Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w86 1/4 blz. 27-30
  • Mijn ’hand aan de ploeg slaan en niet achterom kijken’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn ’hand aan de ploeg slaan en niet achterom kijken’
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Opleiding aan Gilead en een buitenlandse toewijzing
  • Midden in de revolutie
  • Een vuile pop
  • Nooit ’achterom kijken’
  • Gesterkt voor toekomstige beproevingen
    Ontwaakt! 1996
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Waarom ik het heerlijk vind discipelen te maken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2007
  • Ik heb de juiste carrière gekozen
    Ontwaakt! 2007
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
w86 1/4 blz. 27-30

Mijn ’hand aan de ploeg slaan en niet achterom kijken’

TOEN ik aan boord stapte van het vliegtuig dat mij naar mijn nieuwe tehuis in Bolivia zou brengen, bleven de woorden die mijn moeder mij in haar laatste brief had geschreven door mijn hoofd gaan: „Niemand die zijn hand aan de ploeg heeft geslagen en achterom kijkt, is geschikt voor het koninkrijk van God” (Lukas 9:62, King James Version). Ik was vastbesloten deze woorden ter harte te nemen.

Hoewel het zendingswerk een nieuwe ervaring zou zijn, had ik al zo’n vijf jaar de vreugde van de volle-tijddienst gesmaakt. Ik had de waarheid geleerd van mijn ouders, die in 1923 waren begonnen te studeren met de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen destijds werden genoemd. Hoewel ik in die tijd pas vier jaar was, wilde ik de publikaties van het Wachttorengenootschap graag begrijpen. Maar jarenlang deed ons gezin weinig aan de waarheid. Af en toe kwamen enkele buren die Bijbelonderzoekers waren bij ons op bezoek. Ik herinner mij ook nog dat Vader bij buren op bezoek ging om naar de radiotoespraken van broeder Rutherford te luisteren.

Maar pas in 1938 begon het waarheidszaad vrucht te dragen. Mijn moeder — die inmiddels gescheiden en hertrouwd was — begon publikaties van Jehovah’s Getuigen in huis te halen en gretig te lezen. Ik was bijzonder opgetogen toen ik vernam dat „een grote schare” de vernietiging van dit huidige samenstel van dingen zou overleven en voor eeuwig op aarde zou leven (Openbaring 7:9-14). Deze inlichtingen moesten aan anderen bekendgemaakt worden!

Na mijn doop in juni 1939 begon ik er dan ook over te denken volle-tijddienaar of pionierster te worden. Toen ik naar Colorado verhuisd was, raakte ik bevriend met Helen Nichols en haar moeder — twee gezalfde zusters die in de gewone pioniersdienst waren. De geweldige ervaringen die zij vertelden, moedigden mij nog meer aan om pionierster te worden. En zo kwam het dat ik in mei 1940 mijn eerste pionierstoewijzing kreeg, in Salida (Colorado, VS).

Opleiding aan Gilead en een buitenlandse toewijzing

Na enkele jaren pionieren in verschillende delen van Colorado en Indiana werd ik uitgenodigd voor de derde klas van Gilead. Dit is een door het Wachttorengenootschap gestichte school voor de opleiding van zendelingen. Vijf heerlijke maanden lang heb ik de zegeningen van de Gileadschool gesmaakt, maar na mijn graduatie kreeg ik niet dadelijk een buitenlandse toewijzing. De Tweede Wereldoorlog was in volle gang! Daarom werd ik tijdelijk uitgezonden om met zeven andere zusters in West Haven (Connecticut) te werken. In 1945 kreeg ik een werktoewijzing in Washington, D.C. Het duurde echter niet lang meer of ik kon mij naar mijn buitenlandse toewijzing begeven: La Paz in Bolivia.

Voordat ik mijn toewijzing kreeg, had ik zelfs nog nooit van Bolivia gehoord! Geen wonder dat er verontrustende gedachten door mijn hoofd spookten toen wij aan boord van het vliegtuig gingen: Hoe zou ik het er als zendelinge afbrengen? Zou ik het kunnen volhouden? De gedachte aan mijn moeders advies om ’mijn hand aan de ploeg te slaan en niet achterom te kijken’, sterkte mij in mijn besluit mijn zendingstoewijzing tot een succes te maken. Ook zou ik in dit nieuwe land niet alleen zijn. Ik had gezelschap van mijn zuster en zwager, die van de vierde klas van Gilead waren gegradueerd. Op 9 juni 1946 landde ons vliegtuig in La Paz.

Midden in de revolutie

Op de dag dat ik aankwam, probeerde iemand een revolutie te ontketenen door een bom op het Regeringspaleis te werpen. De bom ontplofte niet, en van de revolutie kwam evenmin iets terecht. Maar nog geen twee maanden later brak er opnieuw een revolutie uit, en er waren veel doden en gewonden. De president van het land en enkelen van zijn ministers werden aan lantaarnpalen op het grote plein opgehangen. Zo maakte ik kennis met Bolivia.

Maar na dat vreselijke bloedbad waren wij in staat de „treurenden te troosten”, en veel nederige Bolivianen waren bereid met ons de bijbel te bestuderen (Jesaja 61:1, 2). In die tijd maakten wij dikwijls gebruik van op de plaat opgenomen toespraken om de mensen getuigenis te geven. Dit betekende zowel een grammofoon als een boekentas meezeulen als wij op de adembenemende hoogte van 3660 meter de steile heuvels van La Paz op en af klommen. Ten gevolge van mijn gebrekkige Spaans dachten de mensen soms dat ik de grammofoon en de platen kwam verkopen!

Als nieuwe zendelinge heb ik veel vreugdevolle ervaringen meegemaakt. Toen wij op een dag in een van de betere wijken van La Paz van huis tot huis gingen, kwam er een dienstbode naar de deur en nodigde mij binnen. De vrouw des huizes luisterde naar mijn aanbieding en nam een abonnement op De Wachttoren. Vanwaar die vlotte reactie? Zij was pas geopereerd en had in het ziekenhuis de bijbel gelezen. Zij ontdekte dat de leerstellingen van de bijbel sterk verschilden van wat haar kerk leerde en daarom wilde zij heel graag de lectuur lezen die ik bij haar achterliet. Voordat ik haar echter opnieuw kon bezoeken, ging zij op zoek naar mij en vond mij ten slotte op een straathoek, waar ik De Wachttoren en Ontwaakt! aan voorbijgangers aanbood. ’Kom mij alstublieft opzoeken!’ verzocht zij dringend. Zij maakte snel vorderingen met haar bijbelstudie en werd al spoedig gedoopt. Nu, dertig jaar later, dient zij Jehovah nog altijd getrouw.

Een vuile pop

Na elf jaar in La Paz te hebben gewerkt, kregen wij een toewijzing in het zuiden van Bolivia. En zo vertrokken mijn zuster en haar man, mijn partner Esther Erickson en ik naar een stadje dat Tupiza heet. Dat was in februari 1957. Tupiza ligt dicht bij de spoorlijn tussen Bolivia en Argentinië. De mensen daar waren vriendelijk en het was gemakkelijk bijbelstudies op te richten. Al spoedig organiseerden wij zelfs geregelde vergaderingen, die door verscheidene inwoners van Tupiza werden bijgewoond.

Op een dag vonden wij een vuile pop op ons voorerf. Wat had dit te betekenen? De priester was klaarblijkelijk begonnen de mensen tegen Jehovah’s Getuigen te waarschuwen en daarom probeerde iemand ons onder een hechizo, een betovering, te brengen! Hun hechizo bleek echter machteloos.

Omdat Tupiza zo’n klein plaatsje was, kregen Esther en ik al spoedig een nieuwe toewijzing, in Villazón, ook een stadje aan de Boliviaans-Argentijnse grens. Het was een dor, winderig en koud gebied! Maar wij lieten ons niet ontmoedigen, want wij vertrouwden erop dat Jehovah ons zou zegenen.

Toen Esther en ik het stadje gingen bewerken, merkten wij op dat de mensen bordjes voor het raam hadden waarop stond: „Jehovah’s Getuigen en evangelisten niet gewenst.” Maar de mensen in Villazón hadden er geen idee van wie Jehovah’s Getuigen eigenlijk waren! Net als in Tupiza had een priester zich ermee bemoeid en in de kerk bordjes aan de mensen uitgereikt om in het raam te zetten. Ondanks de raambordjes reageerden de mensen gunstig en verspreidden wij veel lectuur, terwijl er ook heel wat bijbelstudies werden opgericht. Van lieverlee verdwenen de bordjes van de ramen.

Maar waar zouden wij vergaderingen kunnen houden? Wij richtten één kamer van ons piepkleine flatje in als Koninkrijkszaal. Zitplaatsen maakten wij door planken over dozen met boeken heen te leggen. Er waren daar geen gedoopte broeders, dus bedekten Esther en ik ons hoofd en leidden de vergaderingen zelf. Tot onze opgetogenheid hadden wij bij de eerste Gedachtenisviering ter herdenking van Christus’ dood die wij daar hielden, meer dan honderd aanwezigen! Het is waar dat sommigen uit nieuwsgierigheid kwamen kijken hoe de gringas (buitenlandse meisjes) hun vergaderingen hielden. Maar sommigen van degenen die aanvankelijk uit nieuwsgierigheid kwamen, zijn nu Getuigen.

Wij hebben ook gewerkt in het stadje La Quiaca in Argentinië, waar wij bij verscheidene geïnteresseerden een bijbelstudie hebben kunnen oprichten. Doordat wij zo vaak de grens over moesten, trokken wij de aandacht van de grenswachter. Toen wij op een dag uit La Quiaca terugkeerden, vroeg de dienstdoende agent ons of wij ons werk in het vervolg wat minder openlijk wilden doen, aangezien het werk van Jehovah’s Getuigen in Argentinië nu verboden was. Ik zei tegen hem: „Ik dacht dat uw regering vrijheid van aanbidding garandeerde.” Zijn antwoord was dat de priesters de ministers onder druk hadden gezet, met als resultaat het verbod. Sedertdien ging hij altijd met zijn rug naar ons toe staan als wij de grens overstaken naar Argentinië!

Vier jaar lang hebben wij in Villazón gewerkt. Mijn partner studeerde met een man wiens vrouw een chichería dreef, een café waar gegiste maïsdranken verkocht worden. Deze man leerde de waarheid kennen, werd later gedoopt en heeft uiteindelijk tot aan zijn dood als ouderling gediend. En de chichería? Die is thans een Koninkrijkszaal! Toen wij uit Villazón vertrokken, was er een gemeente van twintig verkondigers. Nu zijn er zo’n zestig Getuigen en worden de weekeindvergaderingen door ongeveer 110 personen bezocht.

Nooit ’achterom kijken’

Na Villazón kwam er een toewijzing in Santa Cruz, een grote stad in het oosten van Bolivia. Wat een vreugde gaf het te zien hoe het werk daar uitgroeide van een kleine gemeente met twintig verkondigers tot negen bloeiende gemeenten. Vervolgens ben ik in 1965 naar La Paz teruggekeerd, waar ik nog altijd in een van de zendelingenhuizen woon.

Toen ik in februari 1978 uit een stadsbus stapte, stortte er een muur van in de zon gedroogde steen in en viel over mij heen. Mijn rechterbeen was zo ernstig gebroken dat ik opnieuw heb moeten leren lopen. Maar nu kan ik weer in de dienst uittrekken en bijbelstudies leiden.

Neen, de volle-tijddienst is niet altijd gemakkelijk geweest. Er zijn hoogtepunten en dieptepunten geweest, hartzeer en teleurstellingen. Maar de vreugde die het schenkt met schapen te vergelijken personen te vinden en hen te helpen Jehovah te gaan dienen, heeft alle teleurstellingen ruimschoots vergoed. Nu, na bijna 44 jaar volle-tijddienst, ben ik nog altijd even vastbesloten om mijn „hand aan de ploeg” te houden en een aandeel te hebben aan het werk dat nog gedaan moet worden. — Zoals verteld door Betty Jackson.

[Illustratie op blz. 28]

Betty Jackson tijdens de prediking van het goede nieuws in Bolivia

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen