Het sociale evangelie — Hoe het mensen beïnvloedt
DOOR de vijf gerstebroden en de twee visjes waarover Jezus Christus aanvankelijk slechts beschikte, op wonderbare wijze te vermenigvuldigen, kon hij omstreeks de paschatijd (maart-april) van het jaar 32 G.T. een menigte van ruim 5000 mannen, vrouwen en kinderen te eten geven (Matthéüs 14:14-21; Johannes 6:1-13). Aangezien de mensen beseften over welke enorme mogelijkheden Jezus beschikte, wilden zij hem tot hun koning maken. Misschien dachten zij wel dat hij hen van het Romeinse juk zou bevrijden en hun levenslot zou verbeteren. Hoe reageerde Jezus hierop?
In plaats van de wens van het volk in te willigen, trok Jezus „zich weer op de berg terug, geheel alleen” (Johannes 6:15). Maar de schare gaf het niet zo gemakkelijk op. Zij kwamen de volgende dag weer bij hem. Aangezien Jezus hun bijbedoelingen onderkende, zei hij tot hen: „Gij zoekt mij niet omdat gij tekenen hebt gezien, maar omdat gij van de broden hebt gegeten en verzadigd zijt geworden.” Vervolgens zei hij: „Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft voor het eeuwige leven.” — Johannes 6:25-27.
Wat kunnen wij uit dit verslag leren? Er wordt onder andere duidelijk door aangetoond dat het betrekkelijk gemakkelijk is mensen door middel van materiële voordelen voor zich te winnen. Echte waardering aankweken voor geestelijke zaken — zaken van blijvende waarde — is echter iets heel anders. In deze tijd is de neiging om de dingen vanuit een louter materialistisch standpunt te bezien, nog groter.
De grote aantrekkingskracht van het sociale evangelie
In de ogen van de bevolking in de ontwikkelingslanden vertegenwoordigen de vooruitstrevende westerse natiën alle gelegenheden en materiële voordelen die men zich maar zou kunnen wensen — gelegenheden die in hun eigen land niet bestaan. De voorspoed wordt benijd, de levensstijl nagevolgd. De gelegenheid hoger onderwijs te ontvangen, wordt vrijwel iedere student voorgehouden als een sleutel tot vooruitgang en succes. Tegen een dergelijke achtergrond is het niet moeilijk te begrijpen waarom de sociale programma’s van de buitenlandse kerken in deze landen zo’n grote aantrekkingskracht uitoefenen. Maar wat zijn de resultaten?
In het Oosten bijvoorbeeld heeft de bereidheid van de mensen om ongeveer alles te doen wat de kerken van hen verlangen om maar voor de liefdegaven of aalmoezen in aanmerking te komen, aanleiding gegeven tot het verachtelijke etiket „rijstchristenen”. Het droevigste aspect is natuurlijk dat als zulke hulp of ondersteuning ophoudt, ook de belangstelling van de mensen verdwijnt. Veel rijstchristenen verdwijnen gewoon van het toneel. Onder de Kantonezen bestaat dan ook een populair gezegde dat ongeveer als volgt vertaald zou kunnen worden: „God heeft de wereld lief, maar de wereld houdt van poedermelk.”
Hoewel de meeste kerkgroeperingen niet langer hulpprogramma’s uitvoeren, behalve misschien als er zich een ramp heeft voorgedaan, heeft datgene wat in het verleden is gebeurd, een duidelijke invloed nagelaten. Voor veel oosterlingen zijn kerken synoniem met liefdadigheidsorganisaties, en de enige reden om naar de kerk te gaan, is iets te ontvangen, niet iets te geven. Zij zien niet de noodzaak in persoonlijke offers voor de kerk te brengen. Deze houding blijkt bijvoorbeeld uit hun tegenzin een bijdrage te geven voor bijbelse lectuur, omdat zij van mening zijn dat iets wat door een kerk wordt verschaft, gratis dient te zijn.
Dat de kerk wordt gebruikt als een middel om een doel te bereiken, kan het gemakkelijkst worden gezien op het terrein van het onderwijs. In veel ontwikkelingslanden wordt het verwerven van een op westerse leest geschoeide opleiding als een stellige weg tot roem en succes beschouwd. Toen India onafhankelijkheid verwierf van Groot-Brittannië, had volgens één bron 85 procent van de parlementsleden van die natie een „christelijke school” bezocht. En volgens de idealen van het confucianisme behoort in het verre Oosten een goede ontwikkeling tot de hoogste doeleinden in het leven. Uiteraard bezien velen de religieuze scholen, die gewoonlijk gebruik maken van westerse methoden en maatstaven, als een middel om hogerop te komen in de wereld. En in de hoop dat hun kinderen een door de kerk beheerde school kunnen bezoeken en misschien later in het buitenland kunnen studeren, gaan in het Oosten veel ouders die normaal een van de traditionele religies volgen, opgewekt zelf naar de kerk en sporen zij hun kinderen aan dit eveneens te doen.
Wat zijn de vruchten?
In vergelijking met de kerken in het moederland worden de missiekerken over het algemeen goed bezocht. Veel mensen komen aldus in aanraking met kerkelijke leerstellingen en krijgen een bepaald idee van het christendom. Maar heeft dit contact hen geholpen de bijbel en zijn boodschap te begrijpen? Heeft het hen werkelijk tot christenen gemaakt, dat wil zeggen, tot volgelingen van Jezus Christus?
Neem bijvoorbeeld Kuo Tung, de eerder genoemde jongeman. Toen hem werd gevraagd of hij nu, na enige tijd de kerk bezocht te hebben, in God geloofde, antwoordde hij: „Nee. Het bewijs dat God bestaat, is nooit ter sprake gekomen.” Hij gaf zelfs toe dat hij er niet zeker van was of ook maar een van zijn vrienden in God als een persoon geloofde, ook al hadden zij samen met hem de kerk bezocht. Zij gingen alleen maar mee omdat zij daardoor de gelegenheid kregen Engels te leren, zei hij.
Een andere jongeman, die in de Verenigde Staten aan een hogere onderwijsinstelling studeert, kwam voor vakantie thuis. Toen een van Jehovah’s Getuigen hem bezocht, vroeg hij of de Getuigen hun vergaderingen in het Engels hielden. Waarom wilde hij dit weten? „Omdat ik mijn Engels wil bijhouden”, zei hij. Toen hem werd verteld dat de vergaderingen in de plaatselijke taal werden gehouden opdat allen er in geestelijk opzicht van konden profiteren, zei de jongeman dat hij daar zou gaan waar tweemaal per week Engelse vergaderingen werden gehouden.
Zelfs personen die gedoopte kerklidmaten zijn geworden, blijken weinig in hun opvattingen veranderd te zijn. Velen van hen houden nog steeds vast aan hun vroegere geloofsovertuigingen of -praktijken, vaak met de goedkeuring, zo niet ook de zegen, van hun kerk. In China wordt het rooms-katholieken bijvoorbeeld toegestaan hun voorouderverering te blijven beoefenen, hoewel dit elders wordt verboden. Vaak ziet men bij de deuropening van „christelijke” huizen een metalen of porseleinen plaat waarop de zegen van de deurgod wordt afgesmeekt. En in Okinawa worden op de hoeken van de daken afbeeldingen van inheemse diergoden geplaatst opdat ze het gezin kunnen beschermen.
Hoe staat het met degenen die profijt hebben getrokken van de kerkprogramma’s? Nu zij zich verheugen in hun pasgevonden financiële en materiële zekerheid, is het niet ongewoon hen te horen zeggen dat de oplossing voor de huidige problemen is, vertrouwen te stellen in zichzelf. Het resultaat is dat velen van hen zich hetzij helemaal hebben losgemaakt van elke kerkelijke betrokkenheid of zich er, in het gunstigste geval, zoveel mogelijk van hebben gedistantieerd.
De zendelingen van de kerken hebben veel schitterende gelegenheden gehad om de mensen in de bijbelse leer te onderwijzen. Toch hebben zij hun niet geleerd acht te slaan op Jezus’ vermaning om „eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid [te] zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd”, maar hebben in plaats daarvan de nadruk gelegd op de „andere dingen” (Matthéüs 6:33). Via hun sociale programma’s hebben zij veel gedaan om de mensen fysiek, medisch en op het gebied van onderwijs te helpen, maar de voordelen liggen voornamelijk op het wereldlijke vlak. Als er geen geestelijke visie wordt verschaft, worden zulke programma’s vaak uitsluitend een aansporing om naar meer wereldse voordelen te streven.
Aanvankelijk zijn de kerken ermee begonnen het evangelie te prediken. Maar het resultaat is in veel gevallen geweest dat de westerse, materialistische levenswijze werd bevorderd. Ja, ze hebben veel bekeerlingen gemaakt. Maar zoals wij hebben gezien, zijn veel van deze mensen uiteindelijk wereldser en materialistischer gezind geworden dan ooit. Jezus zei in zijn tijd over de religieuze leiders: „Gij doorkruist de zee en het droge land om één proseliet te maken, en wanneer hij er een wordt, maakt gij hem tot een voorwerp voor Gehenna, tweemaal zo erg als gijzelf” (Matthéüs 23:15). In dit opzicht hebben de inspanningen van de christenheid om het evangelie via sociale middelen te prediken, een averechtse uitwerking gehad. Ze voldoen geenszins aan de grootse, door Jezus Christus gegeven opdracht: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, . . . en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb.” — Matthéüs 28:19, 20.