig moment om Birma opnieuw te verlaten, en deze keer voorgoed. Van tijd tot tijd hoorden wij wat van onze dierbare vrienden daar, en wij waren blij te weten dat het Koninkrijkswerk in dat land gestadig vooruitging.

Vanaf 1978 hadden wij het genoegen vier jaar lang alle Griekssprekende gemeenten in de grote steden van Australië te bedienen. Dit betekende veel reizen, aangezien het van de westkust naar de oostkust van dit grote land meer dan 4200 kilometer is. Na een tijdje veroorzaakte het klimaat, dat van staat tot staat aanzienlijk verschilt, een achteruitgang in onze gezondheid. Wij vestigden ons dus weer in Perth, waar ik in een van de 44 gemeenten van de stad nog steeds als ouderling dien.

Naarmate de jaren zijn verstreken, ben ik slechter gaan zien, en ik kan met moeite lezen. Maar ondanks onze gezondheidsproblemen is ons hart nog jong. Wij wachten beiden vol vertrouwen op de gelukkige dag dat allen die Jehovah vrezen, zullen meemaken dat de zon van zijn gunst gaat „schijnen, met genezing in haar vleugelen; en [wij zullen] werkelijk uitgaan en de grond omwoelen als mestkalveren.” — Maleachi 4:2.a

[Voetnoot]

a Op 13 december 1992, terwijl de laatste hand werd gelegd aan deze levensgeschiedenis, is broeder Tsatos overleden.

[Illustratie op blz. 24]

Mijn gezin met de broeders Henschel en Knorr in Birma (Myanmar) in 1947

[Illustratie op blz. 25]

Basil Tsatos en zijn vrouw Phyllis in Australië

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen