Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w85 1/9 blz. 16-21
  • Koninkrijksbedienaren nemen de uitdaging aan

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Koninkrijksbedienaren nemen de uitdaging aan
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Gods bedienaren dringend nodig
  • Onze bevoegdheid als bedienaren verdedigen
  • Zelfs Jezus’ positie werd aangevochten
  • „Door Jehovah onderwezen”
  • Het doel van onze bediening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Gods bedienaren bewijzen hun bekwaamheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
  • Wie zijn Gods dienaren in deze tijd?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • „Hoe zullen zij horen?”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1966
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
w85 1/9 blz. 16-21

Koninkrijksbedienaren nemen de uitdaging aan

„Wat dan is Apóllos? Ja, wat is Paulus? Dienaren door bemiddeling van wie gij gelovigen zijt geworden.” — 1 KORINTHIËRS 3:5.

1. (a) Wat wordt op religieus terrein thans in twijfel getrokken, en waarom? (b) Welk wereldrijk wordt bedreigd, en wat zal ermee gebeuren?

DE AUTORITEIT van „dienaren des Woords” of bedienaren van het evangelie wordt thans aangevochten. Dit is steeds meer het geval nu het politieke element van deze wereld zich keert tegen religie — met inbegrip van de „christelijke” religie — omdat ze als een vorm van geldmakerij wordt bezien. Zelfs afgestudeerden van theologische hogescholen worden niet als werkelijk bevoegde bedienaren erkend, en in natiën met een anti-religieuze tendens worden zij aan verbodsbepalingen onderworpen. Ja, het wereldrijk van valse religie wordt van alle kanten belaagd en wordt bedreigd door een wereldomvattende aanval die op de vernietiging van dit rijk zal uitlopen. De goddelijke Auteur van de ware aanbidding heeft dit voorzegd en heeft zijn eigen tijd voor de vervulling van zijn profetie vastgesteld. Deze overweldigende gebeurtenis zal alle met verstand begiftigde schepselen in het gehele universum tot voordeel strekken!

2. Wat zal er met betrekking tot religie blijven bestaan en wat niet?

2 Toch zullen de irreligieuze elementen niet lang blijven bestaan om de aarde te beheersen, maar de gerechtvaardigde Schepper van het universum zal wel blijven bestaan! Ja, en de ware religie van deze onsterfelijke en Allerhoogste God zal blijven bestaan! Trouwens, alhoewel miljarden aardbewoners de feiten ontkennen, leven er op dit ogenblik actieve beoefenaars van Gods zuivere aanbidding op aarde. En de volgende, eeuwenoude verklaring geldt nog steeds: „Zijn onzichtbare hoedanigheden worden van de schepping der wereld af duidelijk gezien, omdat ze worden waargenomen door middel van de dingen die gemaakt zijn, ja, zijn eeuwige kracht en Godheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn.” — Romeinen 1:20.

3, 4. (a) Hoe kan worden bewezen dat Jehovah bedienaren op aarde heeft? (b) Hoe weten wij dat de religieuze bedienaren van Babylon de Grote binnenkort zonder werk zullen zijn?

3 Toen die woorden in de eerste eeuw van onze gewone tijdrekening werden geschreven, had Jehovah God zijn dienaren of bedienaren op aarde. De apostel Paulus kon dan ook schrijven: „Wat dan is Apóllos? Ja, wat is Paulus? Dienaren door bemiddeling van wie gij gelovigen zijt geworden, zoals de Heer aan een ieder heeft geschonken. Ik heb geplant, Apóllos heeft begoten, maar God bleef het wasdom geven.” — 1 Korinthiërs 3:5-9.

4 Jehovah moet ook thans bedienaren op aarde hebben. Maar hij gebruikt niet de religieuze bedienaren van Babylon de Grote, het wereldrijk van valse religie. In feite zullen zij binnenkort zonder werk zijn. Dat zal gebeuren wanneer Babylon de Grote zelf wordt geëlimineerd. In Openbaring 16:19 wordt dit als volgt voorzegd: „De grote stad viel in drie delen uiteen, en de steden van de natiën stortten in; en Babylon de grote werd in herinnering gebracht voor God, om haar de beker te geven met de wijn van de toorn van zijn gramschap.”

5. Wat gebeurde er in 539 v.G.T. in Babylon, en wat valt er te zeggen over de bedienaren en andere ondersteuners van de religies van Babylon de Grote?

