Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w85 15/8 blz. 5-7
  • Alle mensen zijn gelijk — Waarin?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Alle mensen zijn gelijk — Waarin?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Gelijken in een verenigd lichaam
  • Gelijkheid in de praktijk van nu
  • Het streven naar gelijkheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
  • Is een klasseloze maatschappij echt mogelijk?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
  • De huidige gesel van ongelijkheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
  • Komt er ooit een eind aan racisme? Wat zegt de Bijbel?
    Meer onderwerpen
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1985
w85 15/8 blz. 5-7

Alle mensen zijn gelijk — Waarin?

IS HET mogelijk dat mannen en vrouwen van alle natiën elkaar als gelijken bezien — en bejegenen? Uitgaande van de huidige wereldorde moet het antwoord ontkennend luiden. Toch kunnen wij het vertrouwen hebben dat het wel kan. Waarom? Omdat miljoenen christenen het al bewezen hebben.

Het is een bekend feit dat er een verband bestaat tussen het ware christendom en gelijkheid. De apostel Paulus schreef bijvoorbeeld: „Wij zijn niet langer joden of Grieken of slaven of vrijen of zelfs maar mannen of vrouwen, wij zijn allemaal eender — wij zijn christenen” (Galáten 3:28, The Living Bible). Maar was dit slechts idealistisch gepraat? Hoe werkte dat in de praktijk, want de eerste christenen leefden toch in een wereld waar de ongelijkheid hoogtij vierde?

Er is veel geschreven over de ontzaglijke invloed die de vroege christenen op de wereld van hun tijd hebben uitgeoefend door de broederschap te ontwikkelen waar Jezus Christus hun onderwijs over had gegeven. Eberhard Arnold zegt in zijn boek The Early Christians After the Death of the Apostles:

„De gelijke achting die de christenen al hun medemensen toedroegen als broeders die onder hetzelfde oordeel stonden en dezelfde roeping hadden als zij, resulteerde in gelijkheid en kameraadschap in alle dingen. Deze gelijke achting resulteerde in gelijke rechten voor allen, dezelfde verplichting om te werken en dezelfde kansen in het leven voor allen. . . . De wederzijdse achting die de christenen in die tijd voor elkaar koesterden, resulteerde in een maatschappelijke solidariteit die berustte op liefde, op basis van volstrekte gelijkheid van geboorte.”

Wat een schitterend getuigenis van door God geschonken eenheid!

Gelijken in een verenigd lichaam

De afzonderlijke personen in de vroege christelijke gemeente bezaten verschillende natuurlijke vermogens en begaafdheden. Sommigen blonken wellicht uit in muziek, terwijl anderen een beter geheugen of grotere spierkracht hadden. Buiten die verscheidenheid verleende de heilige geest hun verschillende gaven en vermogens, zij het dat deze elkaar aanvulden. Daarom kon Paulus schrijven: „Want evenals het lichaam één is, maar vele leden heeft, en alle leden van dat lichaam, ofschoon er vele zijn, één lichaam zijn, zo ook de Christus. Want waarlijk, door één geest werden wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij joden of Grieken, hetzij slaven of vrijen” (1 Korinthiërs 12:11-13). Allen waren predikers, hoewel er een rijke variatie was aan „gaven in mensen”, zoals degenen die de gemeente weidden profetisch waren aangeduid. — Efeziërs 4:8; Psalm 68:18.

De opzieners waren geestelijk rijpe mannen en werden in het Grieks e·piʹsko·poi genoemd. Over het verwante werkwoord e·pi·skoʹpe·o (opzicht voeren) schrijft W. E. Vine: „Het woord impliceert niet het op zich nemen van die verantwoordelijkheid, maar het zich kwijten ervan. Het is geen kwestie van een positie innemen, maar van het uitvoeren van de taken.” Deze aangestelde opzieners werden bijgestaan door di·aʹko·noi, een Grieks woord dat vertaald wordt met „(be)dienaren”, „dienaren in de bediening” of „diakenen”. W. E. Vine zegt dat dit woord „in de eerste plaats betrekking heeft op een bediende, hetzij iemand die slavenarbeid doet of een dienaar die onbetaalde diensten verricht waarvan de aard niet specifiek wordt aangeduid”. In beide ambten waren de dienstvoorrechten de hoofdzaak. Er werd geen nadruk gelegd op de positie, want als aanbidders van God stonden zij op voet van gelijkheid met elkaar en waren zij allen zijn dienstknechten.

Hoewel Jezus twaalf mannen als zijn apostelen uitkoos, waren er ook vrouwen die omgang met hem genoten. Zij waren zeer actief en van Maria Magdalena, Johanna en Suzanna wordt met zoveel woorden gezegd dat zij Jezus dienden. Ook vrouwen ontvingen met Pinksteren 33 G.T. de gaven van de heilige geest. Daardoor konden zij in het openbaar vreemde talen spreken en getuigenis afleggen van hun christelijke geloof. Christelijke zusters namen echter niet de leiding bij het onderwijs in de gemeenten, maar namen samen met de broeders deel aan de openbare prediking van Gods Woord. — Lukas 8:1-3; Handelingen 1:14; 2:17, 18; 18:26.

Op een meer persoonlijk vlak schiepen de eerste-eeuwse christenen eveneens een precedent in het helpen van elkaar. Toen bijvoorbeeld bezoekers in Jeruzalem met Pinksteren 33 G.T. in aanraking kwamen met het wonderbare werk dat de apostelen deden, bleven zij langer dan zij van plan waren geweest, zodat zowel hun voedsel als hun geld opraakte. Maar het bijbelse verslag meldt: „Er was geen enkele behoeftige onder hen, want allen die landerijen of huizen bezaten, verkochten deze en brachten de opbrengst van de verkochte goederen mee” om die onder leiding van de apostelen onder allen te laten verdelen. Wat een voortreffelijke geest, en een duidelijke demonstratie dat de liefde en de gelijkheid onder die eerste christenen in de praktijk een realiteit was! Er kon gezegd worden dat zij „alle dingen gemeenschappelijk” hadden. — Handelingen 4:32, 34, 35.

Gelijkheid in de praktijk van nu

Door alle verdeeldheid en de maatschappelijke structuren in de wereld van deze tijd is het niet gemakkelijk om te proberen die vroege christenen na te volgen. Maar dat hebben Jehovah’s Getuigen zich wel altijd ten doel gesteld. En dat zij er vrij goed in geslaagd zijn, is duidelijk. De Encyclopedia Canadiana merkt op:

„Het werk van Jehovah’s Getuigen is de herleving en het herstel van het primitieve christendom dat tijdens de eerste en tweede eeuw van onze tijdrekening door Jezus en zijn discipelen werd beoefend. . . . Zij zijn allen broeders.”

Net als 1900 jaar geleden verleent deze christelijke broederschap ook thans praktische hulp in tijden van nood. Toen in november 1980 gedeelten van Italië door een ernstige aardbeving getroffen werden, kwam de eerste door de Getuigen georganiseerde vrachtwagen vol hulpgoederen nog dezelfde avond in het zwaar getroffen gebied aan. Een officieel verslag luidt:

„De broeders waren verbaasd te zien hoe snel de noodzakelijke hulp kwam. Onmiddellijk richtten wij onze eigen keuken in, van waaruit het door de zusters bereide eten dagelijks aan de broeders werd uitgereikt. Voor de andere inwoners van de stad moest de hulpverlening nog op gang komen en zij redden zich zo goed en zo kwaad als het ging. Natuurlijk waren de broeders niet zelfzuchtig en het voedsel werd met veel niet-Getuigen gedeeld.”

Na de dood van koning Sobhoeza II van Swaziland in augustus 1982 kregen Jehovah’s Getuigen vervolging te verduren omdat zij weigerden deel te nemen aan traditionele religieuze rouwgebruiken. In Engeland maakten twee Getuigen, de een blank en de ander zwart, samen hun opwachting bij het plaatselijke Hoge Commissariaat van Swaziland om te proberen verlichting in de situatie te verkrijgen. Nadat de vertegenwoordiger van Swaziland enige tijd naar hen had geluisterd, wendde hij zich tot de zwarte Getuige, een zeer ontwikkeld man met een hoge functie in het bedrijfsleven, en vroeg: „Maar waarom bent u hier?” Hij kreeg ten antwoord: „Omdat ik bezorgd ben voor het welzijn van mijn christelijke broeders in uw land.” Het viel de functionaris moeilijk te begrijpen hoe zo’n welgesteld man zich kon beschouwen als de gelijke van Afrikanen in een land waar hij zelfs nog nooit was geweest.

Waarom zou u niet eens een bijeenkomst in een Koninkrijkszaal in uw omgeving of een van de grotere vergaderingen bijwonen, om het met eigen ogen te zien? U zult een gemeenschap aantreffen waar u welkom bent, of u nu jong bent of oud, arm of rijk, of u een universitaire opleiding of helemaal geen onderwijs hebt genoten. Iedereen wordt broeder of zuster genoemd en niet beoordeeld naar zijn ras, achtergrond of wereldse positie. Elk wordt gewaardeerd om zijn christelijke persoonlijkheid en hoedanigheden.

De organisatie van het onderwijs, met aangestelde ouderlingen en dienaren in de bediening, is gebaseerd op de structuur van de eerste christelijke gemeente. En de vergaderingen overal ter wereld weerspiegelen gelijkheid, eensgezindheid. Een anglicaanse geestelijke merkte op:

„Iedere bijeenkomst, hetzij formeel of informeel, is een bijeenkomst voor intensief onderwijs. Van de leden wordt verwacht dat zij zich op hun zondagse bijeenkomst voorbereiden door grondig het artikel in De Wachttoren te lezen, de bijbelteksten na te slaan en de antwoorden te zoeken op van tevoren bekende vragen. Op de bijeenkomsten zelf doet de gemeente goed mee. Zij worden gesteund door de wetenschap dat overal ter wereld gelijktijdig hetzelfde onderwijs wordt geboden.”

Indien u deze uitgave van De Wachttoren meeneemt naar de plaatselijke gemeente op de data die op bladzijde 2 staan aangegeven, kunt u zo’n bespreking volgen.

Bij deze besprekingen komt dikwijls de hoop aan de orde die de leden van de gemeente hebben: leven op een paradijsaarde waar geen oorlogen meer zullen woeden en de mensen hun talenten voor opbouwende doeleinden zullen aanwenden, waar zij werkelijk van „het werk van hun eigen handen” zullen genieten. Alle gehoorzame mensen zullen onder de heerschappij van Gods koninkrijk leven. Er zal geen honger meer zijn, omdat allen worden voorzien van volop voedsel, dat door een buitengewoon vruchtbare aarde wordt voortgebracht. Ook de gesels van ziekte zullen tot het verleden behoren omdat alle bewoners der aarde zich gelijkelijk verheugen in de vitaliteit van een volmaakte gezondheid. — Jesaja 2:4; 33:24; 65:22, 23; Zacharia 8:11, 12.

Ja, deze christelijke hoop is reëel, evenals de wetenschap dat de huidige structuur van de christelijke gemeente in het aardse Paradijs zal worden gehandhaafd. Er zal worden voortgebouwd op het degelijke fundament dat nu reeds is gelegd voor het slechten van alle maatschappelijke en nationale barrières. Waarom kunnen wij daar zeker van zijn? Omdat de bijbel voorzegt dat christenen „uit alle natiën en stammen en volken en talen” er dan mee zullen voortgaan Jehovah God in waarheid te aanbidden. Zij zullen allen gelijk zijn voor God. U en uw gezin kunnen daartoe behoren. — Openbaring 7:9, 10.

[Illustratie op blz. 7]

Op bijeenkomsten van Jehovah’s Getuigen zult u gelijkheid waarnemen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen