Het Koninkrijk op de eerste plaats stellen in naoorlogs Duitsland
Zoals verteld door Gertrud Poetzinger
Op welk beginsel baseren wij de beslissingen in ons leven? De allerbeste onderwijzer, Jezus Christus, vertelde zijn discipelen ’eerst Gods koninkrijk te zoeken’. Deden zij dit, dan zou in al hun andere behoeften worden voorzien (Matthéüs 6:33). Al vanaf mijn jeugd heb ik ondervonden dat wanneer wij onze lasten op Jehovah leggen, zijn werken bekendmaken en de Koninkrijksbelangen op de eerste plaats in ons leven houden, dit ons in geestelijk opzicht werkelijk ’rijk maakt’ (Spreuken 10:22; Psalm 55:22; 71:5; 73:28). De volgende persoonlijke ervaringen uit een opwindend hoofdstuk in mijn leven illustreren dit beginsel.
HET was begin 1945. De Tweede Wereldoorlog in Europa liep ten einde. Het Duitse krijgsbedrijf stokte en de houding van het volk en zelfs van de regering was veranderd. In plaats van uit te zien naar de overwinning, voorvoelde men een nederlaag. Om deze reden was de druk die de nazi-vervolgers op de getuigen van Jehovah uitoefenden ook verminderd.
Ik was een van de vrouwelijke Getuigen die uit het concentratiekamp Ravensbrück naar de huizen van nazi-functionarissen waren overgebracht, om daar als gouvernante te werken. Op een middag, een paar maanden voor het einde van de oorlog, richtte de SS-officier voor wiens twee kinderen ik zorgde, zich onder vier ogen tot mij bij hem thuis. Zijn naam was Kiener.
„Heb je gehoord dat de Russen aan het oostelijk front oprukken?” vroeg hij koel. Toen ik bevestigend antwoordde, vroeg hij: „Wat ga jij doen als zij hier komen?” Ik keek hem recht in de ogen en antwoordde: „Och, zij zijn onze vijanden en jullie zijn onze vijanden. Dus wat voor verschil maakt het uit?” Ja, met zo’n vrijmoedigheid stelde Jehovah ons in die moeilijke tijd in staat om moedig staande te blijven in onze christelijke neutraliteit en als voorstanders van het Koninkrijk. — Johannes 15:19.
Een geslaagde ontsnapping
De berichten over de Duitse terugtrekking waren geen loze geruchten. Tegen het einde van april regelde Kiener het zo dat zijn vrouw en kinderen naar het zuiden konden vluchten. Op mijn verzoek stuurde hij mij mee. Mevrouw Kiener gaf mij burgerkleren opdat uit niets zou blijken dat zij ook maar iets te doen had met de nazi-organisatie. Wij stapten in een vrachtwagen die naar het platteland van Noord-Beieren ging, dichter bij het Amerikaanse dan bij het Russische front.
Dat was de eerste keer in zeven en een half jaar dat ik werkelijk uit de concentratiekampen weg was. Maar de oorlog was nog niet voorbij en de spanning steeg. Terwijl de vrachtwagen voortreed, zwenkte er plotseling een escadrille geallieerde gevechtsvliegtuigen over ons heen. Ik zat voorin met de twee kinderen en de bestuurder. Deze was er zeker van dat de vliegtuigen zouden terugkeren om de vrachtwagen met machinegeweren te beschieten. In mijn hart bad ik vurig: „Jehovah, laat me na al uw bescherming tot dusver, nu alstublieft niet op deze manier sterven!”
Zoals verwacht maakten de gevechtsvliegtuigen een grote boog om weer boven ons te komen. De bestuurder trapte het gaspedaal in, maar er was natuurlijk geen hoop dat wij de vliegtuigen voor konden blijven. Plotseling verscheen er een zijweg die naar een stuk bos leidde. De bestuurder sloeg snel en scherp af, de zijweg op en haastte zich naar het beboste gebied. Daar het bladerdek behoorlijk dik was, was de vrachtwagen van bovenaf niet te zien en de vliegtuigen vlogen ons voorbij.
Wij maakten tijdens de oorlog meer van zulke hachelijke situaties mee. Maar hoe het ook zij, het einde van de oorlog, dat slechts tien dagen na dit incident kwam, bracht uitdagingen van andere aard.
Grotere verantwoordelijkheden
Mevrouw Kiener, haar kinderen en ik hadden samen met een aantal andere vluchtelingen onderdak gevonden in het dorpje Mönchsdeggingen, vlakbij Nördlingen. Toen de gevechten sinds een week officieel waren opgehouden, vertelde ik haar dat ik moest vertrekken. Zij reageerde begrijpelijkerwijs verdrietig. Wie anders kon zij vertrouwen? Het hele land had zich nu tegen de nazi’s en hun gezinnen gekeerd. Maar ik had grotere verantwoordelijkheden. Nu de oorlog voorbij was, stonden Jehovah’s Getuigen voor de taak de Koninkrijksprediking te reorganiseren. Ook moest ik mijn man, Martin, zien te vinden.
Wij waren nog maar drie en een halve maand getrouwd toen Martin weggehaald werd en later naar het concentratiekamp Dachau werd gestuurd. Nog later werd ook ik gearresteerd en ten slotte in het kamp Ravensbrück ondergebracht. Het was al twee jaar geleden dat ik voor het laatst van mijn man gehoord had, en er waren negen lange jaren verstreken sinds wij van elkaar gescheiden werden. Leefde Martin nog? En zo ja, was hij gezond?
Een onvergetelijke dag
Het werd tijd voor mij om te vertrekken. Het was 4.30 uur in de ochtend. Mijn ontbijt bestond uit een stuk zwaar, donker brood. Ik ging op weg zonder geld, zonder distributiebonnen en zonder bezittingen, op een kleine schooltas na waarin ik wat brood van die ochtend en wat persoonlijke spulletjes had gestopt. Terwijl de dag vorderde, liep ik gestadig richting München, de geboorteplaats van mijn man en de meest waarschijnlijke plaats om hem te vinden als hij nog leefde.
Tegen de avond bevond ik mij aan de rand van een dorp. Er was een avondklok ingesteld en het zou onmogelijk zijn de nacht buiten door te brengen zonder het risico te lopen gearresteerd te worden. Daarom stapte ik van de weg af en begon te bidden: „Jehovah, help me alstublieft. In al de jaren dat ik u gediend heb, heeft het mij ’s nachts nooit aan een slaapplaats ontbroken.” Toen ik klaar was met bidden stapte ik de weg weer op en keek om me heen, maar alles was nog steeds hetzelfde.
Ik liep het dorp in en het eerste huis dat ik zag, had een muur rond het erf. Door het hek kon ik een vrouw op het erf bezig zien en ik vroeg haar: „Kunt u mij alstublieft vertellen of hier een plekje is om de nacht door te brengen?” Zij nam me van top tot teen op en antwoordde nogal voorzichtig dat ik maar achterom moest gaan om het haar man te vragen, omdat er al een flink aantal mensen zouden overnachten.
Na om het huis heen te zijn gelopen, stapte ik naar binnen en zag daar een uitgebreide maaltijd van Duitse specialiteiten voor mijn ogen uitgestald. Negen mensen zaten rond de tafel, klaar om met eten te beginnen. Een moment stond ik daar als verdoofd, want ik had sinds die ochtend vroeg niets meer gegeten. De gastheer keek op en zei ferm: „Wel, blijf daar niet staan! Waar genoeg is voor negen, is ook genoeg voor tien!”
Alvorens te gaan eten, vroeg ik de man echter of ik daar de nacht kon doorbrengen. Dat vond hij goed en zijn vrouw bracht mij naar een veldbed dat boven aan de trap in het portaal stond. Ik dacht aan de mannen die door het huis liepen maar verzekerde haar dat het veldbed uitstekend was. Toen vertrok zij om een avondkerkdienst bij te wonen.
Tijdens de maaltijd luisterde een jongere vrouw die ook in het huis vertoefde, opmerkzaam naar het gesprek, dat al snel op een getuigenis over Gods koninkrijk uitliep. Het was moeilijk haar reacties te peilen en na een poosje trok zij zich terug in haar kamer.
De gastvrouw kwam ten slotte thuis en nodigde mij in de zitkamer. Zij liet mij een Duitse Elberfelder-bijbel zien, die op veel plaatsen Gods naam, Jehovah, bevat. „Die heb ik jaren geleden van een Bijbelonderzoeker gekregen”, zei ze. „Kunt u mij vertellen of het een echte bijbel is? Ik heb er vaak in gelezen, maar ik kon hem zelf niet begrijpen. Kunt u mij er alstublieft enkele dingen van uitleggen?”
Het was al laat, maar ons gesprek duurde tot diep in de nacht. Tegen middernacht was de jongere vrouw die bij het avondeten naar het gesprek over het Koninkrijk had geluisterd bij ons komen zitten, met de opmerking dat zij niet kon slapen omdat zij maar aan de dingen die wij hadden besproken, lag te denken. Zij voegde eraan toe dat zij me iets wilde geven voor onderweg. Daarop stopte zij me 20 mark toe — een heleboel geld voor die tijd.
Ik vertelde de vrouwen dat ik op weg was naar München en dat ik ’s ochtends zo vroeg mogelijk wilde vertrekken. De gastvrouw vroeg hoe laat ik op wilde staan en ik zei ’Om vijf uur’, ofschoon het al na middernacht was. Toen ik daarna naar het veldbed in het portaal wilde gaan, hield zij me tegen en zei: „Daar gaat u niet slapen. Kom mee.” Zij deed een deur in de gang open en liet een prachtig gemeubileerde logeerkamer zien met kanten gordijnen en een comfortabel bed met fijn beddegoed. „Hier gaat u slapen”, zei ze.
Een ander soort uitdaging
Toen ik de volgende ochtend om vijf uur opstond, zaten de gastvrouw en haar man al in de keuken met het ontbijt op mij te wachten. Nadat wij gegeten hadden, pakte zij mijn kleine schooltas en stopte die vol boterhammen. Ten slotte namen zij en haar man voor het huis afscheid van mij en zwaaiden mij na totdat ik hen in de verte niet meer kon zien.
Ik bedacht dat het nog maar zo’n 24 uur geleden was dat ik mevrouw Kiener, de vrouw van de SS-officier, verlaten had, met praktisch geen mondvoorraad. Alles wat ik toen had, was de vastbeslotenheid Jehovah’s koninkrijk op de eerste plaats te stellen en mijn herwonnen vrijheid daarvoor goed te gebruiken. Voordat ik München bereikte, zou mijn gehoorzaamheid aan Jezus’ raad om niet alleen Gods koninkrijk te zoeken maar ook „Zijn rechtvaardigheid” echter nog op de proef gesteld worden. — Matthéüs 6:33.
Halverwege de middag, moe en met pijnlijke voeten, probeerde ik een lift te krijgen van een van de Amerikaanse vrachtwagens die andere vluchtelingen in de richting van München vervoerden. Ik slaagde erin er een te laten stoppen en maakte in mijn gebrekkige Engels mijn verzoek duidelijk aan de bestuurder. Hij zei dat het achterin vol was, maar dat ik bij hem in de cabine kon zitten, en ik nam zijn voorstel aan.
Terwijl wij München naderden, stopte de bestuurder verschillende keren om steeds enkele passagiers uit te laten stappen. Toen wij bijna de stad in zouden rijden, sloeg hij een weg in die naar de heuvels voerde. Ik merkte dit op en probeerde hem uit te leggen dat ik naar de stad wilde. „Nee!” zei hij. „Wij gaan de bergen in.”
Ik realiseerde mij toen dat alle andere passagiers weg waren. Ik probeerde de deur open te krijgen maar wist niet hoe het slot werkte. De weg kronkelde de heuvels in en de hele weg probeerde ik de man in mijn gebroken Engels te vertellen dat ik geen deel wilde hebben aan wat hij van plan was. Maar hij reed door totdat wij bij een smal dal in de bossen kwamen. Hij stopte stapte uit, liep om de wagen heen naar mijn kant en deed de deur open. Ik stapte uit en keek hem aan. Hij begon te zeggen dat het een schitterende dag was en een prachtige plek en dat niemand ons zou zien.
„Jawel”, zei ik, „het is een prachtige dag en plek, en er mag dan niemand zijn, maar Jehovah God ziet ons, en Jehovah zal mij en u . . .” Maar ik kon niet op het Engelse woord voor „straffen” komen. Daarom zwaaide ik wild met mijn handen voor zijn gezicht en schreeuwde hard tegen hem! Dit scheen effect te hebben want zijn houding veranderde duidelijk. Hij wachtte een moment, dacht na en verzocht mij toen weer in de wagen te stappen. Zonder een woord te zeggen, reden wij naar het centrum van München, waar hij stopte en vroeg of dit ver genoeg was. Ik verzekerde hem dat dit zo was. Opnieuw opende hij de deur vanaf de buitenkant en weer stond ik oog in oog met hem. Deze keer pakte hij mijn handen echter en zei: „U bent een rechtvaardige vrouw. Bid voor mij, dat mijn vrouw net zo trouw mag zijn als u.”
In München begon ik onmiddellijk met pionieren; al mijn tijd besteedde ik aan de prediking. Ik probeerde met zoveel mogelijk andere Getuigen in contact te komen om onze vergaderingen en andere activiteiten weer op gang te helpen brengen, daar praktisch al onze activiteiten in verband met de verkondiging van het Koninkrijk door de oorlog en de vervolging ontwricht waren.
Mijn man leeft!
Niet lang na mijn aankomst in München ontdekte ik dat Martin inderdaad nog leefde en gezond was. Hij was naar het vernietigingskamp Mauthausen in Oostenrijk getransporteerd, maar had het overleefd. Samen met zo’n honderd andere Getuigen moest hij daar wachten totdat hun papieren in orde waren. Daarmee zouden zij zich kunnen legitimeren als personen die onder het Hitler-regime vervolgd waren. Zonder die papieren zou het voor hen onmogelijk zijn te reizen of voldoende voedsel te krijgen.
Toen ik wist hoe de situatie in elkaar zat, ging ik persoonlijk naar de Amerikaanse militaire bevelhebber in München en zei: „Mijn man zit in een concentratiekamp in Oostenrijk en ik wil dat u er een wagen heen stuurt om hem op te halen!” Uiteindelijk stuurde de bevelhebber er twee bussen heen en haalde alle Getuigen op.
Een nieuwe uitdaging
Nu stond ik weer voor een uitdaging. Mijn man kwam terug! Maar waar moesten wij wonen? Ik had in een schuurtje achter een huis gewoond en geslapen in een stoel, omringd door allerlei tuingereedschap. Wij hadden een plek nodig waar wij konden wonen, maar ik wist dat Jezus’ dienstknechten het Koninkrijk op de eerste plaats moesten stellen.
Daarom besloot ik onder gebed om één hele dag van mijn pioniersdienst te gebruiken om geschikte woonruimte te zoeken. Ik ging naar het huisvestingsbureau dat onder Amerikaanse leiding stond en kreeg een lijst met appartementen. Ik begon vroeg in de morgen op de dag die ik ervoor uitgekozen had en werkte de hele lijst af. Bij zonsondergang stond ik voor het laatste huis van de lijst, waar mij net verteld was dat het, net als alle andere, niet langer beschikbaar was. Wat moest ik doen?
Ik bad Jehovah om hulp. Uiteindelijk wist hij wat er nodig was en hij zou zorgen voor degenen die het Koninkrijk op de eerste plaats stelden. Ik had die ene dag niet gepionierd en had niets bereikt. Toen ik klaar was met mijn gebed leek het weer of er niets veranderd was. Maar ik had vertrouwen in Jehovah, de „Hoorder van het gebed” (Psalm 65:2). Het enige wat ik kon doen, was voorwaarts gaan en naar een oplossing zoeken. Dit deed ik letterlijk, en niet zo ver bij mij vandaan zag ik drie vrouwen op het trottoir staan praten. Ik stapte op hen af en vroeg of zij misschien een woning voor mij wisten.
Een van de vrouwen draaide zich om en zei nogal bot: „Die moet u zelf maar gaan zoeken!” Haar onvriendelijkheid verraste mij onaangenaam, maar ik dacht: ’Misschien ligt hier mijn antwoord! Ik begin hier op deze hoek en ga gewoon van huis tot huis.’ Ik stapte naar het eerste huis, belde aan en een vrouw begroette mij met de woorden: „U komt vast van het huisvestingsbureau!” Haar nummer stond echter niet op mijn lijst. Zij bracht mij naar een appartement op de eerste verdieping en opende de deur naar een leuke kamer met een klein keukentje aan de overkant van het portaal — en een schitterend uitzicht op de Beierse Alpen!
Getrouwheid wordt rijk gezegend
Martin en ik betrokken dat appartement. Van het begin af aan bleven wij beiden natuurlijk druk bezig met het Koninkrijkswerk. Ik bleef pionieren en Martin begon regelingen te treffen om groepjes Getuigen op enige afstand van München te bezoeken om hen geestelijk op te bouwen. Hij maakte die één- of tweedaagse tochten alleen, daar reizen nog steeds erg moeilijk was.
