Hoe onvolprezen is uw vriendschap, o God!
Zoals verteld door Daniel Sydlik
HET leven begon voor mij in februari 1919 op een boerderij in de buurt van Belleville (Michigan, VS). Een vroedvrouw hielp bij mijn geboorte, aangezien mijn immigrantenmoeder een dokter overbodig achtte. „Waarom naar ziekenhuis? Ik niet ziek”, zei ze in haar gebroken Engels tegen iedereen die vroeg waar het kind geboren zou worden.
Het waren moeilijke tijden op de boerderij. Op zoek naar een beter leven verhuisde ons gezin naar Detroit. Niet lang daarna, toen ik ongeveer drie jaar was, werd vader ziek en stierf. Hij was actief verbonden geweest met de Internationale Bijbelonderzoekers, thans bekend als Jehovah’s Getuigen.
Moeder bleef nu achter met zes kinderen en schulden die betaald moesten worden. Zij had zich fel tegen vaders religie verzet, maar na zijn dood zocht zij de bijbel op om erachter te komen waarom die hem zo had gefascineerd. Een aantal jaren later werd ook zij een van Jehovah’s Getuigen.
Nadat vader gestorven was, ging moeder ’s avonds als serveerster uit werken en zorgde overdag voor het gezin. Dit duurde totdat zij ettelijke jaren later hertrouwde. Mijn stiefvader betoogde met succes dat de beste plaats om kinderen groot te brengen het open platteland was, en niet een overbevolkte betonnen wildernis.
Er werd een boerderij van 22 ha gekocht in de buurt van Caro (Michigan). Toen wij daar in het voorjaar van 1927 aankwamen, vlamden de boomgaarden van de bloesems. De lucht was zoet van de geur van wilde bloemen en de bomen stonden in bloei. Er waren plassen om in te zwemmen, bomen om in te klimmen en dieren om mee te spelen. Het leven was hier verrukkelijk! Heel anders dan in de stad. Maar voor moeder was het leven op het land moeilijk. Het was pionieren op z’n ruigst — geen stromend water, geen sanitaire voorzieningen in huis, geen elektriciteit.
De winters waren lang en streng. Wij kinderen sliepen op zolder, waar de sneeuw dikwijls via de dakspanen naar binnen dwarrelde en letterlijk de bedden bedekte. ’s Ochtends was het een complete marteling een ijskoude, soms stijf bevroren broek aan te moeten trekken. In de stal waren vóór het ontbijt verscheidene karweitjes te doen. Dan kwam de wandeling door het bos naar de school, die maar één lokaal had waar acht klassen les kregen van één onderwijzer.
Geestelijk begin
Moeder had oprechte liefde voor God en dat was van grote invloed op ons kinderen. Dikwijls zei ze in het Pools: „God heeft ons een prachtige dag gegeven.” Als wij kinderen dan naar buiten gingen om te kijken wat er aan de hand was, regende het alleen maar. In moeders ogen was alles wat er gebeurde op een of andere manier Gods werk. Als er een kalfje geboren werd of als de kippen hun eieren legden of als het sneeuwde, had dat, wat haar betrof, iets met God te maken. God was op een of andere manier verantwoordelijk voor deze goede dingen.
Moeder geloofde rotsvast in het gebed. Het gebed was voor ons bij de maaltijden verplicht. „Honden kwispelen met hun staart als je ze eten geeft. Hebben wij minder waardering dan een hond?” zei ze altijd. Ook wilde zij dat wij baden voordat wij naar bed gingen. Aangezien geen van ons het Onze Vader in het Engels kende, liet zij ons knielen en haar de woorden in het Pools nazeggen. — Matthéüs 6:9-13.
Dat was lang voor de tijd van de televisie. Na zonsondergang was er weinig anders te doen dan naar bed gaan. Moeder moedigde ons aan om te lezen. Zij las haar bijbel bij een petroleumlamp. En wij kinderen lazen publikaties die reizende bedienaren van de Internationale Bijbelonderzoekers bij ons hadden achtergelaten, zoals De harp Gods, Schepping en Verzoening. Zo werd de basis gelegd voor een vriendschap met God.
In het begin van de jaren ’30 kregen wij bezoek van enkele Bijbelonderzoekers uit Saginaw (Michigan), die ons aanmoedigden om tot anderen te prediken. Maar aangezien er geen georganiseerde bijbelstudiegroep of gemeente in de omgeving was, waren onze inspanningen voor de prediking te verwaarlozen. Onze geestelijke groei lag grotendeels te sluimeren.
Vanwege de depressie van de jaren ’30 moest ik van huis weg om in Detroit werk te gaan zoeken. Er rustte een zware hypotheek op de boerderij en ik wilde ons onder die last vandaan werken. In die tijd werd het stadsbeeld van Detroit echter gekenmerkt door lange rijen mensen. Duizenden mannen stonden in de rij, soms de hele nacht, ineengedoken boven hout- en kolenvuren in een poging om warm te blijven tot de deuren van de arbeidsbureaus opengingen. Ik had het geluk een baan te krijgen in een autofabriek.
Geestelijke ontwikkeling
Pas tegen het einde van dat decennium, toen ik mij in Long Beach (Californië) bevond, werd mijn geestelijke belangstelling met succes weer aangewakkerd. Ik kreeg een uitnodiging uitgereikt voor een openbare lezing. Die zondag woonde ik mijn eerste vergadering in een Koninkrijkszaal bij. Daar ontmoette ik Olive en William (Bill) Perkins, evenwichtige mensen die een onvolprezen band met Jehovah God hadden.
Zuster Perkins was een meester in het onderwijzen van Gods Woord en hanteerde haar bijbel net zo vaardig als een chirurg zijn mes. Zij legde altijd haar grote King James-vertaling van de bijbel op haar linkerarm, likte aan de duim van haar rechterhand, en bladerde vliegensvlug van vers naar vers. De mensen werden gefascineerd door haar vaardigheid en door wat zij uit de bijbel leerden. Zij heeft veel mensen geholpen begrip te krijgen van Gods voornemen. Met haar in de bediening werken, was een bron van inspiratie. Ik werd erdoor aangemoedigd in september 1941 de volle-tijddienst als pionier op mij te nemen.
Ook zuster Wilcox is een hulp voor mij geweest. Het was een lange, statige, witharige vrouw van in de zeventig, die het haar netjes opgestoken in een knot op haar hoofd droeg. Haar kleding werd altijd gecompleteerd door een beeldschone hoed met brede rand. In haar goedgesneden japon, die tot haar enkels reikte, had zij iets bijzonders; zij leek net iemand die zo uit de jaren ’80 van de vorige eeuw was gestapt. Samen predikten wij in de zakenwijken van Long Beach.
Bedrijfsleiders waren onmiddellijk onder de indruk als zij zuster Wilcox zagen. En met een zekere gespannen geestdrift nodigden zij haar in hun kantoor, met mij in haar kielzog. „Wat kan ik voor u doen?” vroegen zij met achting in hun stem. „Kan ik u helpen?”
Zonder aarzelen antwoordde zuster Wilcox dan in haar onberispelijke, hoogbeschaafde Engels: „Ik ben gekomen om u te vertellen over de oude hoer uit de Openbaring die het beest berijdt” (Openbaring 17:1-5). Even vertrok het gelaat van de bedrijfsleiders, en zij gingen verzitten in hun stoel, zich afvragend wat er nog meer zou komen. Vervolgens schilderde zij hun een levendig beeld van het einde van dit samenstel van dingen. De reactie was vrijwel altijd positief. Zij wilden alles hebben wat zij voor hen had. Wij verspreidden dagelijks letterlijk dozen vol lectuur. Ik had tot taak telkens wanneer zij erom vroeg de grammofoon te laten spelen en er zo onverschrokken en moedig mogelijk uit te zien terwijl zij aan het woord was.
Nieuwe toewijzingen
Het was altijd weer opwindend een envelop van het Wachttorengenootschap te krijgen. Een van die enveloppen, die ik in 1942 ontving, bevatte een toewijzing om als speciale pionier te dienen in San Pedro (Californië). Daar stelden Bill en Mildred Taylor hun huis voor mij open. Er was grote zelfdiscipline voor nodig om dag in dag uit in m’n eentje te werken in de velddienst. Maar daardoor kwam ik nader tot Jehovah, zodat ik zijn vriendschap werkelijk voelde. Toen stuurde het Genootschap Georgia en Archie Boyd met hun zoon en dochter, Donald en Susan, om te helpen het gebied te bewerken. De Boyds woonden met hun hele hebben en houden in een woonwagen van 5,5 meter.
Weer kwam er een envelop van het Genootschap voor ons! Wij werden beurtelings heet en koud toen wij lazen wat onze nieuwe toewijzing was — Richmond (Californië), even ten noorden van San Francisco. Hoewel het onwaarschijnlijk was dat onze oude auto en woonwagen het ooit zouden halen, pakten wij onze spullen en gingen op weg. Wij leken wel zigeuners op reis, met alle reparaties aan de motor en banden die onderweg geplakt moesten worden. Toen wij eindelijk in Richmond aankwamen, viel de regen met bakken uit de hemel.
De Tweede Wereldoorlog was nu in volle gang. De scheepswerven van Kaiser bouwden „Liberty Ships” (Vrijheidsschepen), zoals ze werden genoemd, in serieproduktie. Wij hadden tot taak te prediken tot de mensen die hierheen gestroomd waren om te werken. Van de vroege ochtend tot de late avond spraken wij over het Koninkrijk en dikwijls kwamen wij schor van het praten thuis. Er werden veel bijbelstudies opgericht. Deze arbeiders op de werven waren vrijgevig en gastvrij en voorzagen in al onze behoeften. Het gebied heeft zelfs in ons onderhoud voorzien zonder dat wij part-time werelds werk hoefden aan te nemen.
Gevangeniservaringen
De jonge mannen werden opgeroepen voor militaire dienst. Mijn vleselijke broers, die geen Getuigen waren, hadden zich als vrijwilliger aangemeld en deden dienst bij de paratroepen en de genie. Ik vroeg vrijstelling aan als bedienaar van het evangelie met gewetensbezwaar tegen de oorlog. Het rekruteringsbureau weigerde mijn status van bedienaar te erkennen. Ik werd gearresteerd, berecht en op 17 juli 1944 veroordeeld tot drie jaar dwangarbeid in de federale strafgevangenis op McNeil Island in de staat Washington. In de gevangenis heb ik geleerd dat Jehovah’s vriendschap eeuwig duurt. — Psalm 138:8, The Bible in Living English.
Ik zat een maand in de provinciale gevangenis in Los Angeles, in afwachting van overplaatsing naar McNeil Island. De eerste indrukken van het gevangenisleven zijn moeilijk te vergeten: de gevangenen die de bewakers en ons obsceniteiten toeschreeuwden toen wij binnengebracht werden. Of de bewakers die bevalen: „Let op de hekken!” Het rommelend geluid waarmee de elektrische hekken dichtrolden, leek op het geluid van de donder in de verte. Eén voor één gingen de hekken dicht, het geluid kwam steeds dichterbij, totdat je eigen hek begon te trillen en met een denderende dreun dichtrolde! Dan het gevoel dat je in de val zat, en een golf van angst. Haastig bad ik tot God om mij te helpen, en vrijwel onmiddellijk werd ik overspoeld door een warme, vredige gloed, een ervaring die ik nooit zal vergeten.
Op 16 augustus werd ik met een groep andere gevangenen geboeid en geketend. Daarop werden wij onder het wakend oog van een gewapende politiemacht tussen de middag door de drukke straten van Los Angeles naar een bus geëscorteerd en vervolgens op een gevangenistrein naar McNeil Island gezet. Die gevangenisboeien vervulden mij met vreugde, want ze klonken mij aan het gezelschap van Christus’ apostelen die ook in ketenen werden geslagen omdat zij hun rechtschapenheid bewaarden. — Handelingen 12:6, 7; 21:33; Efeziërs 6:20.
Toen ik in de gevangenis van McNeil werd ingeschreven, vroeg een ambtenaar achter een bureau mij: „Ben jij een J.G.?” Dat overrompelde mij, want het was voor het eerst dat ik de uitdrukking „J.G.” hoorde. Maar al snel drong het tot mij door wat hij bedoelde, dus zei ik: „Ja!”
„Ga daar maar staan”, zei hij. Het verbaasde mij hem de man vlak achter mij dezelfde vraag te horen stellen: „Ben jij een J.G.?” Haastig antwoordde de man: „Ja!”
„Wat ben jij een leugenaar!” lachte de ambtenaar. „Je weet niet eens wat een J.G. is.” Later vernam ik dat de man een doorgewinterde misdadiger was met een strafblad zo lang als zijn arm. „J.G.” betekende natuurlijk „Jehovah’s Getuige”, en dat was hij niet.
Het was al laat, en een bewaker geleidde mij door het donker naar mijn brits. Ik kon maar moeilijk geloven dat ik mij in een federale gevangenis bevond, honderden kilometers van huis en van iedereen die ik kende. Juist op dat ogenblik zag ik door het donker iemand naar mij toe komen. „Sssst!” zei hij, terwijl hij naast mij op mijn brits kwam zitten. „Ik ben een broeder. Er ging een gerucht dat er een Getuige zou komen.” Hij stelde zich voor en sprak aanmoedigende woorden, en vertelde over de gemeenschappelijke Wachttoren-studie die ’s zondagsmiddags in de gevangenis gehouden mocht worden. Het was tegen de regels om van je brits af te komen wanneer de lichten eenmaal uit waren, dus bleef hij maar kort. Maar in die enkele ogenblikken voelde ik hoe Jehovah’s kostbare vriendschap zich door bemiddeling van zijn opgedragen dienstknecht openbaarde.
Hoogtepunten tijdens mijn verblijf in de gevangenis waren de periodieke bezoeken van A. H. Macmillan van het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn. Hij was een echte „Barnabas”, een geweldige bron van aanmoediging. Als hij kwam, mochten wij de eetzaal gebruiken en dromden wij Getuigen met ons allen en veel andere gevangenen daar samen om hem te horen. Hij was een fantastisch spreker, en zelfs gevangenisbeambten luisterden graag naar hem.
Wij deelden de cellenblokken en slaapzalen in predikingsgebieden in. Systematisch predikten wij het goede nieuws van het Koninkrijk in deze gebieden, net zoals wij dat in de huizenblokken in de stad hadden gedaan voordat wij in de gevangenis belandden. De ontvangst wisselde nogal en was moeilijk te voorspellen. Maar er waren horende oren. Bankrovers en anderen, en ook cipiers, wendden zich tot Jehovah en werden gedoopt. Ik voel altijd weer vreugde als ik aan dergelijke ervaringen terugdenk.
Overplaatsingen die mijn leven hebben gevormd
Vroeg in 1946, na afloop van de oorlog, werd ik uit de gevangenis vrijgelaten. Weer lag er een envelop van het Genootschap op mij te wachten! Mijn volgende toewijzing als speciale pionier zou Hollywood in Californië zijn! De stad van klatergoud. Over uitdagingen gesproken! Soms zou het makkelijker geweest zijn ijskasten aan eskimo’s te verkopen dan deze mensen ertoe te bewegen de bijbel te bestuderen. Toch werden er langzaam maar zeker „schapen” van de Heer gevonden.
Toen ik in augustus 1946 het internationale „Verheugde natiën”-congres in Cleveland (Ohio, VS) bezocht, werd ik aangesproken door Milton Henschel, de secretaris van Nathan Knorr, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, die mij vroeg: „Wanneer kom je naar Bethel, Dan?” Ik vertelde hem dat ik gelukkig was in de pioniersdienst. „Maar wij hebben je op Bethel nodig”, zei hij. Na nog een paar woorden was ik door mijn uitvluchten heen. Ik hield van Californië en vreesde de gedachte in New York te moeten wonen. Maar ik weet nog dat ik tegen mijzelf zei: ’Dan, als Jehovah je in Brooklyn wil hebben, dan ga je naar Brooklyn.’ Dus begon ik op 20 augustus 1946 mijn dienst op Bethel, het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn.
Jarenlang heb ik op de binderij in Brooklyn allerlei lichamelijk zwaar werk gedaan. Ten slotte werd ik naar de abonnementenafdeling overgeplaatst, wat een nieuwe wending betekende. Toen kwamen er mentale uitdagingen, zoals scripts voor de radio schrijven en uitzendingen verzorgen voor het radiostation WBBR van het Genootschap. Ook heb ik twintig jaar op de schrijversafdeling gewerkt en geprobeerd aan de hoge maatstaven daar te voldoen. Intussen kwamen er benoemingen in de corporaties van het Wachttorengenootschap in Pennsylvania en New York, opnamesessies voor drama’s, spreektoewijzingen voor internationale en districtscongressen en een menigte andere dienstvoorrechten, te veel om op te noemen.
Toen, in november 1974, kwam er weer een envelop. Deze bevatte een ongelooflijke, onvoorstelbare toewijzing. Ik werd uitgenodigd om te dienen als lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen. Ik voelde mij volstrekt onbekwaam en nederig dankbaar. Sedert die benoeming is er een jaar of tien verstreken, en aan die gevoelens is niets veranderd.
De jaren die voorbijgingen, zijn verrijkt door menselijke relaties met toegewijde en godvruchtige mannen die Jehovah meer liefhadden dan het leven zelf — mannen als rechter Rutherford, die ik in zijn huis in San Diego (Californië) heb mogen ontmoeten. Ook heb ik het voorrecht gehad zij aan zij met andere mannen van dat kaliber te werken, onder wie Hugo Riemer, Nathan Knorr, Klaus Jensen, John Perry, Bert Cumming en een menigte andere geestelijke reuzen, „grote bomen der rechtvaardigheid”. — Jesaja 61:3.
En het voorrecht Jehovah’s organisatie te zien groeien van slechts een handjevol van 50.000 Koninkrijksverkondigers in de hele wereld tot bijna drie miljoen, is geen geringe eer. Het is opwindend geweest de uitgeverij te zien uitgroeien van slechts enkele drukpersen tot tientallen drukkerijen, beheerd door 95 bijkantoren die in 203 landen der aarde het goede nieuws bekendmaken. De veranderingen en aanpassingen in de technologie en de overgang naar computers zijn niets minder dan ontzagwekkend geweest. Als men van dit alles getuige heeft mogen zijn, kan men niet anders dan de woorden uit Matthéüs 21:42 herhalen: „Vanwege Jehovah is dit geschied, en het is wonderbaarlijk in onze ogen.”
Het is een rijk en voldoeningschenkend leven geweest, om het zachtjes uit te drukken. Tussen de bedrijven door heb ik zelfs nog de tijd gevonden om te trouwen met een knap meisje uit het Engelse Hebburn. Mijn vrouw Marina is een door God gezonden steun voor mij. Hoe waar zijn de woorden uit Spreuken 19:14: „Het erfdeel der vaderen is een huis en vermogen, maar een beleidvolle vrouw is van Jehovah.”
Bij alle levenservaringen is de voortdurend schragende kracht van Gods vriendschap als een bescherming rondom mij geweest. Het mediteren over Jehovah’s Woord, het nadenken over de betekenis ervan en het zoeken naar inzicht en begrip hebben mijn leven gevuld met geestelijke rijkdom en tevredenheid. Zelfs op het moment dat ik dit schrijf, word ik overweldigd door pure vreugde wanneer ik de woorden van de psalmist lees: „Gelukkig de natie die Jehovah als haar God heeft, het volk dat hij zich als zijn bezitting heeft gekozen! Onze ziel wacht op Jehovah; hij is onze hulp en ons schild; want ons hart verheugt zich in hem, omdat wij vertrouwen hebben in zijn geheiligde naam. Laat uw vriendschap op ons zijn, Jehovah, terwijl wij onze verwachtingen op u blijven stellen.” — Psalm 33:12, 20-22, The Bible in Living English.
[Illustratie op blz. 23]
Olive Perkins was een bron van inspiratie voor mij
[Illustratie op blz. 24]
De Boyds hielpen het gebied in San Pedro (Californië) bewerken
[Illustratie op blz. 25]
Op het „Verheugde natiën”-congres van 1946 met mede-Getuigen die pas vrijgelaten zijn uit de gevangenis op McNeil Island
[Illustratie op blz. 26]
Een zondagochtenduitzending voor de WBBR