Genieten concilies Gods goedkeuring?
HET Engelse woord „council”, dat „raad” betekent, doet denken aan een bekend onderdeel van plaatselijk bestuur. Termen als „gemeenteraad” of „dorpsraad” leveren geen moeite op. Minder bekend is echter wellicht de Engelse uitdrukking „religious council” of „church council”, waarvoor in het Nederlands de term „concilie” wordt gebruikt. Zo’n concilie is wel gedefinieerd als „een representatieve kerkvergadering met de bevoegdheid tot beraadslaging en dikwijls tot wetgeving in kwesties van geloof, moraal en kerkelijke tucht”.
Van de vele concilies die er in de loop der eeuwen zijn gehouden, beschouwt de Rooms-Katholieke Kerk er 21 als oecumenisch, en deze zijn gehouden vanaf het Concilie van Nicea in 325 G.T. tot en met het Tweede Vaticaanse Concilie van 1962-1965. Volgens The Encyclopedia Americana „worden oecumenische concilies bijeengeroepen door de paus, die voorzitter is, de agenda vaststelt, het concilie sluit en de daar aangenomen verordeningen openbaar maakt. . . . Te zamen met de paus vormt het oecumenische concilie het collegiale orgaan van de kerk en vertegenwoordigt het in vereniging met hem het onfeilbare leergezag van de kerk in kwesties van geloof en moraal”. — Deel 8, blz. 85.
Ontstaansgeschiedenis
Veel kerkelijke leiders geloven dat de concilies van de christenheid te vergelijken zijn met de eerste-eeuwse vergadering van de apostelen en oudere mannen te Jeruzalem. Daarom zegt men dat de latere concilies dezelfde autoriteit hebben om beslissingen te nemen in kwesties van geloof en moraal (Handelingen 15:2, 6, 22). Maar zijn dergelijke concilies door God geautoriseerd? Keurt hij ze goed?
Het is interessant dat de uitdrukking ’raad houden’ in Markus 3:6 afgeleid is van een Grieks woord dat de betekenis heeft van ’een bijeenkomst van personen die hun meningen en raad tot uitdrukking brengen’. In dat vers lezen wij dat de Farizeeën ’raad hielden’ met de partijgangers van Herodes ten einde Jezus om te brengen. God keurde die „raad” beslist niet goed! En Jezus waarschuwde zijn discipelen zulke mannen niet te vertrouwen (Markus 8:15). Is een soortgelijk wantrouwen tegen de concilies van de christenheid gerechtvaardigd?
Jezus zei ook: „Aan hun vruchten zult gij die mensen . . . herkennen” (Matthéüs 7:20). Laten wij derhalve de vruchten van verschillende concilies eens beschouwen.
Waardoor beheerst?
Volgens The Encyclopedia Americana werden provinciale concilies, die voor het organiseren van de Katholieke Kerk in Spanje, Groot-Brittannië en elders hebben gezorgd, „dikwijls door de wereldlijke macht bijeengeroepen en beheerst”. Algemene concilies van religieuze leiders uit het gehele Romeinse Rijk „waren onbekend vóór het Concilie van Nicea (325 A.D.)”, dat door keizer Constantijn bijeengeroepen was. De Britse historicus H. G. Wells suggereerde dat Constantijn politiek en autocratie invoerde in een reeds sterk verdeelde christenheid. Wells schreef: „Niet alleen werd het concilie van Nicea door Constantijn de Grote bijeengebracht, maar alle grote concilies, de twee in Constantinopel (381 en 553), [en het concilie in] Efeze (431) en [in] Chalcedon (451) werden door de keizerlijke macht bijeengeroepen.” Maar hoe zou God dit kunnen goedkeuren, aangezien ware christenen immers niet trachten hun religie met politiek te vermengen maar daarentegen strikte neutraliteit in acht nemen? — Johannes 17:16; Jakobus 1:27.
„Bij latere algemene concilies hadden de keizerlijke kerkpolitiek en de wedijver tussen de grote aartsbisdommen dikwijls de overhand”, zo voegt The Encyclopedia Americana eraan toe. Aangezien zulke kerkvergaderingen gekenmerkt werden door kerkelijke politiek en wedijver, brachten ze geen vruchten van Gods geest, zoals liefde en vrede, voort. Integendeel, ze werden ontsierd door werken van het vlees, waaronder „vijandschap, twist en jaloesie; . . . verdeeldheid, scheuring en nijd”. Aangaande werken van het vlees waarschuwde de apostel Paulus: „Zij die zulke dingen doen, zullen het koninkrijk van God niet als erfdeel ontvangen” (Galáten 5:19-23, De Katholieke Bijbel). Hoe kan men dan zeggen dat de concilies van de christenheid Gods goedkeuring genieten?
Ontstellende gruweldaden!
H. G. Wells was van oordeel dat de geest van Constantijn de kerkelijke aangelegenheden beheerste, en hij merkte op: „Het idee om alle twist en verdeeldheid uit te roeien, al het denken uit te roeien, door alle gelovigen één dogmatische geloofsleer op te leggen, . . . is het idee van de eigenmachtige man die vindt dat hij, om te kunnen werken, geen enkele tegenstand en kritiek mag ondervinden. De geschiedenis van de Kerk onder [Constantijns] invloed wordt nu derhalve een geschiedenis van de gewelddadige twisten die na zijn plotselinge en botte bevel tot eenheid onvermijdelijk werden. Van hem heeft de Kerk haar autoritaire houding van onaantastbaarheid gekregen, haar neiging een gecentraliseerde organisatie op te bouwen en zich langs dezelfde lijnen te ontwikkelen als het keizerrijk.”
Beschuldigingen van ketterij bleken een meedogenloze methode te zijn om zich te ontdoen van tegenstanders die het waagden de concilies van de christenheid te trotseren. Ieder die afwijkende meningen uitte of zelfs maar probeerde schriftuurlijke bewijzen aan te voeren om de dogma’s en canons (kerkwetten) van de concilies te weerleggen, werd als ketter gebrandmerkt.
Het vaste besluit om tegenstand uit te roeien, leidde tot verschrikkelijke gruweldaden. De meesten die schuldig werden verklaard aan ketterij tegen het gangbare dogma van het concilie werden terechtgesteld op de brandstapel, waar zij bij wijze van openbaar schouwspel onder gruwelijke pijnen een langzame dood stierven — zogenaamd in de naam van Christus!
Het Concilie van Konstanz (1414-1418 G.T.) bijvoorbeeld werd bijeengeroepen om een eind te maken aan het gekibbel over de vraag wie de wettige paus was en om af te rekenen met de ketterijen van Wycliffe en Hus. Naar men zegt, hebben dertigduizend paarden de mensen voor deze grote gebeurtenis naar Konstanz gebracht. Tijdens het concilie werd Johannes Hus berecht en veroordeeld, vervolgens aan de wereldlijke autoriteiten overgeleverd en op de brandstapel terechtgesteld.
Wat valt er te zeggen over de leer?
Het is waar dat alle ware christenen ’in overeenstemming met elkaar spreken’. Maar dit is niet te danken aan starre druk van kerkelijke zijde. Het komt daarentegen doordat hun geloofsovertuigingen en hun gebruiken deugdelijk op Gods geïnspireerde Woord gebaseerd zijn (1 Korinthiërs 1:10; Handelingen 17:10, 11; 2 Timótheüs 3:16, 17). Maar hoe brengen de concilies het eraf als wij hun leerstellige beslissingen beschouwen?
Ook al worden de concilies goedgepraat als theologische mijlpalen, in de ogen van velen zijn het grafzerken geweest die de slagen markeren waarmee de zuivere christelijke leerstellingen zijn verbrijzeld. Ter illustratie: In 325 G.T. voerde het Concilie van Nicea de leerstelling van de incarnatie (vlees- of menswording) van Christus in, ofte wel de leer van Christus als ’god en mens’. Deze loochening van het feit dat Jezus werkelijk een mens was, werd een van de misleidendste leerstellingen van de christenheid. (Vergelijk 2 Johannes 7.) Ja, ze heeft miljoenen mensen van Jehovah God afgekeerd ten gunste van een verwarrende Drieëenheid! Geen van de daarna gehouden concilies heeft enigerlei poging ondernomen om deze dwaling te herstellen. Toch is het leerstuk van de Drieëenheid duidelijk onschriftuurlijk, want Jezus zei: „De Vader is groter dan ik” (Johannes 14:28). Zou het denkbaar zijn dat God een concilie goedkeurt dat de waarheid omtrent zijn identiteit en die van zijn Zoon vertroebelt?
Een dogma dat door het ene concilie was vastgesteld, kon door een ander weer ongedaan gemaakt worden. Zoals uit bijgaande tabel bijvoorbeeld blijkt, werd het gebruik van beelden bij de aanbidding verworpen tijdens een in 730 G.T. te Constantinopel gehouden concilie. Maar dat gebruik werd krachtens een later conciliebesluit weer ingevoerd. Natuurlijk toont de bijbel aan dat het vervaardigen en gebruiken van religieuze beelden afgodisch en onchristelijk is. — Exodus 20:4-6; 1 Johannes 5:21.
Zoals in de tabel eveneens staat aangegeven, behoorden de kinderdoop, het opgelegde en verplichte celibaat, het vagevuur en het hellevuur tot de door de concilies van de christenheid bekrachtigde leerstellingen. De Schrift biedt echter geen ondersteuning voor de kinderdoop, het celibaat in deze zin, en een vurige hel, noch wordt er enigerlei melding gemaakt van een vagevuur (Matthéüs 28:19, 20; 1 Timótheüs 4:1-3; Job 14:13). Hoe zou Jehovah, aangezien degenen die zijn gunst willen genieten hem immers „met geest en waarheid” moeten aanbidden, zijn goedkeuring kunnen hechten aan concilies die valse leerstellingen propageren? — Johannes 4:23, 24.
De vergadering in Jeruzalem
Otto Karrer schreef met betrekking tot concilies: „Behalve het zogenaamde Apostolische Concilie [van omstreeks 49 G.T.], waarvan de beslissing behoort tot de overgeleverde goddelijke, apostolische verkondiging, zijn alle concilies voortbrengselen van de post-apostolische kerk. Ze behoren niet tot de stichtingsperiode van de kerk.” — The Councils of the Church.
Ontegenzeglijk verschillen alle concilies van de christenheid sterk van de eerste-eeuwse vergadering die de apostelen en oudere mannen te Jeruzalem hielden. Er waren toen geen op macht beluste geestelijken aanwezig om anderen een zwaar juk op te leggen of om de vlammen van de brandstapels te voeden. Veeleer werd de vrucht van Gods geest aan de dag gelegd. De beraadslagingen werden door de geest geleid en verliepen in overeenstemming met Gods Woord. En dat patroon voor het oplossen van schriftuurlijke kwesties wordt door het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen in deze tijd nagevolgd.
De brief die de apostelen en oudere mannen in Jeruzalem aan medegelovigen zonden, luidde ten dele: „Het heeft de heilige geest en ons goedgedacht ulieden geen verdere last toe te voegen dan deze noodzakelijke dingen: u te onthouden van dingen die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht en van bloed en van al wat verstikt is en van hoererij” (Handelingen 15:22-29). Dit waren geen wetten van louter menselijke oorsprong, maar vereisten die op eerdere verordeningen van de grote Wetgever waren gebaseerd. — Genesis 9:3, 4; Deuteronomium 5:8-10, 18; Jesaja 33:22.
Die eerste-eeuwse vergadering van de apostelen en oudere mannen te Jeruzalem genoot Jehovah Gods goedkeuring, want op de daar genomen beslissingen rustte zijn zegen en ze kwam ten goede aan de Koninkrijksprediking, waardoor veel heidenen tot de christelijke gemeente werden gebracht. De historische feiten bewijzen echter zonneklaar dat de concilies van de christenheid nooit Gods goedkeuring hebben genoten.
[Tabel op blz. 26]
BEKRACHTIGDE LEERSTELLING CONCILIE DATUM
Beelden verworpena Constantinopel 730 G.T.
Beelden weer ingevoerd Constantinopel 842 G.T.
Nicea 787 G.T.
Celibaat Trente 1545 G.T.
Drieëenheid Nicea 325 G.T.
Echtscheiding op grond van
overspelb Arles 314 G.T.
Echtscheiding verboden Trente 1545 G.T.
Godheid van Christus Nicea 325 G.T.
Chalcedon 451 G.T.
Hellevuur Lyon 1274 G.T.
Florence 1573 G.T.
Kinderdoop Carthago 253 G.T.
Onbevlekte ontvangenis Avignon 1457 G.T.
Prediking vanaf de
kansel niet door leken Constantinopel 691 G.T.
Vagevuur Florence 1573 G.T.
Trente 1545 G.T.
[Voetnoten]
a Alleen deze leerstellingen zijn in overeenstemming met de bijbel
b Alleen deze leerstellingen zijn in overeenstemming met de bijbel