Op een keer kwam Martin ’s ochtends om 9.00 uur thuis van zo’n reis, net op het moment dat ik vertrok om in de dienst te gaan. Hij vroeg me schone kleren en wat hij verder nodig had klaar te leggen, omdat hij diezelfde middag weer weg moest. Ik zei dat ik wat nabezoeken ging brengen en enkele huisbijbelstudies zou leiden, en dat ik tussen de middag terug zou zijn om zijn middageten klaar te maken en hem met pakken te helpen. Het werd 12.00 uur, maar ik was er niet; ook lagen zijn schone sokken en andere spullen niet klaar voor zijn koffer. Het werd 4.00 uur, daarna 8.00 uur, en eindelijk, om 11.00 uur ’s avonds, kwam ik thuis, in een gelukkige stemming vanwege alle fijne ervaringen die ik die dag had meegemaakt. Toen schoot mij iets te binnen! In mijn enthousiasme voor de dienst en mijn opwindende bijbelstudies die dag, was ik de hele Martin en zijn reis vergeten. Ik was in die tijd niet gewend een echtgenoot in huis te hebben!
Natuurlijk duurde zo’n verstrooidheid niet lang. Martin moest vaak weg en al gauw werd ik mij zijn afwezigheid scherp bewust. Omdat ik hem miste, huilde ik nogal vaak. Daar ik echter niet wilde dat de huiseigenares iets anders van mij zag dan mijn normale opgewektheid, ging ik dan naar een dichtbij gelegen begraafplaats, om daar op een boomstronk uit te huilen. Ik redeneerde: ’Er komen hier zoveel andere mensen huilen. Het zal dus niemand vreemd toeschijnen als ik dat ook doe!’ Maar door te huilen werd de situatie niet echt beter.
Ik had erg veel fijne ervaringen doordat ik bij 22 gezinnen minstens eenmaal per week een bijbelstudie leidde! Maar ik wilde deze goede dingen met mijn man delen. Martin was terug en zijn gezondheid was goed, en toch konden wij niet samen zijn. Dus legde ik de zaak in gebed aan Jehovah voor. Ook vertrouwde ik mijn verdriet aan broeder Erich Frost toe, die destijds de opziener over het predikingswerk in Duitsland was. Ik vertelde hem dat mijn man terughebben alleen betekende dat ik zijn sokken en ondergoed moest wassen. Broeder Frost heeft vermoedelijk gedacht dat hij mij aanmoedigde met de opmerking dat ik blij moest zijn dat ik dit tenminste kon doen. Maar ik was niet erg tevreden met dat antwoord! Desondanks heb ik het doorstaan!
Enige tijd later kreeg Martin een uitnodiging om in Maagdenburg opgeleid te worden tot broederdienaar, zoals kringopzieners in die tijd genoemd werden. Aan het eind van deze opleiding kondigde broeder Frost aan dat hij iets speciaals voor Gertrud had. Er waren richtlijnen gekomen van het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn, dat alle echtgenotes die voorheen in de pioniersdienst waren, hun man mochten vergezellen bij zijn bezoeken aan de verschillende gemeenten in de reizende dienst. Mijn gebeden waren opnieuw verhoord!
Een terugblik
Als ik nu terugdenk aan de vele ervaringen die mijn man en ik hebben meegemaakt, ben ik ervan overtuigd dat onze hemelse Vader weet wat wij nodig hebben en dat wij dit ook op het juiste moment zullen ontvangen als wij werkelijk het Koninkrijk op de eerste plaats in ons leven stellen. Ik constateer ook dat ik geen dingen heb ontvangen die ik niet echt nodig had. — Matthéüs 6:32.
Bijna 31 naoorlogse jaren lang heb ik met mijn man heel Duitsland afgereisd als hij de christelijke gemeenten in dat land bezocht en er geestelijke hulp bood. Sinds 1978 evenwel werk ik op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn, New York, waar Martin lid is van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen. Ofschoon ik nu 72 jaar ben, ben ik Jehovah erg dankbaar dat ik nog steeds veel kracht heb — genoeg om nog hele dagen in dienst van het Koninkrijk te staan!
[Illustratie op blz. 26]
Ik droeg het gevangenisuniform toen ik voor de kinderen van de SS-officier zorgde
[Illustratie op blz. 28]
Een afschuwelijk vooruitzicht: De vliegtuigen zouden misschien terugkomen om de vrachtwagen te beschieten
[Illustratie op blz. 30]
Met mijn man, Martin, geniet ik nu van de prediking in het openbaar en van huis tot huis in Brooklyn