De liefde van ons gezin voor God ondanks gevangenissen en dood
Zoals verteld door Magdalena Reuter-Kusserow
MIJN broer Wilhelm zou de volgende ochtend door de nazi’s terechtgesteld worden. Zijn misdaad? Gewetensbezwaar tegen dienst in het Duitse leger. Hij was 25 jaar en was zich er terdege van bewust dat hij weldra door het vuurpeloton terechtgesteld zou worden. Die avond, 26 april 1940, schreef hij ons de onderstaande afscheidsbrief, waarna hij vredig naar bed ging en rustig sliep.
„Lieve ouders, broers en zusters,
Jullie weten allemaal hoeveel jullie voor mij betekenen, en daar moet ik telkens weer aan denken als ik naar onze gezinsfoto kijk. Wat een harmonie heerste er thuis toch altijd. Niettemin moeten wij bovenal God liefhebben, zoals onze Leider [Führer] Jezus Christus geboden heeft. Als wij het voor hem opnemen, zal hij ons belonen.”
In zijn laatste nacht dacht onze lieve Wilhelm aan ons — zijn christelijke ouders en zijn vijf broers en vijf zusters, een ongewoon groot en harmonieus gezin. In alle beroering der tijden hebben wij er als gezin zorg voor gedragen dat onze liefde voor God altijd op de eerste plaats kwam.
Ons „Gouden Tijdperk”-huis
Mijn ouders, Franz en Hilda Kusserow, waren ijverige Bijbelonderzoekers of Bibelforscher (Jehovah’s Getuigen) geweest sedert hun doop in 1924, het jaar waarin ik als hun zevende kind ter wereld kwam. De jeugdjaren die wij elf kinderen samen met onze ouders hebben doorgebracht, zijn een heerlijke tijd geweest. Aangezien mijn vader al vroeg in zijn leven met zijn wereldse werk was opgehouden, kon hij veel tijd aan ons besteden. Daarbij liet hij zich leiden door bijbelse beginselen. Er ging geen dag voorbij zonder dat wij raad en onderwijs uit de bijbel kregen. Onze ouders zagen in dat kinderen niet vanzelf lofprijzers van Jehovah zullen worden, alleen omdat hun ouders het zijn.
In 1931 gaf Vader gehoor aan de uitnodiging van het Wachttorengenootschap om met zijn grote gezin te verhuizen naar een gebied waar destijds geen plaatselijke gemeente was. In Paderborn en omgeving — waartoe ongeveer tweehonderd stadjes en dorpen gerekend werden — hadden wij heel wat werk te doen om de Koninkrijksboodschap te prediken. Mijn oudste zuster, Annemarie, diende als speciale pionierster, en Paps en mijn vijftienjarige broer Siegfried waren gewone pioniers.
Zelfs vanuit de verte konden de mensen twee opschriften zien die met grote letters aan weerskanten op ons huis in Bad Lippspringe geschilderd waren. Daar had Vader in het Duits geschreven: LESEN SIE ’DAS GOLDENE ZEITALTER’ (LEES ’HET GOUDEN TIJDPERK’, zoals het tijdschrift Ontwaakt! destijds heette). Het huis lag aan de trambaan tussen Paderborn en Detmold. Altijd als de tram voor het huis stopte, riep de bestuurder: „Tramhalte GOUDEN TIJDPERK!” En werkelijk, ons huis, gelegen op ruim 1,2 ha grond en omgeven door een prachtige tuin met struiken en bomen, werd voor ons een centrum van onderwijs en activiteiten die allemaal draaiden om het gouden tijdperk van Gods toekomstige koninkrijk. — Matthéüs 6:9, 10.
Ons harmonieuze gezin
Een met zoveel kinderen gezegend gezin moest met beleid bestuurd worden. Dikwijls vielen er groenten en fruit te oogsten. De kippen en eenden moesten verzorgd worden en ons zuiglam moest zijn fles hebben. De tekkel „Fiffi” en „Pussi”, de kat, eveneens geliefde „leden” van het gezin, hadden aandacht nodig. Daarom maakte Vader een schema voor de werkzaamheden in de huishouding, de tuin en de zorg voor de huisdieren. Ieder kind had een aandeel aan de verschillende taken, die wekelijks afwisselend door de jongens en de meisjes behartigd werden.
Paps ruimde ook tijd in voor ontspanning, waaronder muziek, schilderen en een aantal andere dingen, allemaal onder toezicht van Moeder, die gediplomeerd onderwijzeres was. Wij hadden vijf violen, een piano, een harmonium, twee accordeons, een gitaar en diverse fluiten. Ja, onze ouders hielden niet alleen toezicht op ons huiswerk voor school, maar zorgden ervoor dat ook muziek en zang een plaats in ons onderwijsprogramma kregen.
Wat ik nu het belangrijkste vind, is dat er geen enkele dag voorbijging zonder dat wij geestelijk onderricht kregen, hetzij doordat wij aan tafel antwoord kregen op onze vragen, of doordat wij verschillende bijbelteksten uit ons hoofd leerden. Ook stond Vader erop dat wij leerden ons goed uit te drukken. Met andere woorden, wij hadden een ideaal gezinsleven, beter dan enig verhaal zou kunnen vertellen. Natuurlijk hadden wij ook onze zwakheden, en dikwijls bestrafte Vader ons met woorden die meer pijn deden dan slaag had kunnen doen. Hij leerde ons altijd vergeving te vragen voor onze fouten en vergevensgezind jegens anderen te zijn. Wij beseften toen nog niet hoe belangrijk heel deze opleiding zou zijn.
Het jongste gezinslid, de kleine Paul-Gerhard, werd in 1931 geboren. Hij werd verwelkomd door zijn broers, Wilhelm, Karl-Heinz, Wolfgang, Siegfried en Hans-Werner, en door mij en mijn zusters, Annemarie, Waltraud, Hildegard en Elisabeth.
De verdrukking begint
Omstreeks die tijd kwam Hitler in Duitsland aan de macht. Vader wist schijnbaar dat er moeilijkheden op komst waren en hij bereidde ons steeds intensiever voor op de moeilijke jaren die komen zouden. Hij liet ons aan de hand van de bijbel zien dat sommige getrouwe Getuigen vervolgd, in de gevangenis geworpen en zelfs gedood zouden worden (Matthéüs 16:25; 2 Timótheüs 3:12; Openbaring 2:10). Ik kan mij nog herinneren dat ik dacht dat dit toch niet per se ons gezin hoefde te overkomen. Ik had er geen flauw vermoeden van wat de toekomst ons zou brengen.
De eerste slag die ons trof was de dood van mijn broer Siegfried, die op twintigjarige leeftijd bij een ongeluk verdronk. Toen begonnen in de lente van 1933 de nationaal-socialisten, thans algemeen bekend als de nazi’s, ons scherp in het oog te houden. De geheime politie beval dat de opschriften op ons huis overschilderd moesten worden. Maar de verf in die dagen was zo slecht dat je het „GOUDEN TIJDPERK” er nog doorheen kon zien komen! En de tramconducteur bleef roepen: „Tramhalte GOUDEN TIJDPERK!”
Geleidelijk verergerde de druk. Mede-Getuigen die door de Gestapo zwaar mishandeld waren, zochten hun toevlucht in ons huis. Vader raakte zijn pensioen kwijt omdat hij weigerde „Heil Hitler” te zeggen. Tussen 1933 en 1945 heeft de Gestapo ons huis zo’n achttien maal doorzocht. Maar lieten wij kinderen ons door dit alles intimideren? Mijn zuster Waltraud herinnert zich: „Zelfs toen de vervolging hevig werd, voelden wij ons gesterkt door onze ouders, die geregeld de bijbel met ons bestudeerden. Wij hielden nog steeds vast aan Vaders schema.”
De jongsten onder druk
De jongsten van ons gingen elke dag met lood in de schoenen naar school. De onderwijzers eisten dat wij de vlag groetten, nazi-liederen zongen en met opgeheven arm „Heil Hitler” zeiden. Omdat wij dat weigerden, werden wij het mikpunt van bespotting. Maar waardoor werden wij geholpen standvastig te blijven? Wij zijn het er allemaal over eens dat het geheim was dat Vader en Moeder dagelijks de problemen van ons elk afzonderlijk met ons bespraken naarmate ze zich voordeden (Efeziërs 6:4). Zij lieten ons zien hoe wij moesten handelen en ons met de bijbel moesten verdedigen (1 Petrus 3:15). Dikwijls oefenden wij toespraakjes, waarbij vragen werden gesteld en antwoorden gegeven werden.
