Bestaan er schriftuurlijke bezwaren tegen bijbelverklarende lectuur?
OP EEN zondagochtend deed in Connecticut, VS, een man open toen er op zijn deur werd geklopt en ziedaar, op de stoep stond een getuige van Jehovah. De Getuige sprak met hem over de bijbel en bood hem wat lectuur aan waarin belangrijke bijbelse onderwerpen werden verklaard. De man bedankte echter. Hij wees op een bijbel die op het dash-board van zijn bestelwagen lag en zei: „De bijbel is alles wat ik nodig heb.”
Zou u het met deze man eens zijn? Zeker, als hij bedoelde dat niets de bijbel als bron van de waarheid kan vervangen, zouden alle christenen het met hem eens moeten zijn. Maar de lectuur die deze Getuige bij zich had, was niet bedoeld om de bijbel te vervangen. Ze had ten doel de bijbel te verklaren, gedeelten eruit te belichten die in het leven van die man nuttig zouden kunnen zijn en zo respect voor en kennis van dat belangrijke boek op te bouwen. Is het onnodig of zelfs verkeerd zulke lectuur te lezen?
De heilige Schrift — Op zich al genoeg?
Suggereert de Schrift dat lezen in de bijbel — hoe belangrijk dat ook is — alles is wat men nodig heeft om nauwkeurige kennis van de waarheid te verkrijgen? In feite niet. De discipel Jakobus zei bijvoorbeeld over de joden: „Van oudsher heeft Mozes in stad na stad mensen gehad die hem prediken, omdat hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen” (Handelingen 15:21). Ondanks al dat lezen van de bijbel zijn de meeste joden nooit tot het inzicht gekomen dat Jezus de Messías was.
Ook de Ethiopische eunuch die in Handelingen hoofdstuk 8 wordt genoemd, las de bijbel. De discipel Filippus hoorde de eunuch, die in zijn wagen op weg was naar huis, hardop uit het boek Jesaja lezen. Was dat voor hem voldoende om kennis van de waarheid te krijgen? Filippus vroeg hem: „Weet gij eigenlijk wel wat gij leest?” Hij antwoordde: „Hoe zou ik dat toch ooit kunnen, tenzij iemand mij leidt?” (Handelingen 8:30, 31) Nederig erkende hij dat hij hulp nodig had om de bijbel te kunnen begrijpen.
Denk ook eens aan het gebod dat Jezus zijn volgelingen had gegeven kort voor hij naar de hemel opsteeg: „Gaat daarom en maakt discipelen van mensen uit alle natiën, hen dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest, en leert hun onderhouden alles wat ik u geboden heb” (Matthéüs 28:19, 20). Het is duidelijk dat het noodzakelijk was meer te doen dan nieuwe bekeerlingen uit te nodigen voor openbare voorlezingen uit de bijbel of hun een bijbel te geven die ze dan maar zelf moesten lezen. De christen moest hen ook onderwijzen.
Ook de apostel Paulus zag in dat er iets meer nodig was dan alleen maar de aanmoediging om de bijbel te lezen, toen hij Timótheüs maande: „Ga er, totdat ik kom, mee voort u toe te leggen op het voorlezen, het vermanen, het onderwijzen” (1 Timótheüs 4:13). De bijbel lezen, was van het allergrootste belang — Paulus noemde voorlezen als eerste. Maar ook was het nodig de toehoorders te helpen de betekenis te begrijpen van wat er werd gelezen (onderwijzen) en hen aan te moedigen het in hun leven toe te passen (vermanen).
En ten slotte krijgen wij er in het boek Handelingen een duidelijk beeld van hoe de discipelen en apostelen veel meer deden dan alleen de bijbel aan mensen voorlezen. Zij hielpen hen de bijbel te begrijpen. „Judas en Silas, aangezien zij zelf ook profeten waren, moedigden de broeders met menige toespraak aan en versterkten hen. Doch Paulus en Barnabas bleven nog enige tijd in Antiochië, terwijl zij met nog vele anderen onderwijs gaven en het goede nieuws van het woord van Jehovah bekendmaakten.” — Handelingen 15:32, 35.
Geschreven hulpmiddelen
’Maar dat is geen geschreven lectuur’, zegt u misschien. Dat is waar. Is er echter veel verschil tussen een geschreven en een gesproken toespraak? Ook al hadden de apostelen en andere vroege christenen geen mogelijkheden tot hun beschikking om drukwerk te vervaardigen, zij hebben zich wel degelijk van het geschreven woord bediend om het goede nieuws te verbreiden. Zij hebben tal van brieven geschreven aan de verschillende gemeenten om tijdens hun afwezigheid het contact te onderhouden. Sommige daarvan zijn zelfs deel gaan uitmaken van de bijbel, maar met veel andere is dat niet gebeurd.
In de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs die in onze bijbel bewaard gebleven is, lezen wij de volgende woorden: „In mijn brief heb ik u geschreven niet langer in gezelschap te verkeren van hoereerders . . . Maar nu schrijf ik u, niet langer in gezelschap te verkeren van iemand, een broeder genoemd, die een hoereerder . . . is” (1 Korinthiërs 5:9-11). Hier verwijst Paulus duidelijk naar een eerdere brief aan de Korinthiërs, een brief die wij in deze tijd niet bezitten. Vonden de christenen in Korinthe dat zij de brief die geen deel van de bijbel ging uitmaken niet nodig hadden? Kennelijk niet. Zij waardeerden hem als een geschreven hulpmiddel om schriftuurlijke waarheden te begrijpen en schriftuurlijke beginselen in hun leven toe te passen.
Toen de apostel aan de gemeente te Kolosse schreef, verwees hij naar nog een brief die thans niet meer bestaat, ditmaal een brief die aan de christenen in Laodicéa was gezonden. Hij zei: „En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorgt er dan voor dat hij ook in de gemeente van de Laodicenzen wordt voorgelezen en dat gij ook die uit Laodicéa leest” (Kolossenzen 4:16). Er werden dus niet alleen brieven geschreven aan verschillende gemeenten, maar die brieven circuleerden ook onder de gemeenten. Kunt u zich voorstellen hoe de apostelen, als er in die dagen mogelijkheden hadden bestaan om drukwerk te vervaardigen, daarmee hun voordeel zouden hebben gedaan om de toenmalige wereld met inlichtingen omtrent Jezus te overstromen?
Welnu, tegenwoordig bestaat er wel moderne drukapparatuur, en Jehovah’s Getuigen maken er inderdaad gebruik van om de wereld met bijbels en bijbelverklarende lectuur te overstromen. Daartegen kan geen schriftuurlijk bezwaar bestaan. Evenals voor de christenen voor wie Timótheüs zorg droeg, is het voor ons in deze tijd nodig de bijbel te lezen. Maar ook is het nodig dat wij onderwezen worden opdat wij hem begrijpen en dat wij vermaand worden opdat wij weten hoe wij hem in ons leven moeten toepassen.
Hulpmiddelen voor bijbelstudie kunnen alleen nuttig zijn indien ze het Woord van God niet verdraaien en mits ze God verheerlijken, de lezer de weg wijzen naar de ware aanbidding, hem helpen zich afgescheiden te houden van de wereld en hem hulp bieden om dichter naar God toe te groeien terwijl hij in de voetstappen van Jezus Christus treedt. Wij geloven dat u zult bemerken dat de bijbelse lectuur die door Jehovah’s Getuigen wordt verspreid aan al deze vereisten voldoet.