Gebruik en misbruik van sociale voorzieningen
STELT u zich eens een land voor waar ontelbare mannen, vrouwen en kinderen sterven aan ondervoeding; waar talloze mensen, dakloos en zonder werk, van de ene plaats naar de andere zwerven; waar honderdduizenden mensen in haveloze krottenwijken leven en in „huizen” wonen die van kisten of roestige autowrakken in elkaar zijn gezet; waar bedelaars zich in het leven houden door te stelen of door restjes te vergaren uit de vuilnisbakken.
Neen, dit gaat niet over een of ander door armoede geteisterd Aziatisch of Afrikaans land. Dit gaat over de Verenigde Staten van Amerika, vijftig jaar geleden, tijdens de Grote Crisis. In die tijd verkeerden zowel in Europa als in de Verenigde Staten miljoenen mensen in wanhopige armoede, met weinig hoop op verbetering van hun omstandigheden. Om een herhaling van een dergelijke armoede te voorkomen, hebben veel regeringen sociale voorzieningen van overheidswege in het leven geroepen.
Tegenwoordig geniet de werkende bevolking in veel geïndustrialiseerde landen een betrekkelijke financiële zekerheid dank zij regeringsprogramma’s voor financiële bijstand. In sommige landen ontvangen zij toelagen, zoals kinderbijslag. Misschien betalen zij belastingen die hun het recht geven aanspraak te maken op een uitkering ter overbrugging van periodes van werkloosheid, om de kosten van medische hulp te betalen of voor de tijd wanneer zij met pensioen gaan. In deze landen is er, wanneer burgers met tegenspoed te kampen hebben, dikwijls bijstand van overheidswege beschikbaar om hen te helpen in leven te blijven.
Al die programma’s zijn zeer menslievend. Toch hebben ze aanleiding gegeven tot problemen. Sommige mensen zijn bitter gestemd, omdat zij vermoeden dat hun belastinggeld wordt gebruikt om mensen te ondersteunen die, als zij dat wilden, zouden kunnen werken om in hun levensonderhoud te voorzien. Anderen vinden het vernederend om hun hand op te houden. Wat dient de zienswijze van een christen te zijn met betrekking tot sociale voorzieningen? Is het juist daarvan gebruik te maken? Zijn er gevaren aan verbonden?
Richtlijnen uit de bijbel
Omstreeks drieduizend jaar geleden verhuisden twee weduwen, Naomi en Ruth, naar de stad Bethlehem in Juda. Zij waren berooid, maar kwamen niet van honger om. Hoe kwam dit? Doordat er in de wet van dat land bijzondere voorzieningen waren opgenomen voor het levensonderhoud van de armen, in het bijzonder voor weduwen en wezen. — Deut. 26:12, 13.
In de dagen van de christelijke apostelen werden de armen dikwijls bijgestaan door de christelijke gemeente. De apostel Paulus schreef bijvoorbeeld een brief aan de ouderling Timótheüs met onder meer instructies om bejaarde weduwen die geen familie hadden om voor hen te zorgen, een geregelde uitkering toe te kennen. — 1 Tim. 5:3-16.
Thans maken die oude Wet van Israël en de brief die de apostel Paulus aan Timótheüs schreef, beide deel uit van de bijbel. De bijbel moedigt dus aan tot het beginsel de behoeftigen hulp te verlenen. Ja, christenen die daartoe in de gelegenheid zijn, zijn zelfs verplicht hun arme broeders en zusters te helpen. — 1 Joh. 3:17.
Maar als nu de staat een programma van financiële hulpverlening voor haar burgers heeft? Een christen kan daaraan meewerken. Alle christenen zijn verplicht „aan hem die vraagt om de belasting, de belasting; aan hem die vraagt om de schatting, de schatting” te betalen (Rom. 13:7). Daaronder vallen alle belastingen die zijn bestemd om als staatsuitkeringen te dienen.
Zo is het ook juist om van deze uitkeringen gebruik te maken wanneer wij daarop wegens huidige omstandigheden een wettelijk recht kunnen doen gelden. De apostel Paulus zei dat „de autoriteit” — de regeringen — „Gods dienares voor u, tot uw welzijn” is (Rom. 13:4). Dus iedere toelage, iedere vorm van hulp, zoals pensioenregelingen of medische verzekeringen en ook maatschappelijk hulpbetoon, kan terecht worden aanvaard door een christen die er eerlijk voor in aanmerking komt. Er kunnen zich echter problemen voordoen.
Een gewetensvolle beslissing
Beschouw eens de situatie van een jongeman die heeft gekozen voor een loopbaan als volle-tijdprediker. Aangezien dit onbetaald vrijwilligerswerk is, neemt hij een deeltijdbaan om in zijn onderhoud te voorzien. Het kan gebeuren dat hij, doordat het enige beschikbare deeltijdwerk hem een inkomen beneden een bepaald bedrag oplevert, in aanmerking komt voor een uitkering van regeringswege. Dient hij die aan te vragen?
Welnu, hij onttrekt zich niet aan werken. Hij spant zich in om op eerzame wijze in zijn onderhoud te voorzien. Zolang de overheid zijn omstandigheden terdege begrijpt en erkent dat hij voor de uitkering in aanmerking komt, behoeft er geen reden te zijn waarom hij zou weigeren een beschikbare aanvullende uitkering te aanvaarden. Men behoeft zich er niet voor te schamen een dergelijke bijstand te aanvaarden. In de Verenigde Staten ontvangen zelfs sommige militairen die.
Maar er zijn streken waar de mensen gevoelig zijn op het terrein van regeringsbijstand. In die streken zou een situatie zoals deze de plaatselijke gemeenschap aanstoot kunnen geven. Een christen zal zich daarom zorgvuldig op de situatie willen bezinnen.
Denk eens aan de apostel Paulus. Toen hij in Korinthe en in Thessaloníka vertoefde, weigerde hij financiële hulp van de gemeenten aan te nemen, ofschoon hij het recht had erom te vragen. Waarom? Om zijn medechristenen daar niet in moeilijkheden te brengen (2 Kor. 11:9; 2 Thess. 3:8, 9). In andere plaatsen nam hij echter kennelijk wel hulp aan. — 1 Kor. 9:6, 9.
Andere situaties waaraan sommigen aanstoot hebben genomen, hebben betrekking op vrouwen die geen echtgenoot hebben om hen te helpen hun kinderen groot te brengen. Moeten die uit werken gaan of mogen zij een regeringsuitkering aanvragen?
Dit dient iedere vrouw toch stellig zelf te bepalen. Ten slotte gaat het om haar kinderen. In het ene geval kan een moeder zich volledig gerechtigd achten te profiteren van financiële regeringssteun die haar in staat stelt al haar tijd bij haar kleine kinderen door te brengen. Een andere moeder, met schoolgaande kinderen, kan het onverstandig oordelen niet thuis te zijn als de kinderen dagelijks uit school thuiskomen.
Anderzijds kan een andere moeder zich gerechtigd achten een baan te nemen en haar kinderen overdag toe te vertrouwen aan de zorgen van iemand anders. Elke situatie is anders, en niemand dient een ander te kritiseren wegens de handelwijze waartoe zij besluit. Een huishouden bestieren en kinderen grootbrengen, zijn zware en tijdrovende verantwoordelijkheden, in het bijzonder voor een vrouw alleen. In de dagen van de Israëlieten was men van mening dat zulke één-oudergezinnen bijzondere hulp nodig hadden. Thans dient iedere vrouw haar eigen financiële toestand en andere omstandigheden af te wegen en te beslissen hoe zij de situatie zal aanpakken. — Deut. 24:19-21; Jak. 1:27.
Maar soms nemen mensen een beslissing die duidelijk verkeerd is.
De verleidingen van overheidssteun
In sommige landen kan bijvoorbeeld, wanneer een man zijn baan kwijtraakt, zijn werkloosheidsvergoeding wel 80 procent bedragen van wat hij verdiende toen hij werkte. Een man die zo’n uitkering geniet, kan zich afvragen: Wat voor nut heeft het om een andere baan te zoeken? Een christen ziet er misschien zelfs voordelen in als hij geen werk krijgt. Hij hoeft geen vuile taal aan te horen en kan de slechte omgang vermijden die bij werelds werk zo dikwijls een probleem vormt.
Is deze redenering juist? In feite niet. Ten eerste gaat deze voorbij aan het feit dat men er bij het betalen van een werkloosheidsuitkering in de regel van uitgaat dat een man op zoek is naar werk. Is hij dat niet, dan kan er sprake zijn van bedrog. Vervolgens is het zo, dat het geld voor dergelijke uitkeringen afkomstig is uit de belastingopbrengst van anderen. Met andere woorden: andere mensen werken om zijn gezin te onderhouden. Is dat een situatie waar een lichamelijk gezonde christen gelukkig mee zou zijn? — Matth. 7:12.
Toen Paulus aan de gemeente in Thessaloníka schreef, sprak hij over enkelen die niet werkten en zei: „Als iemand niet wil werken, laat hij dan ook niet eten” (2 Thess. 3:10). Dat was wijze raad. De mens vindt bevrediging in het verrichten van werk (Pred. 2:24). Als hij zich niet bezighoudt met produktief werk, kan dat een slechte uitwerking op hem hebben. Het kan leiden tot frustratie of zelfs misdaad. „Wie zich laks toont in zijn werk — hij is een broeder van degene die verderf veroorzaakt.” — Spr. 18:9.
Zeker, als er geen werk beschikbaar is, kan iemand soms genoodzaakt zijn terug te vallen op een staatsuitkering. Maar wanneer er werk beschikbaar is dat men redelijkerwijs zou kunnen aanvaarden, is de raad van Paulus van kracht: „[Stel u] ten doel . . . rustig te leven en u met uw eigen zaken te bemoeien en met uw handen te werken, zoals wij u bevolen hebben, zodat gij betamelijk moogt wandelen ten aanzien van de mensen die buiten zijn.” — 1 Thess. 4:11, 12.
Maar zou een christen die regeringsbijstand geniet in plaats van een full-time baan te hebben, niet meer tijd aan christelijke activiteiten kunnen besteden? Misschien wel. Maar welke uitwerking zou dat op anderen kunnen hebben? Paulus koppelt ’met uw handen werken’ aan ’betamelijk wandelen ten aanzien van de mensen die buiten zijn’. Voor hen die werk ontlopen, koestert men geen respect. Waarschijnlijk zal hun slechte reputatie al het goede dat zij op andere manieren tot stand brengen, tenietdoen. — 1 Tim. 3:7.
De verlokking van beschikbare financiële staatshulp kan ook tot andere problemen leiden. Nog niet zo lang geleden emigreerde iemand naar een land met dergelijke voorzieningen en vroeg een werkloosheidsuitkering aan. In zijn aanvraag verzweeg hij het feit dat hij in zijn vaderland bezittingen had — een feit waardoor hij, niet voor een uitkering in aanmerking zou zijn gekomen. Hij ontving dus geld van de staat door de waarheid te verzwijgen.
Bedrog kan op vele manieren worden gepleegd. Om aanspraak te maken op financiële bijstand kan een vrouw de overheid vertellen dat haar man haar heeft verlaten. Maar de echtgenoot woont misschien nog bij haar thuis. Een echtpaar kan een echtscheiding laten uitspreken — maar samen blijven wonen — om een hogere uitkering te krijgen. Er zijn gevallen bekend van ongehuwde vrouwen die onwettige kinderen kregen om meer steun te ontvangen. Ook kan de situatie van iemand die voor een bepaalde uitkering in aanmerking komt, veranderen. Hij krijgt bijvoorbeeld een baan. Maar doordat hij geen melding maakt van zijn veranderde omstandigheden, blijft hij financiële steun van de staat genieten.
Dit zijn typische vormen van misbruik van het stelsel van sociale voorzieningen. Door feiten te verzwijgen, regelrechte leugens te vertellen of anderszins in strijd te handelen met christelijke beginselen, is het soms mogelijk de overheid om de tuin te leiden en aan extra geld te komen. De bijbel waarschuwt evenwel: „De slinkse persoon is iets verfoeilijks voor Jehovah, maar Zijn vertrouwelijke omgang is met de oprechten.” Ook staat er: „Het verkrijgen van schatten door een leugentong is een weggedreven ademtocht, in het geval van wie de dood zoeken” (Spr. 3:32; 21:6). Geen enkele christen zal verfoeilijk in Jehovah’s ogen willen zijn, alleen maar om er financieel op vooruit te gaan.
Maar er bestaat nòg een gevaar in verband met deze aangelegenheid, waarvoor men op zijn hoede dient te zijn.
Ingesteld op sociale voorzieningen
Mensen die weten dat er uitkeringen van staatswege beschikbaar zijn, kunnen onverantwoordelijk handelen. Zij kunnen ertoe komen zich op de staat te verlaten om verantwoordelijkheden over te nemen die volgens de bijbel door de mensen zelf gedragen moeten worden. In sommige gevallen zijn zij opgegroeid onder omstandigheden waar men er over het algemeen zo over dacht. Mogelijk zijn er verscheidene generaties grootgebracht met overheidshulp, en is het moeilijk voor hen zich een andere levenswijze voor te stellen.
Staatsregelingen voor financiële bijstand ontheffen een christen echter niet van de hem door God opgelegde verantwoordelijkheden. Paulus zei: „Indien iemand niet . . . zorgt . . . voor hen die leden van zijn huisgezin zijn, dan heeft hij het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige” (1 Tim. 5:8). Indien in sommige landen de staat het hoofd van een huisgezin een handje helpt bij de zorg voor zijn gezin — door middel van een bejaardenpensioen, gezinstoelagen en dergelijke voorzieningen — mag hij dankbaar zijn voor die voorziening. Maar de zorg voor zijn gezin is nog altijd zijn verantwoordelijkheid.
Nog zo iets. De apostel Johannes zei dat het de verantwoordelijkheid van een christen is zijn armere broeders te helpen (1 Joh. 3:17). Zeker, in sommige landen treft de staat misschien enige materiële voorzieningen voor de armen. Maar dat doet niets af aan de christelijke verplichting om te helpen. Een christen dient erop bedacht te blijven materiële en geestelijke hulp te bieden aan hen die deze hulp werkelijk nodig hebben.
Ja, dergelijke regeringsregelingen waardoor financiële bijstand wordt verschaft, zijn een menslievende voorziening van „caesar”. Als ze niet bestonden, zouden de christelijke gemeenten in dit opzicht waarschijnlijk veel meer moeten doen dan zij op het ogenblik doen. Niettemin mag een christen geen misbruik maken van de voorzieningen. Hij mag niet liegen, de waarheid verzwijgen of het op welke andere manier maar ook op een akkoordje gooien met christelijke maatstaven. En hij moet zich er niet op verlaten dat de staat zich zal kwijten van de verantwoordelijkheden die God hem heeft gegeven.
In zijn brief aan de Hebreeën zei de apostel Paulus: „Laat uw levenswijze vrij zijn van de liefde voor geld, en weest tevreden met de tegenwoordige dingen. Want [Jehovah] heeft gezegd: ’Ik zal u geenszins in de steek laten noch u ooit verlaten’” (Hebr. 13:5). Ook moedigde hij de Korinthiërs aan om „alle dingen tot Gods heerlijkheid” te doen. — 1 Kor. 10:31.
Wat een prachtige beginselen worden hier beklemtoond! Laten wij de liefde voor geld vermijden. Laten wij in alle dingen op Jehovah vertrouwen, terwijl wij van de staat die uitkering aannemen waarop wij wettelijk recht hebben. En laten wij bij alles wat wij doen, in aanmerking nemen welke uitwerking dit op Gods naam heeft. Als wij deze drie beginselen goed in gedachte houden, zullen wij geholpen worden een juiste zienswijze te hebben met betrekking tot sociale voorzieningen.
[Illustratie op blz. 9]
Om herhaling van taferelen als dit te voorkomen, werden sociale voorzieningen in het leven geroepen
[Illustratie op blz. 11]
Dat een land financiële hulp beschikbaar stelt, ontheft een man niet van zijn verantwoordelijkheid voor zijn eigen gezin te zorgen