Mijn zuster Elisabeth vertelt over een zware beproeving die zij te verduren kreeg: „Een buitengewoon moeilijk ogenblik, dat wij nooit zullen vergeten, kwam in het voorjaar van 1939, toen het schoolhoofd de beschuldiging uitbracht dat wij kinderen geestelijk en moreel verwaarloosd werden en hij via de rechtbank regelingen trof om ons van school te laten oppakken en naar een onbekende plaats te laten brengen. Ik was dertien, Hans-Werner negen en de kleine Paul-Gerhard pas zeven jaar.”
Onlangs, meer dan veertig jaar later, ontving Paul-Gerhard een brief van een ambtenaar die nog steeds door zijn geweten werd gekweld. Hij schreef: „Ik was de politieagent die u en uw broer en zuster naar de tuchtschool bracht. Ik heb u daar nog diezelfde avond gebracht.” Stel u voor — die drie weerloze kinderen van school weggehaald zonder een woord tegen onze ouders!
Moeder probeerde erachter te komen waar zij heen gebracht waren. Eindelijk, na enige weken, ontdekte zij dat zij zich op een tuchtschool in Dorsten bevonden. De directeur zag al spoedig in dat het welgemanierde kinderen waren die daar niet thuishoorden, en daarom werden zij na enkele maanden vrijgelaten. Maar zij kwamen niet thuis aan. Wat was er gebeurd?
Mijn broers en zuster waren door de Gestapo opgepakt en van Dorsten naar Nettelstadt bij Minden overgebracht en op een opleidingsschool van de nazi’s geplaatst. Bezoek van familie was natuurlijk verboden, maar Moeder probeerde op alle mogelijke manieren haar kinderen te sterken, onder andere door hun heimelijk brieven te sturen. Een keer wist zij hen zelfs in het geheim te ontmoeten en kon zij met hen praten. Later werden de kinderen van elkaar gescheiden en naar verschillende plaatsen gebracht. Zij bewaarden echter hun rechtschapenheid en weigerden de vlag te groeten of „Heil Hitler” te zeggen. Zij wezen op Handelingen 4:12, waar over Jezus Christus wordt gezegd: ’Er is in niemand anders redding [Heil in het Duits].’
Het hele gezin op de proef gesteld
Intussen zat Vader twee gevangenisstraffen uit. Op 16 augustus 1940 werd hij vrijgelaten, maar al acht maanden later moest hij wegens zijn derde veroordeling naar de strafgevangenis in Kassel-Wehlheiden. Wat een vreugde schonk het hem echter in deze korte periode van vrijheid drie van ons te kunnen dopen — de negentienjarige Hildegard, de achttienjarige Wolfgang en mij, destijds zestien jaar oud.
Toen Vader weer naar de gevangenis moest, werden tegelijkertijd Moeder en Hildegard gevangengezet. Ook ik kwam voor de rechter en ik werd op zeventienjarige leeftijd tot eenzame opsluiting in de jeugdgevangenis in Vechta veroordeeld. Daar had ik vrijwel niets te doen. Het viel niet mee vroeg op te staan en de hele dag alleen maar tegen gewitte muren aan te zitten kijken. Ik probeerde mij zoveel mogelijk te herinneren van wat ik geleerd had en ik stond versteld van de geestelijke rijkdom die ik vond. Ik haalde mij hele Koninkrijksliederen voor de geest en werkte bijbelse thema’s uit. Wat was ik dankbaar voor alle zorgvuldige opleiding die mijn ouders mij gegeven hadden!
Toen mijn eerste zes maanden in de gevangenis bijna om waren, ontbood de directrice van de gevangenis mij in haar kantoor en legde uit dat ik vrijgelaten zou worden als ik een document ondertekende waarin ik mijn geloofsovertuigingen als een valse leer verloochende. Weer had ik het voorrecht mijn geloof te verdedigen. Haar antwoord bestond uit zwijgen. Toen zei ze met verdrietige stem dat zij mij weer aan de Gestapo zou moeten uitleveren. Vier maanden later werd ik naar het concentratiekamp Ravensbrück overgebracht.
Mijn moeder en Hildegard zaten nog in een andere gevangenis. Ik ontmoette hen later, toen zij aan Ravensbrück werden toegewezen. Toen konden Moeder en ik tot het einde van de oorlog bij elkaar blijven. Ook Annemarie en Waltraud zaten gevangenisstraffen uit. Elk lid van ons gezin bevond zich nu hetzij achter de tralies of was ontvoerd. Het grote huis in Bad Lippspringe, dat eens vervuld was geweest van het gelach en gezang van zorgeloze kinderen, stond nu leeg. De opschriften aan weerskanten van het huis waren telkens opnieuw overschilderd. HET GOUDEN TIJDPERK was uit het gezicht verdwenen.
Ravensbrück — Vrienden en vijanden
Toen ik in Ravensbrück aankwam, verheugde ik mij ondanks mijn angst op een ontmoeting met andere Getuigen. Maar hoe moest ik hen vinden tussen al die duizenden gevangenen? Bij de aankomstprocedure behoorde ook de ontluizing. De gevangene die mijn hoofd inspecteerde, vroeg zachtjes: „Waarom ben jij hier?” „Ik ben een Bibelforscher”, antwoordde ik. Verheugd zei ze: „Van harte welkom, lieve zus!” Vervolgens werd ik naar het blok van de Bibelforscher gebracht, waar zuster Gertrud Poetzinger mij onder haar hoede nam.
De volgende dag werd ik in het kantoor van de kampcommandant ontboden. Op zijn bureau lag een grote bijbel, opengeslagen bij Romeinen hoofdstuk 13. Hij beval mij het eerste vers te lezen, waar staat: „Iedere ziel zij onderworpen aan de superieure autoriteiten.” Toen ik het voorgelezen had, zei hij: „En nu ga je mij uitleggen waarom jij de superieure autoriteiten niet wilt gehoorzamen.” Ik antwoordde: „Om dat uit te leggen, zou ik het hele hoofdstuk voor moeten lezen.” Daarop sloeg hij abrupt de bijbel dicht en stuurde mij weg. Zo begon ik aan mijn drie en een half jaar in Ravensbrück.
Behalve de onmenselijkheid van de SS-bewakers waren de winters daar misschien wel het ergst van alles. Elke ochtend stonden wij in de vlijmende koude aangetreden voor het officiële appel. Dat begon om vier uur in de ochtend en kon twee tot wel vijf uur duren! Wij mochten onze handen niet in onze zakken steken en ik kreeg winterhanden en -voeten waar medische hulp aan te pas moest komen.
Maar wij gebruikten die aan het appel verspilde uren ook om elkaar geestelijk op te bouwen. Als de SS-bewakers buiten gehoorsafstand waren, gaven wij elkaar allemaal fluisterend een tekst door en concentreerden zo onze geest op Gods Woord. Bij één gelegenheid hebben wij allemaal Psalm 83 geleerd, door de een na de ander de woorden te herhalen, waarbij wij goed opletten dat geen bewaker ons betrapte. Deze geestelijke steun hielp ons te volharden. Maar laten wij teruggaan naar de lente van 1940.
De eerste martelaar
Mijn oudere broer Wilhelm werd ter dood veroordeeld en in het openbaar terechtgesteld in de tuin van het ziekenhuis in Münster. Hij was de eerste martelaar uit ons gezin. Moeder en ik hebben hem kort voor zijn dood een bezoek gebracht. Wij waren onder de indruk van zijn kalme vastberadenheid. Hij wilde nog dat Moeder zijn overjas nam, want, zo zei hij: „Ik heb hem niet meer nodig.”
Hitler verwierp Wilhelms derde beroep tegen het doodvonnis en ondertekende persoonlijk het bevel tot zijn executie. Maar zelfs terwijl Wilhelm werd geblinddoekt, bood men hem nog een laatste kans om zijn geloof af te zweren. Dat weigerde hij. Zijn laatste wens? Of zij goed wilden mikken. Zijn door de rechtbank aangewezen advocaat schreef jaren later aan de familie: „Hij is onmiddellijk gestorven en is kaarsrecht de dood ingegaan. Zijn houding heeft op de rechtbank en op ons allen een diepe indruk gemaakt. Hij stierf in overeenstemming met zijn overtuigingen.”
Moeder reisde onmiddellijk naar Münster om zijn lichaam op te eisen. Zij was vastbesloten hem in Bad Lippspringe te begraven. Zoals ze zei: „Wij zullen een krachtig getuigenis geven aan hen die hem gekend hebben.” Zij voegde eraan toe: „Satan zal ervoor boeten dat hij mijn Wilhelm omgebracht heeft.” Zij vroeg voor mijn vader vier dagen verlof uit de gevangenis aan opdat hij de begrafenis zou kunnen bijwonen, en tot onze verrassing werd het toegestaan!
Vader sprak bij de begrafenis het gebed uit, en Karl-Heinz, de op één na oudste zoon, sprak bijbelse woorden van troost tot de grote menigte rouwenden die aan Wilhelms graf bijeengekomen waren. Enige weken daarna werd ook Karl-Heinz zonder enige vorm van proces naar een concentratiekamp gestuurd, eerst naar Sachsenhausen en later naar Dachau.
Een tweede martelaar
Mijn andere oudere broer, Wolfgang, had zijn standpunt voor de ware God ingenomen toen hij gedoopt werd, al wist hij dat dit ook voor hem op de dood kon uitlopen. Maar hij kon niet vergeten wat een voortreffelijke voorbeelden van standvastigheid zijn vader en zijn broers, ja alle leden van het gezin, waren geweest. Op 27 maart 1942, anderhalf jaar na zijn doop, zat hij zelf in een cel in Berlijn de volgende afscheidsbrief te schrijven:
„Nu moet ik, jullie derde zoon en broer, jullie morgenochtend verlaten. Wees niet bedroefd, want de tijd zal komen dat wij weer samen zullen zijn. . . . Hoe groot zal dan onze vreugde zijn als wij herenigd worden! . . . Nu zijn wij uit elkaar gerukt, en elk van ons moet de beproeving doorstaan; dan zullen wij beloond worden.”
Hitler had besloten dat de dood door de kogel te goed was voor gewetensbezwaarden. Hij gaf bevel tot onthoofding door de guillotine. Wolfgang werd als de tweede martelaar van ons gezin in de strafgevangenis van Brandenburg onthoofd. Hij was pas twintig jaar.
De liefde voor God komt nog steeds op de eerste plaats
Wat is er geworden van de gezinsleden die het nazi-tijdperk overleefden? Waltraud en Hans-Werner kwamen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog als eersten terug in Bad Lippspringe. Hildegard, Elisabeth en Paul-Gerhard volgden. Vader begaf zich met een gebroken been, genesteld tussen de schapen in een veewagen, op weg naar huis.
„Wat waren wij gelukkig dat Vader weer vrij en bij ons was”, vertelt Waltraud. „Maar hij was er slecht aan toe. In juni 1945 bracht een verpleegster onze ernstig zieke broer Karl-Heinz uit het concentratiekamp Dachau terug. In juli 1945 kwam Annemarie via een omweg thuis uit de strafgevangenis in Hamburg-Fuhlsbüttel. De laatste leden van het gezin, Moeder en Magdalena, keerden na veel moeilijkheden in september 1945 uit Ravensbrück terug. Wat hadden wij veel te bepraten!”
Was door deze periode van vervolging en verliezen voor ons gezin onze liefde voor God gedoofd? Allerminst! Hoewel Vader ziek was, gunde hij zich geen rust voordat hij het werk, met inbegrip van de prediking van huis tot huis, weer georganiseerd had en regelingen had getroffen voor het houden van vergaderingen. Terwijl wij voor het gezin een schema uitwerkten dat voorzag in de verzorging van de zieken en de noodzaak van levensonderhoud, vergaten wij niet dat onze liefde voor God op de eerste plaats diende te komen. Wij overwogen de mogelijkheden voor de volle-tijddienst. En zo gingen Elisabeth en ik in 1946 in de speciale pioniersdienst, terwijl Annemarie en Paul-Gerhard als gewone pioniers dienden.
De naweeën
Maar de naweeën van de vervolging voor ons gezin kwamen al spoedig aan het licht. In oktober 1946 stierf Karl-Heinz op 28-jarige leeftijd aan tuberculose. In juli 1950 beëindigde mijn vader zijn aardse loopbaan, in de overtuiging dat zijn werken tegelijk met hem zouden gaan. Mijn moeder, die eveneens een hemelse hoop had, is in 1979 gestorven. (Zie Openbaring 14:13.) Elisabeth moest de volle-tijddienst opgeven maar is tot haar dood in 1980 getrouw gebleven. Moeder had in 1951 de pioniersdienst op zich genomen en wist het, hoewel zij al over de zestig was, drie en een half jaar vol te houden. En wat een vreugde is het voor haar geweest nog voor haar dood de meesten van haar kleinkinderen in de volle-tijddienst te zien gaan.
Mijn jongste broer, Paul-Gerhard, heeft in de drukkerij van het Duitse Bethel gewerkt tot hij werd uitgenodigd om een opleiding aan de zendelingenschool Gilead te volgen. Hij gradueerde in 1952 met de negentiende klas. Na nog ettelijke jaren in de volle-tijddienst te zijn geweest, moest hij er noodgedwongen mee ophouden toen zijn vrouw ernstig ziek werd. Hoewel zij nog steeds bedlegerig is, dient hij als ouderling, en hun dochter Brigitte is nu in de speciale pioniersdienst. Hun zoon Detlef pioniert al veertien jaar. Ook Jethro en Wolfgang, de twee kinderen van Elisabeth, zijn al vele jaren in de volle-tijddienst.
In 1948 ben ook ik op Bethel in Wiesbaden gaan dienen. In de Bethelfamilie voelde ik mij veilig, net als thuis. Wij werkten hard, vaak tot ver in de avond, om de enorme zendingen boeken van het hoofdbureau in Brooklyn uit te laden. In 1950 trouwde ik met George Reuter, eveneens een Bethelwerker. Daarmee begon voor mij een nieuwe periode van heerlijke ervaringen aan de zijde van mijn echtgenoot in de kring-, districts- en zendingsdienst in Togo (Afrika), in Luxemburg en nu in het zuiden van Spanje.
En de rest van het gezin? In 1960 zijn Annemarie, Waltraud en Hildegard samen met Moeder verhuisd naar een grote stad in Duitsland waar zij met Engels- en Italiaans-sprekende gemeenten konden samenwerken. Hildegard, die bijna vijf jaar van gevangenissen en concentratiekamp had overleefd, stierf uiteindelijk in 1979. Annemarie en Waltraud hebben hun zelfopofferende geest behouden en zijn doorgegaan met hun toegewijde werk.
Werkelijk, ons gezin, waar de liefde voor God op de eerste plaats kwam, heeft ondervonden hoe waar de woorden van Jezus zijn dat „de Duivel zal voortgaan sommigen . . . in de gevangenis te werpen” om de getrouwheid van Gods dienstknechten „zelfs tot de dood” op de proef te stellen. Maar nooit hebben wij vergeten wat Jezus nog meer zei: „Wie overwint, zal geenszins schade lijden van de tweede dood.” — Openbaring 2:10, 11.
Wij hebben derhalve alle reden om ernaar uit te zien verenigd te worden in het komende „GOUDEN TIJDPERK” — en dan niet meer alleen op een muur geschilderd. Onder Gods koninkrijk zal het werkelijkheid zijn! — Openbaring 20:11–21:7.
[Illustratie op blz. 11]
De laatste foto die ooit van het hele gezin is genomen. Van links naar rechts, achteraan: Siegfried, Karl-Heinz, Wolfgang, Vader, Moeder, Annemarie, Waltraud, Wilhelm, Hildegard. Onder: Paul-Gerhard, Magdalena, Hans-Werner en Elisabeth
[Illustratie op blz. 12]
Het huis van ons gezin aan de tramhalte „GOUDEN TIJDPERK”