Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w85 1/11 blz. 10-13
  • Vastbesloten ’standvastig en onwrikbaar’ te zijn

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vastbesloten ’standvastig en onwrikbaar’ te zijn
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De waarheid veroorzaakt een „cycloon”
  • Een teleurstelling — Daarna zegeningen
  • Problemen en vooruitgang in Pretoria
  • Een verbod in oorlogstijd
  • ’Standvastig en onwrikbaar’ ondanks hoge ouderdom
  • Opgroeien met Jehovah’s organisatie in Zuid-Afrika
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • De ’beden van mijn hart’ ontvangen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Ik vond voldoening in het dienen van God
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
w85 1/11 blz. 10-13

Vastbesloten ’standvastig en onwrikbaar’ te zijn

Zoals verteld door Paul Smit

IN DE jaren dertig van de vorige eeuw heerste er onrust onder veel blanke boeren in de Kaapprovincie van Zuid-Afrika. Omdat zij van Hollandse afkomst waren, ergerden zij zich aan het Britse bewind. Bij duizenden trokken zij noordwaarts naar het vrijwel onbekende binnenland. Na het overwinnen van veel hindernissen vestigden sommigen zich ten noorden van de Oranje Rivier in wat later Oranje Vrystaat werd. Anderen staken de Vaal Rivier over en vestigden zich in wat nu Transvaal heet. Onder hen bevonden zich mijn Afrikaans-sprekende voorouders, die zich in de jaren zestig van de vorige eeuw in Noord-Transvaal vestigden. Ik werd in 1898 in de buurt van het stadje Nijlstroom geboren.

De levensstijl van de weinige bewoners van het gebied was in die dagen heel eenvoudig. De rijkdom aan wild vormde de voornaamste bron van voedsel, aangevuld met enkele agrarische produkten. Toen, in 1899, kwam er oorlog, de Zuidafrikaanse oorlog, ofte wel de Boerenoorlog. De Britten hadden besloten hun gezag uit te breiden over de twee Afrikaanse republieken, Oranje Vrystaat en Transvaal. Daarom voerden Britten en Boeren drie jaar lang een verbeten strijd om de suprematie. In de loop van deze periode werd ons gezin in een concentratiekamp geïnterneerd.

Toen de vijandelijkheden waren gestaakt, bleek bij thuiskomst dat onze boerderij ernstig gehavend en geplunderd was. Er was verschrikkelijk geleden. Duizenden mannen waren in de strijd gesneuveld en duizenden vrouwen en kinderen waren in concentratiekampen omgekomen. Het land werd door armoede geteisterd. Wij ook. Mede dank zij een door de regering beschikbaar gestelde hoeveelheid tarwe wisten wij echter in leven te blijven, en mijn ouders ploeterden hard op de boerderij, waar zij groenten en andere produkten verbouwden.

De waarheid veroorzaakt een „cycloon”

Toen kwam het gedenkwaardige jaar 1915. Als schooljongen van zestien ontving ik per post een door Jehovah’s Getuigen in die tijd uitgegeven brochure met de titel Wat leert de Heilige Schrift omtrent de Hel? Samen met een schoolvriend, Abraham Stroh, las ik de brochure en wij waren het erover eens dat dit de waarheid was. Het was opwindend te vernemen dat God mensen niet voor eeuwig kwelt; de doden hebben geen bewustzijn en slapen in de dood, in afwachting van Jezus’ belofte van een opstanding (Prediker 9:5, 10; Ezechiël 18:4; Johannes 5:28, 29). Ons enthousiasme zette ons tot actie aan. Nijlstroom kwam in rep en roer, alsof het door een cycloon was getroffen, toen wij, twee schooljongens, vol overtuiging en onbevreesd bekendmaakten dat de leerstellingen van de Nederduits Gereformeerde Kerk vals waren. De predikanten waren uiteraard van streek en veroordeelden deze „nieuwe religie” vanaf hun kansels.

Het gevolg was dat Abraham en ik niet langer welkom waren in de huizen van onze vrienden. Zelfs mijn vader dreigde mij het huis uit te zetten. Maar mijn moeder, die werkelijk zo zachtaardig was als een schaap, heeft nooit een onvriendelijk woord gezegd. Mettertijd raakte mijn lieve oude vader, die diepe eerbied voor de bijbel koesterde, aan de „nieuwe religie” gewend en werden Getuigen gastvrij bij ons thuis onthaald. In die beginperiode wisten wij niets van het Genootschap af en verlieten wij ons geheel op Jehovah. Later werden wij bezocht door colporteurs (thans pioniers genoemd), die ons in contact brachten met het Genootschap en het 1600 kilometer ver weg in Kaapstad gelegen bijkantoor. Dit had tot gevolg dat ik in 1918 werd gedoopt.

Twee jaar later bezocht ik een congres in Pretoria. Er waren zo’n 23 broeders en zusters aanwezig, onder voorzitterschap van broeder Ancketill, de vertegenwoordiger van het Genootschap. Wat was het geweldig om met medegelovigen samen te zijn, ook al waren wij maar met zo weinigen! Het programma bestond hoofdzakelijk uit leerstellige onderwerpen en „getuigenissen” ofte wel ervaringen, maar voor mij bood het voldoende stimulans om standvastig te blijven. En dat had ik hard nodig.

Een teleurstelling — Daarna zegeningen

De grootste schok van mijn leven kreeg ik toen mijn beste vriend Abraham, nadat hij van school gekomen was en een baan gekregen had bij de plaatselijke Schoolraad, later met ontslag werd bedreigd tenzij hij zijn religie zou opgeven. Hij ging inderdaad uit de waarheid en werd lid van de Nederduits Gereformeerde Kerk. Hierdoor bleef ik, jong en nieuw in de waarheid als ik was, helemaal alleen over in Noord-Transvaal. Ik heb menige traan gestort over het verlies van mijn metgezel, maar ik bad onophoudelijk tot Jehovah en werd gesterkt om „standvastig, onwrikbaar, altijd volop te doen hebbend in het werk van de Heer” te blijven. — 1 Korinthiërs 15:58.

De jaren twintig braken aan. Jehovah zegende mijn volhardende krachtsinspanningen om zo goed als ik kon, naar de waarheid te leven. Ik begon „schapen” in mijn omgeving te vinden. De jonge zoon van een boer in de buurt aanvaardde het goede nieuws van het Koninkrijk en maakte daarmee het verlies van mijn metgezel weer goed. Deze broeder, Hannes Grobler, is getrouw gebleven totdat hij onlangs gestorven is. Ook richtte ik een studie op bij een gezin van zeven personen, de Vorsters, aan de hand van het boek De Harp Gods.a

Iedere zaterdag wandelde ik opgewekt zo’n 6,5 kilometer door het veld, of het landschap, om die studie te leiden. De ouders werden gedoopte Getuigen en zijn tot aan hun dood getrouw gebleven.

In 1924 bracht broeder George Phillips, die onlangs in Zuid-Afrika was aangekomen om op het bijkantoor in Kaapstad te dienen, een bezoek aan Nijlstroom — een opwindende gebeurtenis voor mij. Het was het begin van een hechte vriendschap en een periode van theocratische samenwerking die geduurd heeft totdat hij in 1982 zijn aardse loopbaan beëindigde.

De plaatselijke belangstelling nam toe, en weldra hadden wij een fijne groep van dertien broeders en zusters — de eerste groep Getuigen ten noorden van Pretoria. Mettertijd straalde de boodschap van het Koninkrijk verder uit in het uitgestrekte gebied van Noord-Transvaal.

Problemen en vooruitgang in Pretoria

In datzelfde jaar werd ik echter door de bank waar ik werkte, overgeplaatst naar Pretoria, waar een groepje van acht Bijbelonderzoekers (Jehovah’s Getuigen) was. Maar slechts één van hen had gepaste waardering voor theocratische aangelegenheden, en hij stierf kort na mijn komst. De anderen — onder wie enkele gestudeerde mannen — hadden geen waardering voor de regeling die het Genootschap trof om de gemeente voor de dienst te organiseren, en twee van hen stapten op.

Intussen was de „ouderling” van de groep, ondanks de afkeuring van het Genootschap, bezig een boek te schrijven met zijn eigen interpretatie van de Schrift. Ik heb hem persoonlijk gesmeekt zijn idee te laten varen. De climax kwam op een zondagochtend. Zijn boek was al gedrukt en hij bracht enkele exemplaren mee en verzocht de groep ze te verspreiden. Ik was geschokt. Ik stond op en protesteerde tegen zijn verzoek. Het gevolg was dat de „ouderling” en vier of vijf anderen de organisatie verlieten. Hierdoor bleven alleen een lieve, oude invalide zuster, mijn vrouw en ik over. Maar wij waren vastbesloten ’standvastig en onwrikbaar’ te zijn en het Genootschap loyaal te ondersteunen. Van toen af aan begon Jehovah langzaam maar zeker toename te schenken. — 1 Korinthiërs 3:6; 15:58.

Na verloop van tijd voegde Jehovah nog veel meer werkers aan de Gemeente Pretoria toe. In 1931 kwamen er bijvoorbeeld twee zwarte broeders naar ons studieadres om kennis te maken. Sedertdien heb ik enige jaren lang de verantwoordelijkheid gehad om zowel Europeanen (blanken) als Afrikanen (zwarten) te bedienen — een zeldzaam voorrecht in Zuid-Afrika. Om de Afrikaanse broeders te helpen, leidde ik een groepsstudie in hun eigen stadsgedeelte, een afgezonderd woongebied. Ook gebruikte ik de grammofoonplaten met de toespraken van broeder Rutherford in hun stadsgedeelte. Bovendien hielp Hamilton Kaphwitti Maseko, een Afrikaanse broeder, mij elke zondagavond deze lezingen via een sterke transcriptiemachine af te spelen op het Kerkplein, in het hartje van Pretoria.

Toen Jehovah de toename schonk, werd er een Afrikaanse gemeente gevormd. Vele jaren lang heb ik als stadsopziener hun speciale vergaderingen georganiseerd. Vanaf een klein begin heeft het werk onder de Afrikanen in Pretoria zich uitgebreid tot zestien gemeenten in dit gebied tegen 1984.

Een verbod in oorlogstijd

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 heeft voor heel wat landen onnoemlijk veel leed tot gevolg gehad. Zuid-Afrika vormde echter een uitzondering. Niettemin schrokken door de wereldschokkende gebeurtenissen veel Zuidafrikanen wakker uit hun zelfgenoegzaamheid en richtten zij hun geest op de vervulling van bijbelse profetieën. Het gevolg was een opvallende toename in Koninkrijksactiviteit en 50 procent toename in verkondigers in het dienstjaar 1941. Dit wekte de woede van de kerken, met name de Katholieke Kerk, die het Genootschap beschuldigde van staatsgevaarlijke activiteiten. Daarop werden veel publikaties van het Genootschap door de regering verboden.

Omstreeks die tijd brachten mijn vrouw Anna en ik met onze twee kinderen, Paul en Anelise, een bezoek aan Nijlstroom, waar ik een lezing moest houden. Ik nam de gelegenheid waar om de plaatselijke broeders te laten zien dat het best mogelijk was op straat onze tijdschriften aan te bieden. Ik koos een plekje pal voor de politierechtbank. Al spoedig kwam een brigadier mij zeggen dat ik met een onwettig werk bezig was en mij onmiddellijk bij de verhoorkamer moest vervoegen. Wij hadden ons echter voorgenomen een uur te werken, en dus ging ik gewoon door. Vervolgens kwam een agent mij meedelen dat het hoofd van politie mij verwachtte. Maar ik bleef op mijn post. Weer kwam een agent met een soortgelijke boodschap en hij kreeg hetzelfde te horen. Wij maakten het uur vol, met goede resultaten, en toen begaf ik mij met mijn gezin naar een café voor een kopje thee.

Toen ik ten slotte naar de verhoorkamer ging, werd mij gevraagd wat er met de lectuur gebeurd was. Ik legde uit dat die onder het publiek was verspreid. Later kwam de politie naar de boerderij van mijn ouders, waar wij logeerden, en nam alle tijdschriften die ze kon vinden in beslag.

Na de kwestie met plaatselijke broeders besproken te hebben, besloten wij het er niet bij te laten zitten. Dus de week daarop gingen wij, dertig man sterk, ijverig aan het werk in de straten van Nijlstroom en de week daarop in Warmbad, een stadje een kleine dertig kilometer verder naar het zuiden. Tegen onze verwachtingen in legde niemand ons iets in de weg. Later kregen wij na heel wat moeite alle niet-verboden publikaties terug.

’Standvastig en onwrikbaar’ ondanks hoge ouderdom

Mijn vrouw Anna heeft mij loyaal ondersteund totdat zij in 1949 stierf. Sinds ik in 1954 hertrouwd ben, geniet ik de loyale steun van mijn lieve vrouw Maud. De twee kinderen, Paul en Anelise, hebben mij van jongs af aan in alle takken van de Koninkrijksdienst vergezeld. Beiden zijn pionier geworden toen zij het huis uitgingen. Anelise en haar man, Jannie Muller, zijn nog steeds in die tak van dienst. Paul is later langzamerhand uit de waarheid geraakt en heeft een universitaire loopbaan gekozen, maar is sinds enkele jaren weer met de gemeente verbonden. Mijn vijf kleinkinderen zijn Jehovah’s Getuigen; twee van hen staan samen met hun huwelijkspartner in de volle-tijddienst. Ik kan ouders krachtig aanbevelen een nauwe band met hun kinderen te onderhouden en hun door voorschrift en voorbeeld te leren Jehovah lief te hebben en hem met hart en ziel te dienen. — Deuteronomium 6:6, 7.

In mijn 69 jaar van theocratische dienst heb ik opwindende expansie gezien. Destijds, in 1931, waren er vijf Koninkrijksverkondigers in de buurt van Pretoria. Nu zijn er meer dan 1500, verbonden met 26 gemeenten. Alle lof en eer hiervoor komt Jehovah toe! Nu, op 86-jarige leeftijd, neem ik, voor zover mijn gezondheid het toelaat, nog altijd graag de uitdaging aan die de van-huis-tot-huisprediking en het straatwerk met De Wachttoren en Ontwaakt! bieden. Maud en ik zijn vastbesloten ’standvastig en onwrikbaar’ te zijn, getrouw aan Jehovah te blijven en tot in alle eeuwigheid zijn naam te zegenen.

[Voetnoten]

a Uitgegeven door de Watch Tower Bible and Tract Society.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen