Inzicht in het nieuws
De kerk als makelaar in macht
Steeds openlijker mengen de kerken van de christenheid zich agressief in gevoelige politieke geschillen. In een hoofdartikel onder de titel „De kansel af en de straat op” vestigde de Canadese Toronto Star de aandacht op het „toenemende aantal gevallen van [politieke] interventie door kerkleiders”. De schrijver Jack Cahill merkte op dat de Rooms-Katholieke Kerk „een kritieke rol” had gespeeld „bij het ten val brengen van Ferdinand Marcos op de Filippijnen” en de omverwerping van het bewind van Jean-Claude Duvalier op Haïti. Cahill voegde er met betrekking tot de apartheidskwestie aan toe: „In Zuid-Afrika hebben de anglicaanse aartsbisschop Desmond Tutu . . . en andere geestelijken de regering gewaarschuwd dat zij tot een confrontatie met de staat zullen aanmoedigen.”
Sommigen bezien dit aansturen op een confrontatie als een passende christelijke activiteit wanneer daarmee een verandering van impopulaire regimes of wetten wordt nagestreefd. Hoewel het waar is dat Jezus Christus zijn volgelingen de straat op zond, deed hij dit niet om te helpen politieke veranderingen tot stand te brengen. Zij begaven zich daarentegen naar openbare plaatsen en naar de deuren van de mensen om een hemels Koninkrijk te prediken als het middel dat de mensheid tot zegen zou zijn (Matthéüs 10:5-7; 24:14). Toen Jezus Christus van politieke activiteiten werd beschuldigd — hij zou zichzelf tot koning hebben gemaakt — gaf hij duidelijk te kennen dat dergelijke activiteiten van hem of zijn volgelingen niet verwacht moesten worden. Hij zei tot degene die hem moest berechten: „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.” In overeenstemming hiermee hebben Jezus’ ware volgelingen in politieke aangelegenheden altijd een neutraal standpunt ingenomen, want hij had over hen gezegd dat „zij geen deel van de wereld zijn”. — Johannes 18:36, katholieke Petrus-Canisiusvertaling; Johannes 17:14.
President verbiedt omstreden film
Onlangs heeft de Braziliaanse president, José Sarney, de vertoning van de controversiële film Hail Mary (Wees gegroet, Maria) verboden. Deze daad, die zonder precedent is, heeft zowel in als buiten de Katholieke Kerk een golf van protest ontketend. „Ik ben het er niet mee eens”, zo verklaarde bisschop Mauro Morelli, „dat de Katholieke Kerk net zoals ze in de tijd van de Inquisitie heeft gedaan, de staat moet smeken maatregelen te nemen om het geloof te verdedigen.” En parlementslid Eduardo Matarazzo Suplicy klaagde dat de Braziliaanse president „bezweek voor de druk van de conservatieve vleugel van de Kerk”. „Wij zijn teruggekeerd tot de eenheid van altaar en troon”, schreef professor Roberto Romano van de Campinas-universiteit in de krant Folha de S. Paulo. „Het is gebeurd zonder dat er zelfs maar een duidelijk omlijnd concordaat bestaat, zoals het geval was bij het Verdrag van Lateranen met Mussolini en het concordaat met Hitler. Nee, het heeft zich allemaal in het geniep achter de gesloten deuren van regeringsbureaus afgespeeld.”
Zulke religieuze pressietactieken en de reactie erop doen denken aan de beschrijving in zinnebeeldige taal die de bijbel geeft van een symbolische, zich als een hoer gedragende religieuze vrouw die „een koninkrijk over de koningen der aarde” heeft. Deze heersers, zo wordt daar gezegd, zullen uiteindelijk „de hoer haten en zullen haar woest en naakt maken . . . en zullen haar geheel met vuur verbranden”. — Openbaring 17:1, 2, 15-18.
„Redenen tot gramschap”
In zijn nieuwe boek Raisons de la colère (Redenen tot gramschap) spreekt de bekende Franse agronoom René Dumont openlijk zijn afkeuring uit over wat hij de „totale mislukking” van onze „produktie-gerichte beschaving” noemt. Een boekbespreking in het Parijse dagblad Le Monde vat enkele door Dumont aangehaalde voorbeelden als volgt samen: „Om te voldoen aan de geweldige vraag naar krantenpapier kapt Canada jaarlijks meer bomen dan het kan aanplanten; de Sovjet-Unie heeft twee derde van haar bouwland volledig uitgeput. En zelfs Frankrijk verwoest naar verluidt ’de vruchtbaarheid van haar bodem, die in de loop van eeuwen door bemesting en de verbouw van veevoeders is opgebouwd’, doordat men chemicaliën gebruikt in plaats van natuurlijke meststoffen.”
Dumont beschuldigt de industriële naties er ook van dat zij de planeet ’bederven’ door verspilling en wanbeheer bij de verdeling van goederen, en voegt eraan toe: „Wij hebben de wereldeconomie zo slecht beheerd dat wij het verdienen onze opperheerschappij te verliezen.” Hij beweert dat het westerse ontwikkelingsmodel „de economie van de Derde Wereld heeft geruïneerd” en mensen uit de agrarische ontwikkelingssector heeft weggezogen naar „afgrijselijke steden” die in de onderontwikkelde naties zijn ontstaan.
Indien dergelijke omstandigheden mensen die het gevaar voorzien „redenen tot gramschap” geven, hoeveel te meer reden tot gramschap dienen deze factoren dan Degene te geven die deze planeet heeft geschapen? De bijbel beschrijft dan ook profetisch de snel naderende tijd wanneer de verderfelijke activiteiten van de mensheid Góds „gramschap” zullen oproepen, die hem ertoe zal bewegen te „verderven die de aarde verderven”. — Openbaring 11:18.