Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w86 1/12 blz. 25-27
  • De pioniersdienst bezielde mijn leven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De pioniersdienst bezielde mijn leven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een andere zendingsopdracht
  • De pioniersgeest in het gezin
  • 1914 — Een onvergetelijk jaar
  • Op pad met het goede nieuws
  • Aan de pioniersdienst vasthouden
  • Wat is je hartewens?
    Koninkrijksdienst 1974
  • Ik wilde ’met God wandelen’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • ’Eerst het koninkrijk zoeken’
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
w86 1/12 blz. 25-27

De pioniersdienst bezielde mijn leven

Zoals verteld door Arthur Gustavsson

HOOG in het met sneeuw bedekte Himalajagebergte leerden mijn ouders, Fred en Amanda Gustavsson, de in Gods Woord de bijbel vervatte waarheid kennen. Dit gebeurde in 1903, toen mijn moeder in verwachting was van mij. Wat deden mijn ouders daar in dat hoge bergland, zo ver van hun geboorteland Zweden vandaan?

In 1880 waren zij van Zweden naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Beiden bezaten een krachtig geloof in God. Zij sloten zich aan bij het Scandinavische Missiegenootschap in Chicago. Na een opleidingsperiode werden zij als zendelingen naar Baltistan gestuurd, dat zich nu in het uiterste noorden van Pakistan bevindt. Al gauw bemerkten zij echter dat het erg moeilijk was de moslims tot de leringen van de christenheid te bekeren. Zij begonnen er zelf aan te twijfelen of God werkelijk zo wreed kon zijn die hartelijke, gastvrije mensen tot een eeuwige straf in het hellevuur te veroordelen als zij zich niet bekeerden. Zij konden toen in de verste verte niet vermoeden dat hun geest op iets beters werd voorbereid.

Na verloop van tijd ontvingen zij van een vriend in de Verenigde Staten een boek waardoor hun denkwijze volledig veranderde. Het was Het Goddelijk Plan der Eeuwen, door Charles T. Russell, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap. Zij lazen het, en het was alsof hun de schellen van de ogen vielen. Zij zagen duidelijk dat het loon van de zonde de dood is, geen eeuwige pijniging (Romeinen 6:23). Nu hadden zij een positieve boodschap van hoop voor de mensen — dat Gods koninkrijk de aarde in een paradijs zal veranderen.

Een andere zendingsopdracht

Omstreeks die tijd werd ik in Shigar (Baltistan) geboren. Mijn zuster Mirjam kwam niet lang daarna ter wereld. Mijn ouders hadden besloten dat zij onder leiding van het Wachttorengenootschap wilden werken om de nieuwe waarheid die zij hadden gevonden, bekend te maken. Door omstandigheden moesten zij in 1908 echter weer naar Zweden verhuizen. Daar begonnen zij in Göteborg als colporteurs, zoals volle-tijdbedienaren destijds genoemd werden, het „goede nieuws van het koninkrijk” te prediken (Matthéüs 24:14). Gedurende de eerste tien jaar hebben zij de hele stad driemaal in hun van-huis-tot-huisbediening bewerkt. Veel mensen aanvaardden de waarheid.

Ik kan me een zekere mevrouw Hanna Gunnarsson herinneren, die heel verontwaardigd reageerde toen mijn vader zei dat de bijbel niet leert dat de mens een onsterfelijke ziel heeft. Zij riep uit: „Als wij geen onsterfelijke ziel hebben, kun je je net zo goed in de beek verdrinken!” Mijn vader glimlachte alleen maar vriendelijk en gaf haar de brochure Wat leert de Heilige Schrift omtrent de Hel? Later werden zij en haar dochters Getuigen. Dat voorval heeft mij geleerd nooit van streek te raken, ongeacht wat mensen eventueel zeggen.

Toen ik tien jaar was, kwam broeder Rutherford naar Göteborg om de openbare lezing „Waar zijn de doden?” te houden. Tijdens zijn voordracht loofde hij $1000 uit voor iedereen in het publiek die kon bewijzen dat de mens een onsterfelijke ziel heeft. Niemand nam de uitdaging aan.

De pioniersgeest in het gezin

Door het voortreffelijke voorbeeld van mijn ouders was ik al gauw met de pioniersgeest bezield. Ik begon op jeugdige leeftijd aan de bediening deel te nemen. Mijn vader liet mij strooibiljetten uitdelen waarop de openbare lezingen werden aangekondigd. Ik had hier plezier in en deed enkele ongewone ervaringen op. Eens ging ik naar mijn onderwijzeres om haar voor een lezing uit te nodigen. Zij weigerde nors het strooibiljet aan te nemen. Ik was zo verbouwereerd dat ik struikelde en van de trap viel. Het was een les die mij leerde realistisch te zijn. De mensen zijn niet altijd zoals wij graag willen dat zij zijn.

Ons huis werd als een pioniershuis, waarin iedereen zijn taak had. Mijn zusje Mirjam en ik waren ons bewust van de belangrijkheid van het predikingswerk dat Vader en Moeder deden. Daarom maakten wij vaak uit onszelf het hele huis schoon als wij uit school kwamen.

Op zestienjarige leeftijd droeg ik mij aan Jehovah op om zijn wil te doen en ik werd tijdens een congres in 1919 in Örebro gedoopt. Het jaar daarop kreeg ik de uitnodiging om samen te werken met het groepje van acht broeders dat op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Zweden werkte. Die jaren van dienst op het bijkantoor hebben het fundament gelegd voor een gedisciplineerd en goed georganiseerd leven in Jehovah’s dienst.

1914 — Een onvergetelijk jaar

Vele jaren vóór 1914 hadden de Bijbelonderzoekers, zoals wij toen genoemd werden, naar dat jaar uitgezien als een bijzonder jaar. Aangezien het een door de bijbelse profetieën gekenmerkt jaar was, verwachtten wij ongewone gebeurtenissen. Ik kan me zondag 2 augustus 1914 nog goed herinneren. Mijn vader leidde de vergadering in Göteborg toen wij buiten een krantenjongen hoorden roepen: „Wereldbrand begonnen!” De broeders en zusters in de zaal keken elkaar aan. Sommige dingen die wij over 1914 hadden bekendgemaakt, begonnen in vervulling te gaan.

Het jaar 1914 was ook een belangrijk jaar voor Johan Severin Petersson. Zijn zuster Ida had voordien drie door broeder Russell geschreven boeken bij hem achtergelaten. Hij meende dat ze gevaarlijk waren en verbrandde ze daarom. Ida hoorde hiervan en allerminst uit het veld geslagen, leende zij hem opnieuw drie boeken. Deze keer borg hij ze in een la achter slot en grendel op.

Toen brak de Grote Oorlog van 1914 uit. Johan had gehoord dat dat jaar in de boeken werd vermeld. Uit nieuwsgierigheid deed hij de la van het slot, nam de boeken eruit en las ze. Zijn ogen gingen voor de bijbelse waarheid open en ook hij werd een Bijbelonderzoeker. Hij werd in 1917 gedoopt en zijn dochter Rosa volgde zijn voorbeeld in 1918. In 1928 werd zij mijn geliefde vrouw en levenspartner in Jehovah’s dienst.

Op pad met het goede nieuws

Toen ik trouwde, verliet ik het bijkantoor, en Rosa en ik brachten onze wittebroodsweken in de pioniersdienst door! Tijdens de eerste maand van ons huwelijk verspreidden wij 4000 exemplaren van de brochure Vrijheid voor de volken.

Na slechts enkele maanden werd mij gevraagd of ik bereid was op reis te gaan als regionale dienstleider, thans kringopziener genoemd. Het zou betekenen gemeenten in geheel Zweden en later ook in Noorwegen te bezoeken. Er waren destijds geen regelingen om je vrouw op deze reizen mee te nemen. Ik zou zes à zeven weken per keer van huis weg moeten zijn, met een onderbreking van enkele dagen tussen elke route in. Wij waren bereid het offer te brengen en hebben veertien jaar zo geleefd.

Wat deed Rosa tijdens die periode? Zij pionierde met mijn zuster in Hälsingborg (Zweden). Zij moesten destijds heel wat affietsen om het uitgestrekte gebied te bewerken. Maar laat zij dat verhaal zelf vertellen.

„Pionieren in de jaren ’30 was heel anders dan dienen in deze tijd. Mirjam en ik huurden meestal een kleine kamer voor een week of twee als wij van dorp tot dorp reisden. Dan trokken wij weer verder, met al onze bagage op onze fietsen gebonden — kleren, steelpannen en boekendozen. Het was een hele bezienswaardigheid!

Het was niet altijd gemakkelijk logies te vinden. Eens, na de hele dag afzonderlijk gewerkt te hebben, ontmoetten Mirjam en ik elkaar om ongeveer acht uur ’s avonds.

Wij fietsten naar de volgende boerderij, waar wij licht zagen branden. Toen herkenden wij het huis. De moed zonk ons in de schoenen. De mensen in dat huis waren erg tegen ons werk gekant geweest toen wij hen eerder hadden bezocht. Aarzelend ging Mirjam naar de deur en vroeg om onderdak. Tot onze verbazing en opluchting vroeg de vrouw ons binnen te komen en te gaan zitten. Kort daarna werden wij uitgenodigd om naar de mooiste kamer te gaan, waar een tafel in gereedheid was gebracht met een overvloedige maaltijd. Wij konden onze ogen haast niet geloven! Toen wij klaar waren met eten, werden wij naar een slaapkamer gebracht waar de bedden met het beste linnengoed waren opgemaakt. Wij waren stomverbaasd over deze verandering in houding.

De volgende ochtend kregen wij een ontbijt. Toen wij wilden betalen, weigerden zij geld van ons aan te nemen. Wij vroegen of wij hun het boek Bevrijding als geschenk mochten geven. ’O ja, wij willen dat boek graag hebben’, zeiden zij. ’Onze buurvrouw vertelde ons dat jullie haar een exemplaar hebben gegeven toen jullie bij haar overnachtten. Zij vertelde ons hoe zij ervan heeft genoten.’

Die ervaring leerde ons dat je nooit kunt weten welke vruchten er door de verspreiding van één enkele bijbelse publikatie worden afgeworpen.”

Aan de pioniersdienst vasthouden

In 1942 hield het reizende werk tijdelijk op, zodat Rosa en ik weer samen konden pionieren. Later werd haar vader ziek en hielden wij met onze volle-tijdbediening op om voor hem te zorgen. Maar zodra de omstandigheden het weer toelieten, keerden wij terug tot onze favoriete activiteit — de volle-tijddienst. Wij voelden ons weer helemaal in ons element. Als wij na een inspannende dag van prediken thuiskwamen, zeiden wij vaak: „De pioniersdienst is alle offers en inspanningen die ermee gepaard gaan, ten volle waard.”

Vele jaren achtereen pionieren wij nu reeds in het westelijke deel van Zweden en werken wij met de gemeente Svenljunga van Jehovah’s Getuigen samen. Omdat wij nu op leeftijd zijn, hebben wij niet meer de energie die wij op jeugdiger leeftijd hadden, maar wij zijn blij dat wij in de pioniersgelederen kunnen blijven. Ik heb er nu 55 jaar volle-tijddienst op zitten, en mijn vrouw 48. Wij leven echter niet alleen op herinneringen, hoewel die ons een prettig gevoel geven. Ongeacht hoe oud men is, men moet altijd vooruit blijven kijken. Het is onze oprechte wens getrouw en bescheiden met onze God, Jehovah, te blijven wandelen en ons uiteindelijk te verheugen in de wonderbaarlijke zegeningen van zijn koninkrijk, waarover wij zoveel jaren lang als volle-tijdbedienaren hebben gepredikt. — Micha 6:8.

[Illustratie op blz. 26]

Mijn vrouw en ik werken nu reeds 58 jaar samen in Jehovah’s dienst

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen