Inzicht in het nieuws
’Opnieuw bezien’
In Genesis 1:1 staat: „In het begin schiep God de hemel en de aarde.” Geleerden die de evolutietheorie voorstaan, leveren al ruim een eeuw kritiek op dit bijbelvers. Maar „velen van hen bezien dit vroegste, krachtigste pleidooi voor het bestaan van een Schepper thans opnieuw”, bericht The Orange County Register, een krant die in Californië (VS) verschijnt.
Het artikel maakt bijvoorbeeld melding van wat de Australische bioloog Michael Denton in zijn boek Evolution: A Theory in Crisis opmerkt. Hij beweert dat er, sinds de tijd dat Darwin zijn boek De oorsprong der soorten publiceerde tot nu toe, geen enkel bewijs ter ondersteuning van Darwins theorie is geleverd.
Evenzo citeert de Register het boek The Mystery of Life’s Origins: Reassessing Current Theories, geschreven door drie geleerden. Volgens de krant leggen zij uit dat het leven niet bij toeval ontstaan kan zijn en „betogen [zij] dat een ’Schepper buiten de kosmos’ de meest plausibele verklaring voor de oorsprong van het leven vormt”. Ter ondersteuning van deze zienswijze vermeldt het artikel dat de Britse astronoom Fred Hoyle „alom wordt geciteerd gezien zijn uitspraak ’Veronderstellen dat de eerste cel bij toeval is ontstaan, komt neer op veronderstellen dat een tornado die door een dumphandel vol vliegtuigonderdelen raast, een Boeing 747 zou kunnen produceren’”.
Voor een aantal geleerden is het bewijs ter ondersteuning van een Opperste Oorzaak onmiskenbaar duidelijk. Maar hoe staat het met degenen die het bestaan van een Schepper blijven ontkennen? Zulke personen doen er goed aan de volgende, door de profeet Jesaja opgetekende woorden te beschouwen: „Die verkeerdheid van u! Dient de pottenbakker zelf soms net als het leem geacht te worden? Want dient het maaksel soms betreffende zijn maker te zeggen: ’Hij heeft mij niet gemaakt’?” — Jesaja 29:16.
Een dodelijke obsessie
In januari van dit jaar werd de seriemoordenaar Theodore Robert Bundy op de elektrische stoel van de Florida State-gevangenis geëxecuteerd. Hij was in verband gebracht met de beestachtige moord op maar liefst 36 vrouwen, hoewel autoriteiten vermoeden dat het er wel 100 zouden kunnen zijn.
In een interview vóór zijn terechtstelling gaf Bundy toe dat pornografie in grote mate tot zijn criminele gedrag had bijgedragen. Volgens dr. James Dobson, die het interview afnam, „wist hij al op twaalf- of dertienjarige leeftijd in drugstores en zelfs op straat aan pornografie te komen en raakte hij verslaafd, geobsedeerd”, bericht de Daily News.
Bundy’s bekentenis komt overeen met de woorden van Arthur Gary Bishop, eveneens een veroordeelde moordenaar, die vorig jaar werd geëxecuteerd wegens lustmoord op vijf jongens. Volgens The Tribune, een in San Diego (Californië) verschijnende krant, beweerde Bishop dat pornografie „’verwoestend’ voor hem was als jongen en tot zijn ondergang had geleid”. Bishop citeerde een psycholoog die tijdens zijn rechtszaak getuigde dat „als mensen verslaafd raken [aan pornografie], hun begeerten escaleren, hun normale gevoelens worden verdoofd en zij geneigd zijn datgene wat zij hebben gezien in praktijk te brengen”. Bishop erkende: „Zo is het bij mij gegaan. Ik ben een van moord beschuldigde homoseksuele pedofiel, en pornografie is een beslissende factor in mijn ondergang geweest.”
Hoewel moordenaars die bekend hebben, toegeven dat pornografie verwoestend is, bezien veel mensen pornografie nog steeds als onschadelijke ontspanning. Op zulke personen is de waarschuwing in Jesaja 5:20 goed van toepassing: „Wee hun die zeggen dat goed slecht is en slecht goed, die duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis.”
Geen mysterie
Phyllis Smith, voorgangster van de United Church, beweert dat het geloof van sommige geestelijken kennelijk wordt bedreigd door de vragen van terminale patiënten, aldus The Toronto Star, een Canadees nieuwsblad. Volgens Smith „stellen stervende mensen vragen over de mysteries van leven en dood die niemand begrijpt”. Zij zegt: „Wij behoeven ons niet bedreigd te voelen enkel omdat wij menen alle antwoorden te moeten hebben.” Als er moeilijke vragen over geestelijke zaken rijzen, ’hoeven geestelijken God niet te verdedigen’, aldus Smith.
Hoewel het waar is dat mensen misschien niet altijd alle antwoorden op vragen over leven en dood hebben, heeft de bijbel deze wel. Dienen degenen die beweren dienaren van God te zijn, niet te weten wat zijn Woord zegt? De apostel Petrus zei dat medegelovigen altijd ’gereed dienen te zijn zich te verdedigen voor een ieder die van hen een reden verlangt voor de hoop die in hen is’ (1 Petrus 3:15). De eerste christenen hadden er geen moeite mee te begrijpen wat de toestand van de doden is of welke toekomstverwachtingen de stervende mensheid heeft. Zij wisten dat Prediker 9:5 zegt: „De levenden zijn zich ervan bewust dat zij zullen sterven; maar wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust.” En Jezus zei tot zijn volgelingen: „Het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen en te voorschijn zullen komen” (Johannes 5:28, 29). Voor ware dienaren van God vormen leven en dood geen mysterie.