Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w93 1/2 blz. 25-29
  • Ik vond voldoening in het dienen van God

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik vond voldoening in het dienen van God
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Religieuze achtergrond
  • Een keerpunt
  • Mijn gezin en anderen reageren gunstig
  • Een nieuwe loopbaan
  • Bediening in Lesotho en Botswana
  • Onderwijzen en vertalen
  • „U hebt het verkeerde nummer gekozen”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Opgroeien met Jehovah’s organisatie in Zuid-Afrika
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Hoe ik toch een doel in mijn leven vond
    Ontwaakt! 1996
  • Blijf zaaien — Jehovah zal wasdom geven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
w93 1/2 blz. 25-29

Ik vond voldoening in het dienen van God

ZOALS VERTELD DOOR JOSHUA THONGOANA

In 1942 was ik erg verward. Ik bestudeerde lectuur die door de zevendedagadventisten werd uitgegeven en lectuur die door het Wachttorengenootschap werd uitgegeven. Net als de Israëlieten uit de oudheid ’hinkte ik op twee verschillende gedachten’. — 1 Koningen 18:21.

DE zevendedagadventisten stuurden mij gedrukte lessen die „De stem der profetie” heetten. Ik vond het leuk hun vragen te beantwoorden, en zij hadden beloofd dat zij mij een mooi certificaat zouden geven als ik al mijn tests goed had gemaakt. Maar ik merkte op dat zowel „De stem der profetie” als de publikaties van het Wachttorengenootschap uit Kaapstad in Zuid-Afrika werden verzonden. Ik vroeg mij af: ’Kennen deze organisaties elkaar? Stemmen hun leringen overeen? Zo niet, welke heeft het dan bij het rechte eind?’

Om de zaak op te lossen, stuurde ik beide organisaties een ongeveer gelijkluidende brief. Ik schreef bijvoorbeeld aan het Wachttorengenootschap: „Kent u de mensen die verbonden zijn met ’De stem der profetie’, en zo ja, wat vindt u van hun leringen?” Na verloop van tijd kreeg ik antwoord van beide groeperingen. In de brief van het Wachttorengenootschap stond dat zij „De stem der profetie” kenden, maar zij legden tevens uit dat de leringen ervan, zoals de Drieëenheid en Christus’ wederkomst in het vlees op aarde, onschriftuurlijk zijn. In hun brief stonden schriftplaatsen om deze leerstellingen te weerleggen. — Johannes 14:19, 28.

In het antwoord van „De stem der profetie” stond eenvoudig dat zij „de Wachttorenmensen” kenden maar het niet eens waren met hun leringen. Er werden geen redenen gegeven. Dus besliste ik ten gunste van het Wachttorengenootschap, een wettelijk orgaan waarvan Jehovah’s Getuigen zich bedienen. Wat ben ik nu, na vijftig jaar met de Getuigen verbonden te zijn, blij dat ik die juiste beslissing heb genomen!

Religieuze achtergrond

Ik ben in 1912 in een landelijk gebied dat Makanye heet, ten oosten van de Zuidafrikaanse plaats Pietersburg, geboren. De Anglicaanse Kerk had het toen in religieus opzicht in Makanye voor het zeggen, dus werd ik lid van die kerk. Toen ik tien was, verhuisde ons gezin naar een plaats waar de Lutherse Zendingskerk van Berlijn het sterkst vertegenwoordigd was, en mijn ouders sloten zich bij die kerk aan. Ik kwam er al snel voor in aanmerking de communiedienst bij te wonen en van het brood en de wijn te gebruiken, maar dat bevredigde mijn geestelijke behoeften niet.

Toen ik een schoolopleiding van acht jaar had afgerond, werd ik door mijn vader naar het Kilnerton Training Institution gestuurd, en in 1935 ontving ik een Third Year Teacher’s Certificate, een certificaat waaruit bleek dat ik een driejarige opleiding tot leraar had voltooid. Een van de leraressen met wie ik werkte, was een jonge vrouw, Caroline. Wij trouwden, en later werd Caroline moeder van een dochter, die wij Damaris noemden. Een paar jaar later werd ik hoofdonderwijzer op de Sehlale School in het landelijke dorp Mamatsha. Aangezien de school van de Nederduitse Gereformeerde Kerk was, sloten wij ons bij die kerk aan en woonden de diensten ervan geregeld bij. Wij deden dit omdat het nu eenmaal zo hoorde, maar het gaf mij geen voldoening.

Een keerpunt

Op een zondag in 1942 waren wij in de kerk gezangen aan het oefenen toen een blanke jongeman in de deuropening verscheen met drie door het Wachttorengenootschap uitgegeven boeken — Schepping, Vindication (Rechtvaardiging) en Voorbereiding. Ik vond dat de boeken mooi zouden staan op mijn boekenplank, dus nam ik ze voor drie shilling. Later hoorde ik dat de man, Tienie Bezuidenhout, een van Jehovah’s Getuigen was, de enige in het gebied. Bij Tienies volgende bezoek bracht hij een grammofoon mee en draaide een paar lezingen van rechter Rutherford. Ik genoot echt van de lezing die als „Valstrik en afpersing” bekendstond, maar Caroline en mijn zuster Priscilla, die bij ons inwoonde, niet. Bij Tienies derde bezoek gaf hij mij de grammofoon zodat ik de platen voor vrienden kon draaien.

Op een dag bladerde ik het boek Schepping door en kwam bij het hoofdstuk „Waar zijn de Dooden?” Ik begon te lezen in de hoop iets te weten te komen over de vreugden die heengegane zielen in de hemel ervaren. Maar in tegenstelling tot mijn verwachting, verklaarde het boek dat de doden in hun graf zijn en niets weten. Ter ondersteuning werden er bijbelverzen aangehaald, zoals Prediker 9:5, 10. Een ander hoofdstuk was getiteld „Opwekking der Dooden”, en Johannes 5:28, 29 werd geciteerd als bewijs dat de doden geen bewustzijn bezitten en op een opstanding wachten. Dit was zinnig. Het was voldoening schenkend.

In die tijd, in 1942, verbrak ik mijn banden met „De stem der profetie” en begon anderen te vertellen over de dingen die ik uit de publikaties van het Wachttorengenootschap leerde. Een van de eersten die gunstig reageerden, was een vriend van mij, Judah Letsoalo, die op het Kilnerton Training Institution een van mijn klasgenoten was geweest.

Judah en ik fietsten 51 kilometer om in Pietersburg een congres van Afrikaanse Getuigen bij te wonen. Daarna kwamen broeders uit Pietersburg vaak helemaal naar Mamatsha om mij te helpen de Koninkrijksboodschap aan mijn buren te brengen. Uiteindelijk werd ik in december 1944 op een ander congres in Pietersburg als symbool van mijn opdracht aan Jehovah gedoopt.

Mijn gezin en anderen reageren gunstig

Caroline, Priscilla en mijn dochter Damaris bleven naar de Nederduitse Gereformeerde Kerk gaan. Toen kregen wij een geduchte klap. Caroline bracht ons tweede kind ter wereld — een ogenschijnlijk gezond jongetje dat wij Samuel noemden. Maar plotseling werd hij ziek en stierf. Carolines vrienden van haar kerk konden haar niet troosten, want zij zeiden dat God onze zoon bij hem in de hemel wilde hebben. Wanhopig bleef Caroline vragen: „Waarom zou God onze zoon wegnemen?”

Toen het bericht van het zware verlies dat wij hadden geleden de Getuigen in Pietersburg bereikte, kwamen zij naar ons toe en boden ons werkelijke, op Gods Woord gebaseerde troost. Caroline zei later: „Wat de bijbel zei over de oorzaak van de dood, de toestand van de doden en de hoop op een opstanding, was zinnig, en ik werd er heel erg door getroost. Ik wilde in de nieuwe wereld zijn en mijn zoon uit het graf terugkrijgen.”

Caroline ging niet meer naar de kerk en in 1946 werden zij, Priscilla en Judah gedoopt. Al gauw na zijn doop vertrok Judah om in een landelijk gebied dat Mamahlola heette, als eerste met het predikingswerk te beginnen, en tot op deze dag dient hij als een volle-tijd pionierbedienaar.

Toen Judah wegging, was ik de enige man die overbleef om voor onze gemeente, die Boyne heette, te zorgen. Toen kwam Gracely Mahlatji in ons gebied wonen, en na verloop van tijd trouwde hij met Priscilla. Gracely en ik hielden elke week om beurten een openbare lezing in het Pedi, de plaatselijke Afrikaanse taal. Om bijbelse lectuur aan de mensen beschikbaar te kunnen stellen, vroeg het Genootschap mij lectuur in het Pedi te vertalen. Het gaf mij veel voldoening te zien dat mensen voordeel trokken van deze lectuur.

Om onze openbare-lezingenveldtocht te bevorderen, kochten wij een transcriptiemachine met een grote luidspreker om in ons hele gebied bijbelse toespraken af te draaien. Wij leenden een door ezels getrokken kar om deze zware uitrusting van plaats naar plaats te vervoeren. Hierdoor gaven onze buren ons de bijnaam „Mensen van de Ezelkerk”.

Ondertussen bleef onze kleine gemeente groeien. Uiteindelijk werden mijn twee oudere zusters en hun echtgenoten Getuigen en zij zijn allemaal tot hun dood toe getrouw gebleven. Ook namen velen uit de gemeente Boyne (die nu Mphogodiba heet) het volle-tijd evangelisatiewerk op zich, en een aantal van hen zijn nog steeds in de volle-tijddienst. Nu zijn er twee gemeenten in dit enorme gebied met verspreid liggende landelijke dorpjes, en in totaal zijn meer dan zeventig verkondigers actief in het predikingswerk.

Een nieuwe loopbaan

In 1949 stopte ik met lesgeven op school en ging in de gewone pioniersdienst. Mijn eerste toewijzing was zwarte boerenarbeiders te bezoeken die op boerderijen met een blanke eigenaar rond Vaalwater in Transvaal woonden. Sommige eigenaars van de boerderijen waren voorstander van de pas aangenomen apartheidspolitiek en wilden doorvoeren dat zwarten hun zogenaamde ondergeschiktheid aan blanken zouden erkennen en hun blanke meesters zouden dienen. Wanneer ik dus tot zwarte arbeiders predikte, zagen sommige blanken mij ten onrechte voor een prediker van opstand aan. Sommigen beschuldigden mij er zelfs van communist te zijn en dreigden mij neer te schieten.

Ik bracht verslag uit van de situatie aan het bijkantoor van het Wachttorengenootschap, en na korte tijd werd ik overgeplaatst naar een andere toewijzing in een landelijk gebied dat Duiwelskloof heette. Rond die tijd stopte ook mijn vrouw met haar werk als onderwijzeres en sloot zich in de pioniersdienst bij mij aan. Op een middag in 1950 vonden wij, toen wij uit de velddienst kwamen, een grote envelop van het Genootschap. Tot onze verrassing bevatte die een uitnodiging voor mij om als reizend opziener opgeleid te worden. Drie jaar lang bezochten wij gemeenten in Zuid-Afrika en toen werden wij, in 1953, aan Lesotho toegewezen, een door land ingesloten staat midden in Zuid-Afrika.

Bediening in Lesotho en Botswana

Toen wij met onze dienst in Lesotho begonnen, gingen er heel wat geruchten rond dat vreemdelingen vaak het doelwit waren van rituele moord. Mijn vrouw en ik waren bezorgd, maar de liefde van onze Sotho-broeders en hun gastvrijheid hielp ons al gauw zulke angsten te vergeten.

Om gemeenten in de Malutibergen van Lesotho te bedienen, reisde ik altijd per vliegtuig, terwijl mijn vrouw in de laaglanden achterbleef waar zij tot mijn terugkomst pionierswerk verrichtte. De broeders begeleidden mij vriendelijk van de ene gemeente naar de andere zodat ik niet in de bergen verdwaalde.

Een keer werd mij verteld dat wij, om de volgende gemeente te bereiken, te paard de Oranjerivier zouden moeten oversteken. Ik kreeg de verzekering dat mijn paard gedwee was, maar werd gewaarschuwd dat paarden, als de stroom in de rivier te sterk wordt, vaak proberen zich van hun last te ontdoen. Ik maakte mij zorgen omdat ik geen paardrijder was en ook niet goed kon zwemmen. Al gauw waren wij in de rivier, en het water kwam tot aan de zadels. Ik was zo bang dat ik de teugels losliet en mij aan de manen van het paard vasthield. Wat was ik opgelucht toen wij veilig de andere oever bereikten!

Die nacht kon ik bijna niet slapen omdat mijn lichaam door het paardrijden zo’n pijn deed. Maar het was al het ongemak waard, want de broeders toonden grote waardering voor het bezoek. Toen ik in Lesotho met de kringdienst begon, was er een hoogtepunt van 113 verkondigers. Nu is dat aantal tot 1649 gegroeid.

In 1956 kregen wij een andere predikingstoewijzing: het protectoraat Bechuanaland, dat nu Botswana heet. Botswana is een veel uitgestrekter land, en wij moesten veel grotere afstanden afleggen om alle verkondigers te bereiken. Wij reisden met de trein of in een open vrachtwagen. Daarin waren geen zitplaatsen, dus moesten wij met onze bagage op de grond zitten. Vaak kwamen wij erg stoffig en vermoeid op onze bestemming aan. Onze christelijke broeders en zusters verwelkomden ons altijd, en hun gelukkige gezichten kikkerden ons op.

In die tijd waren de publikaties van het Genootschap in Botswana verboden, dus deden wij ons van-huis-tot-huiswerk omzichtig, zonder de lectuur van het Genootschap te gebruiken. Op een keer werden wij ontdekt en gearresteerd toen wij in de buurt van het dorp Maphashalala werkten. Bij onze verdediging lazen wij uit de bijbel voor en vestigden de aandacht op onze opdracht zoals die in Mattheüs 28:19, 20 staat opgetekend. Hoewel sommige leden van de dorpsraad onder de indruk waren, beval het stamhoofd dat de plaatselijke Getuigen gegeseld moesten worden. Toen deed tot onze verbazing de geestelijke een goed woordje voor ons bij het stamhoofd om mild te zijn en ons gratie te verlenen. Het stamhoofd gaf hier gehoor aan en wij werden vrijgelaten.

Ondanks de vervolging en het verbod op onze lectuur, bleef het Koninkrijkswerk vorderingen maken. Toen ik in Botswana kwam, was er een hoogtepunt van 154 verkondigers. Drie jaar later, toen het verbod werd opgeheven, was dat aantal tot 192 gegroeid. Nu prediken er 777 getuigen van Jehovah in dat land.

Onderwijzen en vertalen

Na verloop van tijd werd ik gebruikt als leraar op de Koninkrijksbedieningsschool voor christelijke ouderlingen. Later genoot ik het voorrecht leraar van de pioniersschool te zijn. Mijn vrouw en ik hebben ook van tijd tot tijd op het Zuidafrikaanse bijkantoor gediend. Bij zulke gelegenheden hielp ik met vertalen en werkte Caroline in de keuken.

Op een dag in 1969 benaderde de bijkantooropziener, Frans Muller, mij en zei: „Broeder Thongoana, ik zou jou en je vrouw graag even in mijn kantoor willen spreken.” Daar legde hij uit dat wij tot degenen behoorden die geselecteerd waren om als afgevaardigden naar het „Vrede op aarde”-congres in 1969 in Londen te gaan. Wij genoten van de liefdevolle gastvrijheid van onze broeders in Engeland en Schotland, en onze waardering voor de wereldomvattende broederschap is er enorm door toegenomen.

De afgelopen veertig jaar is Caroline een trouwe metgezel geweest in onze loopbaan als volle-tijdevangelisten. Wij hebben veel vreugde en ook wat verdriet met elkaar gedeeld. Hoewel wij twee van onze kinderen in de dood hebben verloren, groeide onze dochter, Damaris, op tot een fijne Getuige en ook zij heeft een aandeel gehad aan het vertaalwerk op het Zuidafrikaanse bijkantoor.

Onze gezondheid staat ons niet meer toe een aandeel aan het reizende werk te hebben, dus zijn wij de laatste paar jaar werkzaam als speciale pionier in een gemeente in Seshego, een Afrikaanse kleurlingenwijk vlak bij Pietersburg. Ik dien als presiderend opziener. In de bijbel staat dat ’verheuging tot verzadiging bij Jehovah’s aangezicht is’, en ik heb inderdaad vreugde en voldoening gevonden in het dienen van God in zuidelijk Afrika. — Psalm 16:11.

[Illustratie op blz. 26]

Getuigenis geven in de kleurlingenwijk Seshego (Zuid-Afrika)

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen