De zendingsdienst — Wat er ook gebeurt!
Zoals verteld door Eric Britten
DE PLAATS: Coventry, Engeland. De tijd: zeven uur ’s avonds, 14 november 1940. Plotseling begon het luchtalarm te loeien — het voorspel tot een van de langdurigste luchtaanvallen in de geschiedenis van de moderne oorlogvoering. Toen de bommen begonnen te vallen, kropen tien andere pioniers (volle-tijdpredikers) en ik bij elkaar onder de trap van ons „pioniershuis”. Mijn gedachten gingen uit naar mijn vrouw, die haar moeder was gaan opzoeken. Was zij in veiligheid?
Uit het diepst van ons hart smeekten wij Jehovah om bescherming. Wat waren wij gelukkig, toen wij heelhuids door deze beproeving heen gekomen waren en later, toen wij hoorden dat ook mijn vrouw en alle leden van onze kleine gemeente behouden waren! Wij voelden ons als de psalmist, die verklaarde: „Het [was] uw liefderijke goedheid, o Jehovah, die mij bleef schragen.” — Psalm 94:18.
Vroege tragedies
Vanaf mijn geboorte in januari 1910 werd ik grootgebracht in een streng religieus gezin, en dat vroege bijbelse onderricht is in latere jaren een aanzienlijke hulp voor mij geweest. Vooral was dit het geval na de dood van mijn moeder in januari 1922, toen ik net twaalf jaar was.
Omstreeks die tijd nam mijn vader, hoewel hij tot de christadelphianen behoorde, van de Bijbelonderzoekers (zoals Jehovah’s Getuigen in die tijd genoemd werden) een serie van C. T. Russells Schriftstudiën. Een van de dingen die indruk op mijn vader maakten, was de logische manier waarop de leerstelling van de losprijs werd uitgelegd (Matthéüs 20:28). Vader was er ernstig van overtuigd dat wanneer een christen de leer van de losprijs aanvaardt, hij de plicht heeft anderen erover te vertellen. Hij besefte ook dat dit nu precies was wat de Bijbelonderzoekers deden, en daarom zocht hij hen op.
In het begin van de jaren ’20 begon hij de vergaderingen van de Bijbelonderzoekers in Coventry te bezoeken en hij nam mij mee. Weldra begonnen wij beiden aan de prediking deel te nemen. Vader bereikte het punt dat hij zich aan God wijdde (tegenwoordig opdracht genoemd), en in 1924 werd hij gedoopt. In 1926 werd ook ik, op zestienjarige leeftijd, gedoopt. Het jaar daarop, in oktober 1927, werden wij door een nieuwe tragedie getroffen — mijn vader stierf, zodat mijn jongere zusje en ik onverzorgd achterbleven. Zij kwam bij onze grootouders in huis en ik bleef alleen wonen.
Ik was pas zeventien en ik moest vaders lichaam identificeren en de nodige regelingen voor zijn begrafenis treffen. Dit was een overweldigende opgave voor mij, maar de christelijke broeders kwamen mij te hulp. Zij vroegen mij bij zich thuis te eten, bestudeerden de bijbel met mij en gingen met mij mee in het predikingswerk tot ik mij weer sterker voelde. Wat was ik dankbaar voor hun goedheid in deze moeilijke periode!
Hoewel ik in Coventry woonde, vond ik werk in de naburige stad Birmingham. Daar kon ik de vergaderingen bezoeken die op werkdagen gehouden werden. Tijdens deze doordeweekse vergaderingen maakte ik later kennis met Christina, die mijn vrouw zou worden.
Hoewel Chris als methodiste was opgevoed, bezocht zij ook andere kerken, op zoek naar iets wat haar meer bevrediging zou schenken. Op een zondagochtend kwamen er twee Bijbelonderzoekers bij haar aan huis en lieten drie brochures achter. Kort daarop bezocht Chris’ moeder een vergadering van de Bijbelonderzoekers en nam drie boeken voor Chris. Haar moeder had er geen vermoeden van hoeveel invloed deze boeken op het leven van haar dochter zouden hebben, zoveel zelfs, dat zij met de Koninkrijksboodschap van huis tot huis begon te gaan — iets waarvan Chris had gezegd dat zij dat nooit zou doen!
De oorlog breekt uit
Chris en ik trouwden in 1934. Wij gingen beiden het huwelijk in met het voornemen ’eerst Gods koninkrijk te zoeken’, en wij kunnen naar waarheid zeggen dat Jehovah ons gezegend heeft omdat wij ons daaraan gehouden hebben (Matthéüs 6:33). Steeds hielden wij ons doel voor ogen: de volle-tijddienst als pioniers. Daarom troffen wij regelingen om ons huis te delen met anderen, die samen met ons in de pioniersdienst zouden staan. Maar tegen die tijd, 1939, pakten de oorlogswolken zich samen en leek het alsof iedereen in Coventry toebereidselen trof voor een lange periode van ontbering en om zich tegen eventuele bombardementen te beschermen.
De Tweede Wereldoorlog was voor iedereen een buitengewoon moeilijke periode, maar voor onze broeders wel in het bijzonder. Bijna zes jaar lang was Coventry, een industriecentrum, het speciale doelwit van de Duitse bommenwerpers. Dit betekende veel slapeloze nachten. Om beurten bleven wij één nacht per week op om ons „pioniershuis” en tevens de huizen van onze buren te beschermen, terwijl zij op hun beurt ons huis beschermden. Een paar keer zijn wij werkelijk ternauwernood de dans ontsprongen. Bij één gelegenheid was Chris ergens op bezoek om over de bijbelse boodschap te praten, toen er een luchtaanval kwam. Er vielen bommen en aan weerskanten van het huis waar zij op bezoek was, werden de huizen geheel verwoest.
De gevangenis in en uit
Bij ons ongerief kwam nog dat de autoriteiten ons het leven zuur maakten wegens onze neutraliteit. Als gevolg daarvan kwamen Chris en ik voor korte tijd in de gevangenis terecht. Zodra ik mijn straf uitgezeten had, werd ik opnieuw in staat van beschuldiging gesteld en belandde ik weer in de gevangenis. „Kat en muis” noemden wij dit, omdat een kat dikwijls een muis loslaat en er dan prompt weer bovenop springt.
Ook al hadden wij weinig contact met de gevangenisbeambten, toch konden wij soms enkelen van hen getuigenis geven. Ik herinner mij een beambte, Beveridge geheten, die tijdens mijn eerste straftijd de spot dreef met ons neutrale standpunt. Toen ik voor de tweede keer in de gevangenis belandde, was zijn houding enigszins verbeterd. Tijdens mijn derde straftijd was hij mij nogal gunstig gezind, hoewel de gelegenheden om met hem te praten beperkt waren. Toen ik ten slotte uit de gevangenis kwam, verloor ik hem uit het oog.
Jaren later, toen wij in Portugal zaten, kregen wij een brief van het Genootschap in Brooklyn met de mededeling dat Eric Beveridge, een gegradueerde van Gilead (de Wachttorenschool voor het opleiden van zendelingen), aan Portugal toegewezen was. Wat waren wij blij te horen dat zijn vader die gunstig reagerende gevangenisbeambte was geweest! Later had hij zijn ontslag genomen bij het gevangeniswezen en was een gedoopte Getuige geworden.
Zendingsdienst en ongewone uitdagingen
Na het einde van de oorlog in 1945 beleefde het Koninkrijkswerk in Engeland, net als in andere delen van de aarde, een periode van voorspoed en expansie. Broeder Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, bracht met broeder Henschel een bezoek aan Engeland en belegde een speciale vergadering met alle pioniers die belangstelling hadden voor een opleiding aan de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, die in februari 1943 opgericht was. Christina en ik woonden de vergadering bij, vulden onze voorlopige aanvraagformulieren in en vroegen ons af of wij wel ooit opgeroepen zouden worden.
In 1946 nodigde het Genootschap mij uit voor de kringdienst in Engeland en kreeg ik een aantal gemeenten te bezoeken. Drie jaar heb ik dit voorrecht genoten en toen, op het moment dat wij ze het allerminst verwachtten, kwamen onze definitieve aanvraagformulieren voor de zendelingenschool! Wij vulden ze onmiddellijk in en kort daarop werden wij uitgenodigd voor de vijftiende klas, die in februari 1950 van start ging. De volgende vijf maanden aan de Gileadschool in het noorden van de staat New York waren een onvergetelijke aaneenschakeling van intensieve bijbelstudie en omgang met rijpe christenen. Voor wij het goed en wel beseften, gradueerden wij op 30 juli 1950 in het Yankee Stadion. Onze toewijzing? Brazilië.
Er werd een zendelingenhuis geopend in de Braziliaanse koffie-exporthaven Santos en wij behoorden tot een groepje van acht zendelingen die de toewijzing hadden een begin te maken met ons werk aldaar. Toen kwam de beginperiode waarin wij ons vertrouwd moesten maken met nieuwe gebruiken en de Portugese taal. Voor een kind is het misschien betrekkelijk eenvoudig een nieuwe taal te leren. Maar voor ons, op veertigjarige leeftijd, was het verre van gemakkelijk. Op een keer ging ik met nog een zendeling brood kopen. Het Portugese woord voor brood (pão) klinkt ongeveer net zo als het woord voor stok (pau), alleen klinkt het eerste enigszins nasaal. Omdat wij de neusklank nog niet beheersten, vroegen wij om stokken (paus) en verbaasd zei de bakker dat hij die niet had!
Een andere gewoonte waaraan wij een tijdje hebben moeten wennen, was de manier waarop wij gastvrijheid moesten accepteren als een huisbewoner ons die betoonde. Wij zeiden dan: „Muito obrigado” (Zeer verplicht; dank u wel), in de verwachting dat ons verversingen zouden worden aangeboden. Maar voor de huisbewoner betekende dat neen! Ten slotte leerden wij de juiste uitdrukking: „Aceito” (Ik neem het aan; alstublieft), tot genoegen van de huisbewoner — en van onszelf.
Wij ontdekten dat wij zelfs moesten leren hoe men bij een huis „aanklopt”. In Brazilië is het namelijk de gewoonte hard in de handen te klappen bij de vooringang. Aanvankelijk waren wij altijd verbaasd als de huisbewoner op ons „kloppen” reageerde, maar weldra raakten wij eraan gewend.
Helaas liep ik binnen zes maanden na onze aankomst in Brazilië een ingewandskwaal door amoeben op. Door de langdurige behandeling van deze ziekte raakte ik danig verzwakt en ten slotte keerden wij op doktersadvies in maart 1954 verdrietig naar Engeland terug. Daar, in het gematigde klimaat, kreeg ik geleidelijk mijn gezondheid terug, maar tijdens mijn herstel ontvingen wij een onverwachte brief.
Een heel andere zendingstoewijzing
Het Genootschap nodigde ons uit naar Portugal te gaan! Daar was het werk verboden, en de twee vorige bijkantooropzieners waren het land uitgezet. Als vertegenwoordiger van een Engelse handelsonderneming kon ik het land binnenkomen en wij arriveerden er in november 1954.
In Brazilië hadden wij openlijk kunnen prediken, maar al spoedig beseften wij dat wij hier in Portugal omzichtig en met veel beleid te werk zouden moeten gaan. Aangezien ons werk verboden was, konden wij ons niet openlijk als Jehovah’s Getuigen bekendmaken. Het prediken van huis tot huis was een uitdaging, want wij wisten nooit wie wij zouden aantreffen. Als iemand al te nieuwsgierig of vijandig leek, vertrokken wij eenvoudig uit het gebied en kwamen op een andere dag terug. Het was niet gemakkelijk ergens binnen te komen, aangezien de mensen begrijpelijkerwijs achterdochtig waren jegens vreemden. Toch heeft Chris kans gezien een studie op te richten bij een dame die haar later vertelde dat zij bang was geweest om iemand binnen te laten. Waarom had zij het dan toch gedaan?
Het schijnt dat deze dame tot God had gebeden of hij haar de juiste weg wilde wijzen. Maar Chris kwam al zo snel na haar gebed, dat zij haar eigenlijk niet binnen durfde laten! Er werd een bijbelstudie opgericht en zowel de dame als haar tienerdochter kwamen zover dat zij zich opdroegen en gedoopt werden. Zij staan nog steeds vast in de waarheid.
In die tijd waren Chris en ik de enige zendelingen in Portugal, maar van lieverlee kon het Genootschap er meer het land in krijgen. Het werk vorderde snel, vooral in Lissabon, de hoofdstad. Deze toename wekte tegenstand. Verscheidene broeders belandden in de gevangenis en er werd heel wat lectuur in beslag genomen.
Ten slotte kwam voor ons in 1962 de ergste klap, toen wij met nog vier andere zendelingen bevel kregen het land te verlaten. Wij vroegen om een onderhoud met het hoofd van de geheime politie ten einde hem te verzoeken onze zaak te herzien, daar wij alleen maar mensen uit de bijbel onderwezen. Zijn antwoord: „U hebt zeven jaar lang misbruik gemaakt van de Portugese gastvrijheid en u zult nooit meer een voet in Portugal zetten!” Wij waren verpletterd.
Het is uiterst moeilijk te beschrijven wat onze gevoelens waren toen wij, na zeven gelukkige jaren in dat zendingsveld, moesten vertrekken. Ons afscheid van Portugal viel ons zelfs veel zwaarder dan destijds in 1950 ons vertrek uit Engeland toen wij naar Gilead gingen. Wij hadden nauw met de broeders samengewerkt; wij hadden lief en leed met hen gedeeld. Wij hadden het gevoel dat wij weggingen op het moment dat onze hulp en steun het hardst nodig waren. Maar wij hadden geen keus. ’Het is afgelopen met onze zendingsdienst’, dachten wij verdrietig toen wij naar Engeland terugkeerden.
Van Engeland naar de Amazone!
In Engeland bleven wij als speciale pioniers in de volle-tijddienst, maar wij misten iets. Telkens weer dachten wij aan onze gelukkige tijd in de zendingsdienst, en wij verlangden ernaar terug. Dat verlangen werd zo hevig, dat wij ten slotte naar het Genootschap schreven om te informeren naar de mogelijkheid van een nieuwe toewijzing, ook al was ik nu boven de vijftig en Chris 49. Hoe groot was onze vreugde toen wij een uitnodiging kregen om terug te gaan naar Brazilië en daar te werken vanuit een zendelingenhuis in Belém, een stad aan de monding van de Amazone!
Wij waardeerden het dat ons in de brief van het Genootschap een idee gegeven werd van het klimaat in Belém — „heet en vochtig”, stond er — en ons de vrijheid gelaten werd voor de toewijzing te bedanken. Wij waren echter overgelukkig bij het vooruitzicht terug te gaan naar Brazilië, ook al was het een ander deel van het land. Dankbaar namen wij de uitnodiging aan en begin 1964 arriveerden wij in onze nieuwe toewijzing.
Nadat wij een jaar in Belém hadden gediend, werd ik uitgenodigd voor het kringwerk, hetgeen inhield dat wij gemeenten in dat gebied moesten bezoeken. Het was een echte uitdaging. De kring was zo’n 1300 km lang en 500 km breed en lag aan weerszijden van de Amazone. De hitte? Nu, daar moesten wij maar aan wennen! Dikwijls waren de omstandigheden primitief. Zelfs onverharde wegen waren er in die tijd weinig. In het droge seizoen leverden ze stofwolken op en in de regentijd werden ze onbegaanbaar.
Behalve het vertrouwen in Jehovah’s bescherming was ook een goed ontwikkeld gevoel voor humor nuttig. Tijdens een bezoek aan een geïsoleerd gezin van Getuigen moesten wij in een stal overnachten. Toen wij op een ochtend wakker werden, zat Chris onder het bloed. Wij riepen de broeder, denkend dat er iets ergs was gebeurd. Stel u onze verbazing voor toen hij ons kalmpjes vertelde dat zij vermoedelijk door een vampier gebeten was! Een naslagwerk vermeldt dat er onder de vleermuizen in het Amazonegebied ’bloedzuigende vampiers (Dysopes) zijn, die echter lang niet zo gevaarlijk zijn als de verhalen van reizigers willen doen geloven’. Als wij dat van tevoren geweten hadden, zouden wij niet zo bang geweest zijn voor de afloop!
Na een jaar dienst in die kring werden wij overgeplaatst naar Rio de Janeiro en later naar São Paulo, waar wij nu al verscheidene jaren dienen. De Brazilianen zijn erg open en vriendelijk, en het is een vreugde geweest ook in dit deel van het land de liefde en gastvrijheid van de broeders te ondervinden. Tevens hebben wij veel fijne ervaringen in het veld opgedaan.
Bij één huis kwam er in antwoord op het handgeklap van Chris een jongen te voorschijn. Hij zei dat zijn moeder niet aan de deur kon komen omdat zij zat te huilen. Chris, die begreep dat er iets mis was, zei: „Zeg maar tegen haar dat senhora Christina haar graag wil spreken.” De moeder kwam naar de deur en vroeg: „Weet u iets van de bijbel af?”
„Daarvoor kom ik juist”, antwoordde Chris. Zij werd binnengenodigd. Op tafel lag een grote bijbel opengeslagen bij het gedeelte waarin de dame had zitten lezen, op zoek naar vertroosting. Zij was erg van streek omdat haar man na een ruzie tussen hen al een week weg was.
„Hij is een goede echtgenoot en vader”, zei ze, „en ik weet zeker dat hij er niet met een ander vandoor is.” Chris besprak enkele bijbelse beginselen over het gezinsleven met haar en richtte een bijbelstudie op uit het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Nog diezelfde avond ging de dame naar de Koninkrijkszaal. Aangezien wij die week naar een volgende gemeente moesten vertrekken, werd de studie aan een plaatselijke verkondiger overgedragen. Wat deed het ons goed, toen wij zes maanden later de gemeente opnieuw bezochten en daar niet alleen de dame maar ook haar man en drie kinderen ontmoetten! Enige tijd later werden man en vrouw als Jehovah’s Getuigen gedoopt.
Hoewel wij nu beiden in de zeventig zijn, kunnen wij dank zij Jehovah’s liefderijke goedheid nog steeds volharden in onze zendingstoewijzing, al reizen wij niet meer zoveel als in het verleden. Het is een geweldig voorrecht geweest met zoveel rijpe zendelingen en plaatselijke broeders en zusters kennis te maken en samen te werken. Wij zijn blij dat wij van het begin af aan geprobeerd hebben in ons leven ’eerst Gods koninkrijk te zoeken’. Meer dan dertig jaar hebben wij de vreugde van de zendingsdienst gesmaakt. Wij denken altijd weer aan de woorden van de psalmist, die zei: „Want Jehovah is goed; zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd” (Psalm 100:5). Wat hebben wij dat altijd gewaardeerd!
[Inzet op blz. 25]
Ons streven om in ons leven altijd ’eerst Gods koninkrijk te zoeken’, is rijk gezegend
[Illustratie op blz. 24]
In Brazilië moesten wij leren hoe men bij een huis „aanklopt” — door hard in de handen te klappen bij de vooringang