5 En hoe staat het met degenen die loyale aanhangers blijven van de religieuze stelsels die door de professionele bedienaren van Babylon de Grote worden bediend? Welnu, beschouw eens wat er in die nacht van 539 v.G.T. gebeurde toen koning Belsazar en zijn hooggeplaatste gasten Babylonische goden roemden op een groots opgezet feest dat werd gehouden in weerwil van het feit dat zij door de Meden en Perzen werden belegerd. Eerst werd de brassende feestvierders het oordeel aangezegd toen zij een miraculeus handschrift op de muur van de feestzaal zagen verschijnen en de door Jehovah’s profeet Daniël gegeven uitleg hoorden. Vervolgens werden de koning en klaarblijkelijk ook de andere feestvierders die valse goden verheerlijkten, in dezelfde nacht dat Babylon viel door de binnenvallende veroveraars gedood (Daniël hfdst. 5). Een overeenkomstige ramp wacht religieuze bedienaren van Babylon de Grote en degenen die haar religieuze stelsels trouw blijven.

Gods bedienaren dringend nodig

6. (a) Wat moet God, in deze kritieke periode, voor de mensheid hebben? (b) Wanneer eindigden de tijden der heidenen, en wat zei Jezus hierover?

6 Niemand kan redelijkerwijs bestrijden dat wij nu in de meest kritieke periode van de menselijke geschiedenis sinds de wereldomvattende vloed van Noachs dagen leven (2 Timótheüs 3:1-5). Daarom is het van het grootste belang dat er nu ware dienaren van de God van Noach zijn. Evenals Jehovah de mensen in Noachs tijd en de brassers op Belsazars feest heeft gewaarschuwd, moet Hij beslist een dringende boodschap hebben gehad voor de mensheid die sinds 1914 leeft, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Gods dienstknechten hadden zelfs al ongeveer vier decennia lang op grote schaal in het openbaar op dat jaar gewezen als het jaar waarin de tijden der heidenen zouden eindigen. Jezus zei hierover: „Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.” — Lukas 21:24, Statenvertaling.

7. (a) Tot wanneer werd het aardse Jeruzalem door niet-joodse natiën vertreden? (b) Waarnaar verwees Jezus toen hij zei dat Jeruzalem „van de heidenen vertreden” zou worden?

7 Gedurende ongeveer 53 jaar na 1914, of tot de Zesdaagse Oorlog van 1967, bleven niet-joodse natiën het aardse Jeruzalem vertreden. Doch Jezus verwees klaarblijkelijk niet naar het joodse Jeruzalem van thans, maar naar datgene waarvan die stad tot 607 v.G.T. een afbeelding was, namelijk het koninkrijk van Jehovah God in handen van zijn gezalfde Koning uit het koninklijke huis van David! — Lukas 1:32; 1 Kronieken 29:11.

8. Aan wie zou Jehovah het koninkrijk van David geven, en waarom zouden mensen deze voorzegde troonsbestijging niet kunnen zien?

8 Jezus Christus was degene aan wie Jehovah God het koninkrijk van zijn voorvader David uit de oudheid zou geven. Toen Jezus voor Pilatus terechtstond, zei hij dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld was, waarmee hij bedoelde dat het hemels zou zijn (Johannes 18:36). Het was dan ook logisch dat Jezus’ toekomstige installatie in het Koninkrijk aan het einde van de tijden der heidenen in de onzichtbare hemel zou plaatsvinden. Zijn troonsbestijging zou derhalve onzichtbaar voor menselijke ogen zijn en daarom hebben noch wij noch de heidense natiën letterlijk gezien dat hij in 1914 op de troon werd geplaatst in het hem op rechtmatige wijze door God geschonken koninkrijk. Die natiën hebben beslist niet geloofd dat deze gebeurtenis plaatsvond, ondanks het feit dat Jehovah’s volk er sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw bekendheid aan had gegeven.

9. (a) Wat deden de natiën, zonder acht te slaan op de Koninkrijksboodschap? (b) Wat werd noodzakelijk, gezien de handelwijze van de natiën in 1914?

9 Zonder acht te slaan op de Koninkrijksboodschap, raakten de natiën in de herfst van 1914 in een oorlog gewikkeld. Zoals in Psalm 2:1-12 was voorzegd, gaven ze er blijk van dat ze Jezus’ vijanden waren, die weigerden de pasgeïnstalleerde Koning ten teken van hun onderworpenheid en trouw te ’kussen’. Daarom werd het noodzakelijk in overeenstemming met Psalm 110:1, 2, te handelen, waar staat: „De uitspraak van Jehovah tot mijn Heer luidt: ’Zit aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden tot een voetbank voor uw voeten stel.’ De staf van uw sterkte zal Jehovah uit Sion zenden, zeggend: ’Ga onderwerpen te midden van uw vijanden.’”

10. (a) Onder welke omstandigheden begon Jezus in 1914 te regeren? (b) Wie vertegenwoordigen Jehovah in de twintigste eeuw?

10 Nadat Jezus aan Gods rechterhand was gaan zitten om te wachten totdat hij te midden van zijn vijanden kon gaan regeren, gaven joodse tegenstanders blijk van hun vijandschap jegens Jezus’ apostelen (Handelingen 4:24-26). Insgelijks begon de verheerlijkte Jezus Christus aan het einde van de tijden der heidenen in 1914 te midden van vijanden te regeren. In deze twintigste eeuw bevinden degenen die Jehovah’s boodschap bekendmaken, zijn ware bedienaren van het Koninkrijk, zich dus net als in het verleden, te midden van vijanden. Deze bekendmakers zijn Zijn getuigen. — Jesaja 43:10-12.

Onze bevoegdheid als bedienaren verdedigen

11. Door wie is de bevoegdheid van Jehovah’s Getuigen als door God geordineerde Koninkrijksbedienaren aangevochten?

11 De ware, door God geordineerde Koninkrijksbedienaren hebben hun bevoegdheid voor de bediening altijd moeten verdedigen. Dit geldt zeker voor Jehovah’s Getuigen in deze twintigste eeuw. Hun bevoegdheid als officieel geordineerde bedienaren van God is aangevochten en als van geen waarde geacht. Door wie? Vooral door de afgestudeerden van theologische hogescholen der christenheid, die een certificaat van ordinatie ontvangen en betaalde geestelijken worden. Zij beschouwen zich als officieel opgeleid en als bevoegd en voldoende bekwaam om de exclusieve, professionele bedienaren van de God van de bijbel te zijn.

12. Van welke vooraanstaande eerste-eeuwse christen werd de bevoegdheid aangevochten, en hoe moest iemand die een ander soort van goed nieuws bracht, worden beschouwd?

12 In de eerste eeuw G.T. bestond een overeenkomstige situatie. In de Romeinse provincie Galátië kreeg zelfs de geïnspireerde schrijver van ongeveer de helft van de boeken der christelijke Griekse Geschriften te maken met een ontwikkeling waarin zijn bevoegdheid als een apostel van Jezus Christus werd aangevochten, want de juistheid van wat hij als christendom onderwees, werd in twijfel getrokken. Hij werd hierdoor genoopt tot de Galáten te zeggen: „Het verwondert mij dat gij u zo vlug van Degene die u met Christus’ onverdiende goedheid heeft geroepen, laat afbrengen tot een ander soort van goed nieuws. Maar het is geen ander; alleen zijn er zekere mensen die u moeilijkheden veroorzaken en het goede nieuws over de Christus willen verdraaien. Maar ook al zouden wij of een engel uit de hemel u iets als goed nieuws bekendmaken buiten hetgeen wij u als goed nieuws hebben bekendgemaakt, hij zij vervloekt. Zoals wij in het bovenstaande hebben gezegd, zeg ik ook nu weer: Wie het ook is die u iets als goed nieuws bekendmaakt buiten hetgeen gij hebt aanvaard, hij zij vervloekt.” — Galáten 1:6-9.

13. Waarom hadden de Galáten Paulus’ autoriteit niet in twijfel mogen trekken?

13 Het is waar dat die schrijver, de apostel Paulus, de christelijke leer aanvankelijk niet door persoonlijk contact met Jezus Christus of diens twaalf apostelen had geleerd. Later bracht Paulus enige tijd door met de apostel Petrus, ofte wel Céfas (Johannes 1:42; Galáten 1:18, 19). Maar Paulus kon ter verdediging van het feit dat hij een bevoegde bedienaar was van het goede nieuws dat God hem via Christus had toevertrouwd, tot de onstandvastige christenen in Galátië zeggen: „Ja, toen zij de onverdiende goedheid die mij was gegeven, leerden kennen, reikten Jakobus en Céfas en Johannes, degenen die pilaren schenen te zijn, mij en Barnabas de rechterhand van gezamenlijke deelneming, opdat wij naar de natiën zouden gaan, maar zij naar de besnedenen” (Galáten 2:9). Die Galáten hadden zich dus moeten afvragen: Als Paulus door Jezus’ apostelen Petrus, Jakobus en Johannes erkend wordt als een bekendmaker van het ware goede nieuws, welke basis hebben wij dan om zijn boodschap te bestrijden en ons ervan af te keren?

14. Waarom is het niet vreemd dat de status die Jehovah’s Getuigen als bedienaren hebben, wordt aangevochten?

14 Maar wat valt er over Jehovah’s volk in deze tijd te zeggen? Welnu, indien iemand als Paulus verplicht was zijn bevoegdheid als bedienaar van God en Christus te verdedigen, waarom zouden wij als opgedragen, gedoopte getuigen van Jehovah dan verbaasd moeten zijn wanneer onze status wordt aangevochten en wij onze positie als Koninkrijksbedienaren moeten verdedigen? Evenals in Paulus’ geval wordt door een dergelijke ongegronde bestrijding van ons natuurlijk niets bewezen.

Zelfs Jezus’ positie werd aangevochten

15. Welke hogere autoriteit dan de apostelen, ondervond ook dat zijn onderwijsbevoegdheid werd aangevochten, en aan wie schreef hij zijn bevoegdheid toe?

15 De positie van de Heer Jezus Christus zelf werd aangevochten en hij moest ervaren dat zijn eigen volk niet bereid was hem als een bevoegde bedienaar van God te erkennen. Wij lezen bijvoorbeeld: „Toen nu het [loofhutten]feest reeds half voorbij was, begaf Jezus zich naar de tempel en ging er onderwijzen. De joden dan stonden verwonderd en zeiden: ’Hoe kan deze man zo geleerd zijn, terwijl hij niet op de scholen heeft gestudeerd?’” Jezus ging hier rechtstreeks op in door te verklaren: „Wat ik leer, is niet van mij, maar behoort hem toe die mij heeft gezonden. Indien iemand zijn wil wenst te doen, zal hij betreffende deze leer weten of ze uit God is of dat ik uit mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen heerlijkheid; wie daarentegen de heerlijkheid zoekt van degene die hem heeft gezonden, die is waarachtig, en er is geen onrechtvaardigheid in hem.” — Johannes 7:14-18.

16. Waarom meenden de religieuze leiders van het judaïsme dat zij gronden hadden om Jezus’ onderwijsbekwaamheid in twijfel te trekken?

16 De religieuze leiders van het judaïsme beschouwden Jezus Christus als louter een Galileeër. Zij dachten natuurlijk niet dat hij, doordat hij geen onderwijs had genoten aan de een of andere school, en in het bijzonder een theologische hogeschool, niet kon lezen. Jezus had er per slot van rekening reeds blijk van gegeven dat hij de tekst van de Hebreeuwse Geschriften kon lezen (Lukas 4:16-21). Wat die joden uit Judéa en Jeruzalem echter niet konden aanvaarden, was het feit dat deze voormalige timmerman geen theoloog was en niet tot de schriftgeleerden, Farizeeën en Sadduceeën van hun natie gerekend kon worden. Waarom moest hij er dan in het openbaar aanspraak op maken de betekenis en toepassing van de Hebreeuwse Geschriften te weten, en waarom sprak hij met zoveel autoriteit? Dat was de oorzaak waardoor die joden in geestelijk opzicht te doof werden om de klank van de goddelijke waarheid te horen. Zij waren te trots om te aanvaarden wat iemand te zeggen had die niet aan een theologische hogeschool was afgestudeerd.

„Door Jehovah onderwezen”

17. Welke Onderwijzer zagen de joodse religieuze leiders in verband met Jezus Christus over het hoofd, en wat voor leerling was Jezus?

17 Die wereldwijze joden zagen Degene over het hoofd door wie Jezus Christus in werkelijkheid onderwezen was. Ja, Jezus’ bekwaamheid als onderwijzer was afkomstig van „de grootste onderwijzer van allemaal”, Jehovah God! (Job 36:22, Today’s English Version). Jezus zei met betrekking tot God in deze hoedanigheid: „Wanneer gij de Zoon des mensen eenmaal hebt omhooggeheven, dan zult gij weten dat ik het ben, en dat ik niets uit mijzelf doe; maar deze dingen spreek ik, zoals de Vader mij heeft geleerd” (Johannes 8:28). Jezus bewees dus de beste leerling te zijn van de universele school van de grootste Onderwijzer die er bestaat. Dit strekte Degene die hem had onderwezen, tot eer. Geen wonder dat de Nazareners over hun vroegere stadgenoot zeiden: „Waar heeft deze man die wijsheid en deze krachtige werken vandaan?” — Matthéüs 13:54.

18. (a) Wat voor onderwijzer hebben wij nodig? (b) Wat zei Jezus over de grootste Onderwijzer en degenen die door Hem zijn onderwezen?

18 Om de bijbel te begrijpen, willen wij graag de beste onderwijzer hebben die er bestaat, en zo’n onderwijzer hebben wij ook nodig. Die onderwijzer is de Inspirator van dat onovertrefbare boek. Jezus zei tot degenen die gedurende de tijd dat hij op aarde leefde, deel uitmaakten van de zichtbare, aardse organisatie van die Onderwijzer: „Niemand kan tot mij komen, tenzij de Vader, die mij heeft gezonden, hem trekt; en ik zal hem op de laatste dag opwekken. Er staat geschreven in de Profeten: ’En zij zullen allen door Jehovah worden onderwezen.’ Een ieder die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot mij” (Johannes 6:44, 45). Jezus deed daar een aanhaling uit Jesaja 54:13, waar staat: „En al uw zonen zullen door Jehovah onderwezen personen zijn, en de vrede van uw zonen zal overvloedig zijn.”

19. Wier „zonen” zouden door Jehovah worden onderwezen?

19 Wij vragen echter: Wier „zonen” zouden „door Jehovah onderwezen personen” zijn? Die profetische belofte werd gedaan aan een figuurlijke „vrouw”, een toekomstige moeder van bepaalde „zonen” of kinderen. Dit is de „vrouw” die in Jesaja 54:1 wordt toegesproken, waar staat: „’Hef een vreugdegeroep aan, gij onvruchtbare vrouw die niet gebaard hebt! Word vrolijk met vreugdegeroep en jubel, gij die geen barensweeën hebt gehad, want de zonen van de eenzame zijn talrijker dan de zonen van de vrouw met een echtgenoot-eigenaar’, heeft Jehovah gezegd.”

20. Wat moeten opgedragen christenen met het oog op 2 Korinthiërs 13:5 blijven doen, en hoe houdt dit verband met hun bevoegdheid en bekwaamheid als Koninkrijksbedienaren?

20 Aangezien Jehovah Degene is die deze „vrouw” toespreekt en die de Onderwijzer van haar „zonen” zou zijn, moet hij haar figuurlijke Echtgenoot zijn en zij moet zijn met een vrouw te vergelijken hemelse organisatie zijn. Haar „zonen” of kinderen zijn leerlingen van „de grootste onderwijzer van allemaal”. Het is natuurlijk gebiedend noodzakelijk dat die „zonen”, Jezus’ gezalfde volgelingen, en hun metgezellen, de „grote schare”, het door Jehovah verschafte onderricht voortdurend toepassen (Openbaring 7:9). Dat is beslist één manier om acht te slaan op Paulus’ vermaning: „Blijft beproeven of gij in het geloof zijt, blijft bewijzen dat gij goedgekeurd zijt” (2 Korinthiërs 13:5). Indien opgedragen, gedoopte christenen dit blijven doen en ijverige leerlingen van de grootste Onderwijzer blijven, zullen zij beslist de benodigde bekwaamheid bezitten om Jehovah’s bevoegde Koninkrijksbedienaren te zijn. Wij zullen nu gaan zien hoe Gods bedienaren bewijzen dat zij die bevoegdheid en bekwaamheid bezitten.

Wat zou u zeggen?

◻ Hoe kunt u bewijzen dat Jehovah bedienaren op aarde heeft?

◻ Wat werd afgebeeld door het Jeruzalem dat „van de heidenen vertreden” werd?

◻ Wat heeft Jezus moeten doen omdat de natiën het Koninkrijk negeren?

◻ Waarom is het niet vreemd dat de status van Jehovah’s Getuigen als bedienaren van het evangelie wordt aangevochten?

◻ Wat zagen de joodse religieuze leiders, die Jezus’ onderwijsbekwaamheid aanvochten, over het hoofd?

[Illustratie op blz. 17]

Evenals Jehovah Daniël gebruikte om brassers op Belsazars feest het oordeel aan te zeggen, maken Zijn bedienaren thans een dringende boodschap bekend

[Illustratie op blz. 19]

De religieuze leiders waren te trots om zelfs Jezus Christus als een bedienaar van God te erkennen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen