Een „achtmaands wonder” in Peru
DE MENIGTE van 34.238 aanwezigen was buiten zichzelf van vreugde. Uit heel Peru, ja, uit vele delen van de wereld waren zij gekomen om de inwijding van het prachtige nieuwe bijkantoorgebouw van het Wachttorengenootschap in Lima bij te wonen. Met opwinding in hun hart luisterden zij naar het programma, waar uitvoerig werd ingegaan op de bouw, die in acht maanden van dynamische activiteit was voltooid — in Peru iets volstrekt ongekends voor een project van deze omvang.
Voorbereidingen
De snelle expansie van de ware aanbidding in Peru had tot gevolg dat er grotere bijkantoorfaciliteiten nodig werden. In 1980 werd een stuk grond van 1,8 hectare gekocht. Eerst werd het land gebruikt om fruit en groenten voor de werkers van het bijkantoor te verbouwen.
Inmiddels besloten de Getuigen met het oog op de snel stijgende inflatie-index over te gaan tot aankoop en opslag van bouwmaterialen zoals bakstenen, betonstaal, tegels en installatiebenodigdheden. Een goede watervoorziening was ook onontbeerlijk. Waarom dus geen put gegraven? Een ploeg Getuigen toog aan het werk en met handkracht groeven zij een put van 75 meter diepte. Toen werd er hulp van buitenaf ingeschakeld om het project voort te zetten, tot men op 96 meter diepte op water stuitte.
Vervolgens werd begin februari 1984 door drie Getuigen in de Verenigde Staten een „snelwerkplan” verschaft. Het voorgestelde gebouw van twee verdiepingen — met kantoren, 22 slaapkamers, gemeenschappelijke huiskamer voor de familie, eetzaal, wasserij en Koninkrijkszaal — kon in acht maanden worden gebouwd, zeiden zij. Voor Peru zou dat neerkomen op een hedendaags wonder!
Een parate organisatie
Op 25 maart werd er een speciale startvergadering belegd op het congresterrein dat het Genootschap in Campoy bezit, om de plaatselijke Getuigen te vertellen wat er te gebeuren stond. Ook al waren er in die tijd slechts 19.000 Koninkrijksverkondigers in heel Peru, toch kwamen er 26.500 personen naar de vergadering. Het enthousiasme dat zij toen tentoonspreidden, is gedurende het hele project geen ogenblik geluwd.
De werkploeg werd georganiseerd. Er werden meer dan tweehonderd werkers aangeworven uit de gelederen van de gewone en speciale pioniers, en broeders met ervaring in de congresorganisatie werden op sleutelposten gezet. De gemeenten kregen specifieke weekeinden toegewezen om te komen helpen.
Om de volle-tijdwerkers te herbergen, werd de expeditieruimte veranderd in een enorme slaapzaal. Matrassen werden op dozen lectuur gelegd. Langs de buitenmuren werden douches en toiletten geplaatst. Aangezien dit het begin van het winterseizoen in Peru was, leerden de broeders een snelle trappeldans uit te voeren als zij ’s ochtends vroeg hun koude douche namen. Er werd een voortreffelijke cafetaria geïnstalleerd, waar om zeven uur voor iedereen het ontbijt klaarstond, voordat men om half acht aan het werk ging. Een half uur gaans met de auto, op het congresterrein in Campoy, ontfermden zusters zich over de was. Ook werd er een schoenmakerij geopend, want de werkschoenen sleten snel.
Hulp van ver
In verschillende stadia van de bouw zijn er in totaal 145 broeders uit Noord-Amerika overgekomen. Velen van hen hadden meegewerkt aan bouwprojecten voor Koninkrijkszalen. Naarmate het werk vorderde en de behoefte zich voordeed, kwamen betonwerkers, metselaars, loodgieters en elektriciens hun steentje bijdragen, voltooiden hun karwei in twee of drie weken, en keerden dan terug naar hun eigen gemeenten. Enkelen zijn echter de volle acht maanden gebleven.
Deze broeders kwamen met hun eigen gereedschappen en materialen om samen te werken met anderen, van wier taal zij nauwelijks iets verstonden. Maar met gebarentaal, gelaatsuitdrukkingen en verkeerd uitgesproken woorden, in combinatie met de bereidheid om samen te werken, kwamen zij er wel uit en kwam het werk tot stand.
Veel Peruviaanse broeders openden liefdevol hun huis om deze broeders onderdak te verlenen. Elke ochtend om zes uur reed een vijftienpersoons „gringo-bus”, zoals het voertuig teder werd betiteld, zijn ronde om de gasten op te halen en naar de ontbijttafel op het bouwterrein te brengen. Leden van de Bethelfamilie van Peru hadden een aandeel aan dit beslist uiterst plezierige werk.
Om in de geestelijke behoeften te voorzien, werd er een Engelstalige gemeente georganiseerd. Een aantal bezoekers heeft ook voortreffelijk werk in de velddienst gedaan en huisbijbelstudies opgericht die na hun vertrek zijn voortgezet.
Publieke belangstelling gewekt
Honderden jonge en oudere plaatselijke broeders en zusters kwamen in de weekeinden naar het bouwterrein om een aandeel te hebben aan het werk. Het was aanmoedigend te zien hoe zusters en kleine kinderen naar beste vermogen meewerkten. Natuurlijk bleef al deze activiteit niet onopgemerkt.
Er kwam een ingenieur van een groot bouwbedrijf kijken. Toen hij zag hoe er gewerkt werd, vroeg hij: „Hoeveel moet u hun betalen om hen zo te laten werken?” Een andere toeschouwer merkte op: „Hoe komt het toch dat uw arbeiders zo opgewekt zijn?” Een ploeg van een televisiestation in Lima is een hele middag bezig geweest de verschillende werkers te filmen en te interviewen.
Een goed verricht werk
Kwam het gebouw werkelijk in acht maanden klaar? Ja, maar nooit hebben de broeders zich onder druk voelen staan om het precies binnen die tijd af te krijgen. Van meet af aan werd allen op het hart gedrukt dat alles wat er verlangd werd een goed gebouwd, degelijk bouwwerk was dat Jehovah’s volk werkelijk op waardige wijze zou vertegenwoordigen. Als er negen of tien maanden nodig waren om zo iets klaar te spelen, dan moest dat maar.
Met de bereidwillige plaatselijke vrijwilligers en de ervaren hulp van overzee kwam het werk precies op tijd gereed. Op 3 december 1984, acht maanden en één week na de start, trok de Bethelfamilie erin.
De grote dag aangebroken
Op 27 januari 1985 was de vurig verbeide inwijdingsdag voor het nieuwe bijkantoor aangebroken. M. G. Henschel, een lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen, kwam uit Brooklyn, New York, om als de voornaamste spreker op te treden. Bezoekers uit andere landen en degenen die in volle-tijddienst aan de bouw hadden gewerkt — samen zo’n vijfhonderd personen — vulden de nieuwe Koninkrijkszaal en eetzaal tot de laatste plaats. Er was een telefoonverbinding met het congresterrein in Campoy.
’s Ochtends sprak broeder Henschel de inwijdingstoespraak uit in het Spaans. De middag begon met een speciaal programma op het congresterrein in Campoy. Vervolgens werd de hele menigte van 34.238 personen uitgenodigd voor een rondleiding door het nieuwe gebouw. Zij waren verheugd het „achtmaands wonder”, het stoffelijke bewijs van Jehovah’s zegen, in ogenschouw te nemen.
Het bouwproject heeft veel zegeningen gebracht. Behalve dat er eigentijdse faciliteiten door tot stand gekomen zijn, is het acht maanden met elkaar samenwerken van onschatbare waarde gebleken. De christelijke eenheid is hechter geworden. Er is geestelijke rijpheid aangekweekt. De voortreffelijke omgang op de vergaderingen, aan tafel en vooral bij de ochtendaanbidding, hebben de onderlinge band van liefde tussen christenen versterkt. Degenen die uit Noord-Amerika gekomen waren, vonden dat dit stukje „buitenlandse toewijzing” hun veel goed had gedaan. Ja, de acht maanden van vreugdevolle omgang en krachtige activiteit zullen bij allen die een aandeel hebben gehad aan het „wonder” nog lang in de herinnering blijven. — Vergelijk Haggaï 1:7, 8.
[Illustratie op blz. 28]
Jong en oud werkte mee